Vanmorgen word ik wakker in een slaapzak in een lokaal in gebouw C. Het is half acht; ik heb me verslapen, hoor al mensen op de gang. Vlug rol ik mijn slaapzak op, pak mijn tas in, ga op weg. Op het toilet in de kelder poets ik mijn tanden, kam mijn haar voor het eerst in weken; ik zie bleek en ziekelijk. Meer fruit eten. Meer in de zon komen. Zal wel goed komen.
Met rugzak en slaapzak wandel ik over de campus. Glazen gang door, gebouw K uit, over het plein, langs de plaats waar eens het kunstwerk stond, onder de bibliotheekbrug door… De eerste studenten van de dag komen me tegemoet, jong en oud gelijk. Ik kijk hen na, verbaas me over hoe ik na tweeënhalf jaar fulltime op deze campus jaar nog altijd zo weinig gezichten herken. Er zit zo’n dynamiek in zo’n Universiteit. Het is een tussenstop; iedereen vertrekt er uiteindelijk, en vandaag is het mijn beurt.
Iemand drukt me een flyer in de hand. “Morgen een feessie.”, grijnst hij, “De FRW geeft een feest, bovenop gebouw M. Een unicum! De eerste keer in de geschiedenis van de Universiteit dat dit gebeurt! Kom ook, kom ook!”
“Nee, bedankt. Niks voor mij.”, en ik loop verder. Ik heb al mijn bezittingen bijeen gepakt in een forse sporttas; het paste pijnlijk gemakkelijk. Het is leuk geweest; mijn tijd als Schemerling zit er op. Laat een ander het maar overnemen. Ik neem ontslag. Er is op deze campus niets meer voor mij; niets meer te winnen, niets meer te verliezen. Geen wraak meer die behaald moet worden, geen handboek dat ik moet voltooien, geen sporen die moeten worden uitgewist, geen boete die gedaan moet worden. Leeg gevoel. Wat heeft dit alles mij opgeleverd? Wat heb ik ervan geleerd? Welke netwerken heb ik gesmeed, welk cv heb ik opgebouwd, welke levenservaring heb ik opgedaan? Niets, niets van dit alles. Mijn Schemerbestaan was een grote tijdsverspilling, een zelfbedrog, een grote vluchtreactie. Nu is het tijd om te stoppen met vluchten.
Twee studenten komen langs gejogd. “Ga jij volgende week ook naar die eindborrel van Bedrijfseconomie?”, vraagt de een de ander, “Gratis bier in café Jef!”
“Ik weet niet. Ik zie er altijd zoveel gezichten die me niets zeggen…”
Voor de Esplanade naar links, bewaker Rattengezicht passerend, langs het Tias-gebouw, naar de parkeerplaats. Station Tilburg-West wacht. Er slingert een krantje op de grond. ‘Hoe zou het zijn om niet alleen op de Universiteit te studeren, maar er ook te léven?’, staat er op de voorpagina, ‘Deze vraag moet zesdejaars student Cultuurwetenschappen Peter ter Petermeijer zich gesteld hebben alvorens zijn inmiddels welbekende toneelcyclus omtrent de Schemerling te scheppen. Met de Schemerling heeft ter Petermeijer een onvergetelijk personage geschapen; een moreel ambigue campus-extremist, die tegen de klippen op strijdt voor de waarden die hij en hij alleen als de juiste beschouwt.’ Verdomme. Loop vlug verder.
Op de parkeerplaats zie ik een auto stoppen. Een oudere vrouw stapt uit, haalt uit de achterbak een rolstoel die ze open klapt om er een jongeman in te zetten. Ik herken Luuk van Dijk bijna niet. Hij ziet er stukken ouder uit ineens, terwijl hij door zijn moeder richting het Tias-gebouw wordt gereden.
“Klaar voor je college van vandaag, Luukie?”
“Onwaarheid! onwaarheid! Dit heeft de hoge raad nooit bedoeld”, roept Luuk van Dijk slechts, zwaaiend met een wettenbundel, “Professor Swartbaart? Ha, zijn theorie heb ik reeds in de vijftiger jaren ontkracht. Net na de oorlog was dat, moet je weten, mijn grootouders waren pas net terug uit de Dachau!”
Teder aait moeder Van Dijk hem over zijn wang. “Lieve jongen,” zegt ze.
“Ja, ik zie wat je bedoelt. Ik zie het heel helder. Dit is de doorbraak, Bart. Hoei boei!”
Ik ga door deze ontmoeting nadenken over de mensen die ik tijdens mijn verblijf op de Universiteit beïnvloed heb.
Ik denk aan Maurits Heverlee, die nu dood is en nooit een begrafenis heeft mogen genieten, onvrijwillig is gecremeerd.
Zijn moeder, die in een schijnzekerheid verkeert en duizend euro is verloren aan een moordenaar.
Bewaker Anton, die over een paar weken met haar in het huwelijk treedt.
Martius Primus, die in voorlopige hechtenis rot voor een misdaad die hij niet gepleegd heeft.
Geert de Groot, die in zijn laatste mail aan me liet weten dat hij nu van plan was verder te gaan als particuliere mediator-on-demand. ‘Ik durf te wedden dat dit werk me veel beter ligt dan een uitgeversbestaan. Gewoon een beetje babbelen met die mensen, een beetje zoeken naar een leuke oplossing. Zeg Scheem, als je ooit nog een mediator nodig hebt…’
Peter ter Petermeijer, die hopelijk weldra zal worden gedagvaard door de curator van Uitgeverij Book-o-Look vanwege inbreuk op een merknaam.
Ziggy en Alexander de Graaff, gelukkig op het Sportcentrum
Toon Kopmans, die in een ijzeren long zit en in een inrichting voor speciaal onderwijs te Nijmegen zijn studie probeert af te maken.
Ik denk aan Zofia…
Het is druk op perron Tilburg-West. Er is net een trein uit Breda gearriveerd, en een hoop studenten lopen over het perron, onderweg naar de universiteit.
“Ik blijf het zeggen: lelijkste campus van Nederland”, zegt een jongen met een Randstad-accent. Hij heeft een zelfvoldane glimlach op zijn gezicht. Ik heb zin om hem een klap voor zijn kop te geven.
Ik kijk de studenten na. Hoeveel van hen nemen de Universiteit maar op de koop toe? De meeste zien de campus waarschijnlijk als één van de vele plaatsen die ze op een dag bezoeken, waar ze een paar uren doorbrengen om vervolgens weer naar hun pappie en mammie of hun studentenkamer in het centrum terug te gaan. En wat is daar eigenlijk mis mee? Waarschijnlijk zijn ze beter af ook als ze hier over vier jaar vertrekken, uitvliegen naar baantjes in andere delen van het land, zonder nog ooit aan hun Universiteit terug te denken. Zo hoort het toch? Waarom zou je ergens blijven hangen als je door kan, waarom zou je je tijd uitzitten als er elders andere uitdagingen zijn?
Ik zal de campus nog het meest missen.
Op het einde van het perron wacht ik, peinzend, diep in gedachten verzonken, totdat het ge-kedeng kedeng van de aankomende trein me doet opschrikken. Daar komt hij al, daar in de verte. Mijn trein. Tijd om te vertrekken.
Ik kijk nog een laatste keer naar de campus, zoals ze daar ligt, in de zon. Zo ligt ze er al jaren, en zo zal ze er nog vele jaren blijven. In wezen onveranderlijk, maar de gezichten van de mensen herken ik niet meer, en met de dingen die zij doen wil ik niets meer te maken hebben.
De trein, de trein! Hij nadert het perron, is nu héél dichtbij.
Ik neem een aanloop
.
“Ik stel voor dat Team Alpha nu nog naar de bibliotheek gaat, undercover, verkleed als studenten.”, beval de oudere man, “Ik heb jullie wapens naar binnen laten smokkelen. Jullie vinden ze in de blauwe dozen die verspreid staan over de begane grond. Helemaal onderin heb ik een RPG-antitankwapen, maar dit mag alleen in uiterste noodgevallen worden ingezet. Begrepen? Dat geldt ook voor jou, Estevez!”
Laat ze voortaan hun eigen boontjes maar doppen; die mensen op de campus. Ik heb er geen zin meer in. Toen ik vervolgens de bibliotheek passeerde zag ik dat de ingang inderdaad was geblokkeerd, maar als iemand zich geroepen ziet zich er mee te bemoeien staat het hem vrij.
Een half uur later. De sfeer in de boekwinkel is om te snijden. De boekverkopers zitten met lijkbleke gezichten achter de kassa weggedoken, terwijl bewaker Rattengezicht driftig aan het bellen is met zijn vrouw over zijn testament. Zelf sta ik bewegingsloos bij de uitgang; de hele situatie komt als onwerkelijk op me over.