Archief voor april 2008

Binnendringers

april 30, 2008

Ik kan er slecht tegen als ze een rommeltje maken van de Universiteit, van míjn Universiteit. Studenten die lunchen op de grasvelden en daar hun lege blikjes cola achterlaten. Achterlijk studievolk dat hun snoeppapiertjes in de wandelgangen laat slingeren, want ‘de schoonmaakster ruimt het wel op’.

Het is zo onbeleefd. Ze zijn hier nota bene te gast. Ik spreek studenten er soms op aan als ik hen iets op de grond zie gooien. Meestal krijg ik hier een ongeïnteresseerde blik voor terug, en in het ergste geval een stomp tegen mijn arm. Één keer, toen ik geluk had, frommelde iemand op mijn aansporing zijn gebruikte tissue weer op en stopte deze in zijn zak. Ik neem aan dat hij die toen hij buiten mijn gezichtsveld was weer op de grond heeft gegooid, maar goed; zo hoef ik me er niet aan te ergeren.

Maar nu was er iets goed mis; toen ik vandaag lokaal PZ25 binnen kwam lag hier niet slechts troep, niet slechts rommel. Natuurlijk zag ik de gebruikelijke koffiebekertjes, het aluminiumfolie, de flyertjes, de Universen. Hier bleef het helaas niet bij.

Nee, ik pikte iets heel anders op; een aanwezigheid, een íets. Eerst was er die geur, die me naar de hoek van de lege collegezaal leidde. Er lag troep in de hoek. Ieder ander zou er aan voorbij gelopen zijn; het zou er zijn blijven liggen tot de schoonmaakster het was komen opruimen.

Maar deze rommel was niet door studenten gemaakt. Ik kon het zien. Studenten lieten geen lege blikken soep achter, geen tandenstokers, geen versleten sokken. Ik hurkte neer bij de rotzooi. Meteen viel mij meer op. Hier in de hoek had een slaapmatje gelegen, zo zag ik in één oogopslag; er lag hier geen stof, en het was een ideale beschutte plaats om te liggen. Bovendien slingerde er nog een soort van pomp onder een tafeltje.

Ik stond weer op, dacht na. Hier had iemand kamp opgeslagen. Kort geleden nog, anders had ik hier niets gevonden, dan waren de sporen wel opgeruimd door de schoonmaakploeg.

Ik snoof de lucht om mij heen, maar ving geen verdere sporen op. Degene die hier gekampeerd had, wíe dat ook was, was nu verdwenen.

Iets zei me echter dat ik niet hard zou hoeven zoeken om nog meer sporen te vinden…

Un-space, deel 2

april 28, 2008

Mijn tweede avontuur in de niet-bestaande ruimten van de Universiteit, de Ón-iversiteit, vond de afgelopen nacht plaats. Althans: zo vermoed ik.

Ik droomde vannacht dat ik over de Universiteit wandelde, maar niet de plaatsen bezocht die ik gewoonlijk aan doe; ik liep door verlaten gangen en trappenhuizen, door een ruimte die het oude Gebouw Z zou kunnen zijn, een verlaten collegegebouw waarop ik tijdens een eerdere dwaaltocht door de Universiteit stuitte. Het enige verschil was echter dat het gebouw Z zoals ik het kende duister en dichtgetimmerd was, terwijl in mijn droom het hele gebouw spookachtig verlicht was geweest door een rood schijnsel.

Het was een vrij aparte droom.

Het werd nog merkwaardiger toen ik daarnet op enkele foto’s stuitte op mijn digitale camera; foto’s waarvan ik me niet kan herinneren ze ooit geschoten te hebben. Het bizarre is; deze foto’s…. ze lijken de plaatsen te zijn die ik in mijn droom bezocht.

Heb ik geslaapwandeld of heb ik deze verlaten ruimten alleen in mijn dromen gezien? En waar komen die foto’s van lege gangen dan vandaan?
Soms vraag ik me af of er meer van dit soort plaatsen in Tilburg zijn, of dat deze Universiteit een uitzondering is.

Op Internet vond ik dat er zelfs een naam voor dit gedoe, dit gestruin door niet-bestaande ruimten, is: ‘Urban exploration’. Zie ook http://en.wikipedia.org/wiki/Urban_exploration

Ik las dat er in België veel van zulke plaatsen zijn; neem bijvoorbeeld de metrolijn tussen Brussel en Charleroi, die wel gebouwd is (met stations en al) maar nooit in gebruik werd genomen. De lijn ligt er nog steeds, hier en daar compleet overgroeid, en je kunt er ronddwalen in de tunnels, door de lege stations.

Ik hoef echter niet naar België om zelf ontruimde ruimte te vinden.

Vreemd hoe mijn biotoop me steeds weer blijft verrassen.

College

april 26, 2008

Vandaag woon ik een willekeurig college bij van de Rechtenfaculteit. Het gaat over Europees recht, maar ik slaag er niet in om mijn interesse er helemaal bij te houden.

Ik volg zo nu en dan colleges van willekeurige faculteiten, om mijn algemene kennis wat uit te breiden, en wat loze tijd te doden. Af en toe pik ik bij zo’n college wel eens wat op, waardoor ik vrijuit kan strooien met termen als ‘prisoner’s dilemma’, ‘categorische imperatief’ en ‘richtlijnconforme interpretatie’.

De docent probeert wanhopig het college enigszins interactief te maken, maar geen van de studenten is voldoende gemotiveerd om een duit in het zakje te doen. Het werkt ook niet als je als professor halverwege een zin stil valt, met de bedoeling om je studenten het te laten aanvullen.

“En het andere belangrijke kenmerk van de Europese rechtsorde is dus…”

Een stilte. Pas na een halve minuut vragend naar de zaal te hebben gekeken vult de docent aan. “Direct effect! Natuurlijk, het is direct effect!”

Er zijn maar een paar studenten, vooraan in de zaal, die werkelijk een bijdrage leveren, en twee ervan heten toevallig Richard. Zodoende lijkt het net of de docent iedereen Richard noemt. Wel, ík vind het grappig.

“En dat direct effect kwam echt naar voren in het arrest over…. over….. in het arrest over…. Ja, Richard?”

“Dekker?”

“Ja, wat richtlijnen betreft wel, en waarin nog meer? In welk arrest…. Ja, Richard?”

“Faccini Dori?”

“Nee, dat is niet helemaal juist, helaas.”

Zoals gezegd ben ik met mijn gedachten niet echt bij het college. In plaats daarvan schrijf ik wat losse termen op, die ik hier en daar opvang, en lees ik een paar van de folders die me bij de ingang van de zaal zijn aangereikt. Er is blijkbaar een groot studentenfeest in 013 volgende week, maar dat vind ik te ver weg, om te lopen ten minste. Natuurlijk kan ik een fiets hier van de campus stelen, maar daar voel ik me zo slecht bij. Ik ben geen slecht mens, slechts een product van mijn omgeving.

“Nederland is door de commissie via het ECJ op de vingers getikt in enkele procedures waarin direct effect centraal stond. En zij werden veroordeeld omdat…”

Ik spits mijn oren. Volgens mij weet ik dit, uit een eerder college dat ik eens bij de Rechtenfaculteit heb gevolgd. Ik wacht even tot er iemand anders antwoordt, maar het blijft stil. Ik krijg medelijden met die docent, die daar zo zielig vooraan staat, en steek mijn hand op.

Hij ziet mijn hand. “Ja, wat is jouw naam?”

“Richard”, zeg ik.

“Oké Richard, en waarom is Nederland door het Europees Hof van Justitie veroordeeld?”

“Omdat ze tegen de Europese Grondwet hebben gestemd.”, zeg ik trots.

“Nee… dat is niet eh… helemaal goed. Het Hof gaat een lidstaat niet veroordelen omdat haar onderdanen bij referendum tegen een verdrag stemmen… Dat zou eh… onwenselijke situaties opleveren.’

Ik hoor enkele mensen in de rij achter me grinniken. Ik draai me naar hen om. “Probeer anders eens een bijdrage te leveren aan de dialoog”, merk ik op, “Van niks zeggen komt ook niet veel goeds. Kijk maar naar Frankrijk in de Tweede Wereldoorlog.”

Ze gooien me een blikje cola naar mijn hoofd. Er zit nog een bodempje cola in, dat lelijke vlekken op mijn vest maakt. En dan vragen ze zich af waarom zoveel studenten niet meer komen opdagen bij colleges!

Gezondheid!

april 25, 2008

Helaas is de Universiteit niet in brand gevlogen, zoals ik voorspeld had. Laten we het er op houden dat ik op een metaforische brand doelde.

Ik heb wel iets anders meegemaakt. Bij toeval belandde ik in de een of andere officieel ogende ceremonie in de lokaal TZ06. Bij de ingang hing de boodschap dat er gratis thee en groentesalade zou zijn, vandaar.

Het betrof een lezing in het kader van een congres over ‘Het grote gezondheidsdebat’. Het ging over de kwaliteit van de gezondheidszorg in Nederland.

‘Gezondheid centraal(!): drie maal hoera voor de Nederlandse ziekenzorg(?)!!’ stond er op een banner, erg onhelder moet ik zeggen.

Ik was één van de laatsten die de zaal binnen kwam, dus ik moest achterin gaan zitten. De hele zaal zat vol met oude mensen, maar ja, die zullen denk ik meer gebruik maken van de gezondheidszorg. Er zaten ook een hoop mensen tussen het publiek te hoesten, wat natuurlijk wel ironisch was, gezien het onderwerp van het congres.

De lezing die ik binnenviel was niet erg interessant. Een enthousiaste mevrouw stond uit te leggen waarom groenten ‘de bouwsteentjes zijn van de grote lego-doos die ons lichaam is’. Dat ging een tijdje zo door. Het werd pas interessant toen er een man opstond, en begon over te geven, midden in de zaal.

“Ik ben zo ziek!”, jammerde hij, “Ik ben zo ziek! Had ik maar degelijke gezondheidszorg!”

Een paar bezoekers stonden geschokt op.

“Geen zorgen”, riep de vrouw die de lezing gaf, “Hij is een ingehuurde toneelspeler. En het braaksel is brinta-pap!”

De overgevende man stak een hand op, zwaaide naar het publiek. “Alles in orde, luitjes!”

“Maar laat het een waarschuwing zijn; ook u kunt ziek worden. Dit is een fraai voorbeeld van wat u kan overkomen als u niet denkt aan… uw gezondheid! Denk daarom aan de gezondheidszorg!”, zei de vrouw voorin nog, maar tegen die tijd was de zaal al grotendeels leeggelopen.

Al met al was het een van de boeiendere symposia die ik heb bijgewoond.

Naar buiten

april 23, 2008

Hoe apart moet het zijn om hier, aan de Universiteit, een studie te volgen. Om hier met een paar lessen per week klaar te zijn, en dan gewoon weer naar huis te kunnen gaan, naar waar het ook is waar je vandaan komt… Ik kan me de laatste keer niet herinneren dat ik hier écht weg ben geweest.

Vandaag ben ik weer op pad geweest, maar niet voor lang. Mijn scheerapparaat was kapot, dus ik moest de stad in om een nieuwe te kopen. Ik kon overwegen een baard te laten staan, een soort van ‘zwerver-look’ te cultiveren, maar liever houd ik vast aan de laatste restjes waardigheid die ik nog bezit.

De enige andere keren dat ik de campus verlaat zijn als ik mijn kleren ga wassen bij de dichtstbijzijnde wasserette (er is er één bij het Wilhelminapark; kan iemand mij misschien vertellen of er dichter bij de Universiteit ook een wasserette te vinden is? Als het goed is kun je op mijn blog reacties achterlaten). Zelfs om te douchen kan ik op de campus, beneden gebouw K, terecht.

Met pijn in mijn hart liet ik mijn universiteit achter me, liet haar over aan al de dagmensen.

Ik vond een scheerapparaat in de Blokker op de Westermarkt.

“Wat voor een scheer- apparaat zoekt u?”, vroeg de verkoper, toen ik hem zei dat ik een scheerapparaat zocht.

Ik slikte. Hier had ik eigenlijk niet over nagedacht. Ik ben maar voor het goedkoopste model gegaan. Die deed het verder goed. Ik heb me die middag geschoren en….

Ho! Ik merk dat de spanningsboog van mijn avonturen hier een beetje begint te lijden. Als ik met verhalen over mijn aanschaf van een scheerapparaat een groot publiek wil trekken dan moet het wel een verdomd goed of spannend scheerapparaat zijn. Ik ben dit weblog ten slotte begonnen om jullie op de hoogte te houden van wat voor spannende avonturen ik als inwoner van de Universiteit van Tilburg zoal mee maak.

Ik neem me voor om morgen weer iets spannends mee te maken. Ik beloof het jullie.

VOLGENDE KEER: DE UNIVERSITEIT IN BRAND!

De Lelijke Mensen

april 21, 2008

Als de Universiteit mijn huis is, dan is het aangrenzende bos, de Oude Warande, mijn tuin. Ik wandel er graag doorheen, vooral in de weekenden, als er verder weinig anders op de Unie te doen is.

Het is alleen vervelend dat ik mijn tuin moet delen met zoveel anderen, zoveel binnendringers, zoveel lelijke mensen; wandelaars en joggers, bejaarden, kinderen, mensen met honden… Ik haat honden. Één keer kwam ik in het bos een hond tegen, die mij tot de campus is gevolgd, blaffend en wel. Hij liet met pas met rust toen ik de studenten- administratie in vluchtte. Van de eigenaar geen spoor.

Maar ’s nachts is het erger.

’s Nachts komen de randfiguren, de zéér lelijke mensen, soms ook met honden. Het bos is een ontmoetingsplaats voor… voor van alles eigenlijk: drugsdealers, tuig, seksuele devianten; er zullen ongetwijfeld ook vampiers bij zitten.

Ik hou me er na zonsondergang liever uit de buurt. Als ik ’s avonds nog over de campus loop hoor ik soms kreten, zie ik soms groepen vogels krassend opvliegen.

Het is er niet pluis.

Het ergste is dat het niet altijd bij het bos blijft. Af en toe steken de lelijke of zelfs zéér lelijke mensen door van het bos naar de universiteit. Ik hoor hun voetstappen in de nacht. Ik zie hen lopen over de campus als ik vanuit mijn schuilplaatsen naar buiten kijk; vage, zwalkende schaduwen in de nacht. Zo nu en dan roepen ze iets, soms naar elkaar, als zij in groepen zijn.

Ik weet niet wat ze hier uitspoken. Ze blijven nooit lang. Meestal zijn ze tegen zonsondergang weer verdwenen. Nóg wel.

Met angst in mijn hart zie ik op tegen de dag dat één van hen zich hier nestelt…

De Mooie Mensen

april 19, 2008

Ik kom graag in het stiltecentrum. Het is niet een heel geschikte plaats om te overnachten, maar als ik er ontbijt kan niemand me dat kwalijk nemen. Ik zie er graag de wereld aan mij voorbij trekken, kijk graag naar de mensen die over de campus lopen; de mooie, jonge, vrolijke mensen. Wat voor verhalen, wat voor problemen dragen zij met zich mee? Wat voor levens leiden ze?

De Universiteit is een grote biotoop; zoveel personages, gebeurtenissen, gesprekken. Om met Willy Vandersteen te spreken: Het is een mini-mierennest. Je zou hier bij wijze van spreken elke willekeurige passant kunnen aanspreken die elk zijn eigen kleurrijke anekdotes zou hebben, zijn eigen visie. Alleen denken ze in de praktijk dat je gek bent als je in het wilde weg vragen gaat stellen, en de meeste passanten zullen haastig doorlopen zonder je een blik waardig te achten; leer mij mensen kennen.

Toen ik jonger was heb ik geprobeerd op Tilburgse terrassen te zitten en vandaar de wereld gade te slaan, maar mijn uitzicht werd dan al snel bedorven door de overvloed aan de lelijke, nare mensen die ik daar zag. Aan de andere kant; wat kun je überhaupt verwachten van een volk dat haar naam heeft te danken aan het rondsjouwen van haar eigen pis?

Vind je het gek dat ik het bij mijn Universiteit houd, dat ik niet hoef te weten wat voor freak shows de buitenwereld in petto heeft? En ga nou niet allerlei lollige reacties zitten geven, want dit is toch echt een retorische vraag.

Un-Space!

april 16, 2008

De Universiteit kent talloze plaatsen die een hoop studenten op hun beurt niet kennen. Zelfs ik heb hier enkele maanden moeten wonen voordat ik ze allemaal ontdekte; de verlaten ruimtes en gangen, veelal ondergronds, die lang niet altijd een functie lijken te hebben.

Soms slaap ik er; alleen bij uiterste noodzaak, want fijn is anders. Het zijn lange, grauwe tunnels zonder verlichting. In de meeste gevallen zijn ze vrij toegankelijk; iedereen is vergeten dat ze bestaan, dus niemand neemt de moeite ze af te sluiten.

Zo dwaalde ik onlangs door het gangenstelsel beneden gebouw C. Ik was hier verzeild geraakt toen ik bij een of andere borrel van de kinder-universiteit een broodje van de catering had willen meenemen. Één van die organisatoren had opgemerkt dat ik niet bij de genodigden hoorde (ik stak zelfs toen ik gebukt liep meerdere hoofden boven iedereen uit, en mijn ongeschoren kop zal ook niet hebben geholpen), waarna ik noodgedwongen op de vlucht was geslagen.

Ik passeerde de aula, de bijbehorende garderobe, ging een trap af. Ik ben geloof ik nog een eind gevolgd, maar nadat ik het gangenstelsel beneden C was ingegaan gaf men de achtervolging op.

Terug kon ik echter ook niet, en ik liep verder door de ondergrondse gangen. Het was er donker en ergens hoorde ik druppels vallen. Er waren hier geen ramen, geen bronnen van licht, geen tekenen van leven, en het enige geluid dat ik hoorde was een zacht gezoem.

Ik zal er een tijdje gelopen hebben, van gang naar gang. Buizen liepen langs de muur, zowel van de verwarming als van de afvoer. Er moesten hier eerder mensen geweest zijn, want hier en daar was op de buizen geschreven. Elke deur die ik trof ging zonder moeite open (ook al raakte ik de klinken niet aan; deze zagen zo smerig dat ik er waarschijnlijk Aids van zou krijgen).

Ik passeerde een scheef hangend bordje met het opschrift ‘kleedkamers’, evenals trappen die (érg Kafkaësk) nergens heen gingen, stuk liepen op een plafond. Ik doorkruiste gang na gang, slechts geleid door het licht van mijn mobiele telefoon, tot ik uitkwam bij een soort wenteltrap die naar boven leidde. Ik zat nu zo diep onder de universiteit dat ik er weinig voor voelde het hele eind terug te lopen, dus ik moest de trap op.

Nu kwam ik uit in een soort grote, donkere, open ruimte, een soort hal, wat me beangstigde. Ik kénde deze ruimte niet, waarom niet? Met mijn mobiele telefoon ging ik langs de muren, vond aan allerlei kanten deuren, die ik niet door durfde te gaan. Boven in de muur zaten enkele ramen, maar deze waren dichtgetimmerd.

Waarom was zo’n grote ruimte in onbruik geraakt? Het zag er uit als een universiteitsgebouw, maar er leken al minstens tien jaar geen colleges meer te zijn gevolgd. Ik kon het niet bevatten; zo’n groot gebouw, zo’n grote hal, dat ik op de campus nooit gezien had. Ik struikelde haast over een bordje met het opschrift ‘gebouw Z’. Het oude Gebouw Z. Het zei me niets.

Ik heb foto’s genomen, maar toen ik deze later liet ontwikkelen was hierop slechts zwart te zien.

Het ergste kwam nog. Ineens kwam het besef dat deze ruimte logisch gezien niet zou kunnen bestaan. Op de plaats waar ik nu was zou, qua afgelegde afstand, gebouw K, de flat moeten staan, of in het uiterste geval gebouw Q, maar niet, maar niet… het oude gebouw Z.

In wat voor cyclopische Escher-nachtmerrie was ik beland?

Ik ben omgedraaid, struikelend de wenteltrap afgerend, de gangen door, tot ik via een zijdeur in een soort drukkerij of inpakplaats onder gebouw K uit kwam. Die nacht heb ik in gebouw M, vér van deze onmogelijke ruimte, geslapen.

Toen ik later nog eens terug wilde naar het oude gebouw Z was de deur naar de wenteltrap gebarricadeerd.

De sleutels

april 14, 2008

Ik heb de code gevonden om aan de sleutels van alle deuren in gebouw Esplanade te komen. Erg handig, dit. Nu heb ik toegang tot elke uithoek van het gebouw, tot de kamers van alle studie- en culturele verenigingen. Ik moet er slechts voor zorgen dat ik de ‘geleende’ sleutels ’s ochtends terug hang, anders worden er mensen achterdochtig. Hoewel vooralsnog slechts de voorzitters van de verenigingen in kwestie van de conciërge op hun donder kregen als de sleutel ontbrak.

De verenigingen bewaren soms interessante spullen op hun kamers. Ik heb zelfs kaspotjes gevonden. Af en toe neem ik er kleine bedragen uit, om mijn etentjes te betalen. Ook hebben ze er computers; zo kan ik rustig dit weblog bij houden.

Op de eerste verdieping van het gebouw staat bovendien een gemakkelijke sofa waar ik nog wel eens wil uitrusten. Soms sla ik er mijn spullen op. Op zich val je op een Universiteit, tussen studenten, niet heel erg op als je voortdurend bepakt en bezakt rondloopt, maar heel gemakkelijk is het niet.

Ik ben zo vaak op die eerste verdieping te vinden dat de mensen nu maar aannemen dat ik bij één van de daar gevestigde verenigingen hoor, of dat nou Magister is of Cicero of AIESEC of één van de talloze andere organisaties die de universiteit bevolken. Niemand verdenkt me.

Soms zijn er onverwachte verrassingen. Eenmaal had ik mijn tas per abuis op de gang van de tweede verdieping laten staan en toen ik deze terugvond had iemand er broodjes met kaas ingestopt. Ik ben er nog altijd niet achter wie daar achter zat, of waarom dat zo gedaan werd. Ik heb die broodjes ook niet opgegeten; je weet nooit wie er met zijn vieze handen aan heeft gezeten.

Ik geef toe dat mijn leven op de universiteit me zo nu en dan wat achterdochtig maakt. Ik slaap liever op een kamer waarvan de deur op slot kan, waar die verenigingenkamers dus wel geschikt voor zijn. Je weet nooit wat voor bedreigingen de Universiteit nog meer kent, voor welke verrassingen je ’s nachts nog meer kunt komen te staan.

Ik heb eenmaal meegemaakt dat er om twaalf uur ’s nachts nog mensen de kamer van de één of andere theologische studentenvereniging binnenkwamen, waar ik toen net lag te dutten op een bank. Toen ik de sleutel in het slot hoorde draaien ben ik snel achter deze bank gerold. Het licht ging aan, en minstens twee minuten hebben er mensen staan praten in het kamertje. Ik was blij dat ze praatten; bij stilte had ik mijn adem moeten inhouden, want de kamer was zo klein dat de sprekers op slechts enkele meters afstand van mij stonden.

Ik voelde me net een ninja. Ik ben vervolgens achter die bank wel weer half in slaap gevallen, waardoor ik het gesprek eigenlijk maar deels op ving. Maar de flarden die ik opving verontrustten me.

“De boel is gereed”, mompelde de één, een mannenstem, “…………… afspraken gemaakt.”

“Prima, uitstekend”, zei de ander, geloof ik ook een man. Ik weet ook niet waarom ik het onderscheid eigenlijk maak. “Dan kan operatie Habbakuk…….. van start gaan.”

“Jij regelt de kabels, zoals afgesproken?”, vroeg de één.

“Komt in orde………… Operatie Habbakuk……. En jij doet de transmissies?”

“Zoals afgesproken……….. Het duurt nu niet lang meer. Weldra, kameraad, weldra…”

“Hahahaha”, lachte de ander. Het was geen bijzonder sympathieke lach.

Hierna pakten ze nog wat spullen in, en daarna verlieten ze de kamer. Ik heb sindsdien verder niets meer van die operatie Habbakuk vernomen, dus ik weet niet of het relevant is. Misschien lag ik werkelijk te slapen op die bank en heb ik me dit alles verbeeld, wie zal het zeggen?

Ik wil jullie er slechts op attent maken dat de universiteit mogelijk meer geheimen herbergt dan je zou verwachten.

Kill my time

april 12, 2008

Ligt het aan mij of is er steeds minder te doen op de universiteit? Qua borrels en dat soort gelegenheden, bedoel ik. Er waren tijden dat er vrijwel elke donderdagavond een film werd vertoond door filmvereniging Cinema, maar die lijkt nu helaas ter ziele. En wat is er gebeurd met Studium Generale? Waarom hoor ik daar niets van?

Ik wil iets doen vanavond. Ten einde raad val ik maar binnen bij een borrel van de economische studievereniging; ik ken daar niemand, en niemand kent mij, dus ik kan mij gemakkelijk tussen de mensen mengen. Het is een speciaal feest voor mensen van de bachelor ‘Bedrijfseconomie’, in campuscafé Jef. 

“Pardon”, vraag ik een bleek ogende jongen, “Studeer jij ook bedrijfseconomie? Want ik heb jou nog nooit op de studie gezien.”

Hij schrikt een beetje. “Ik ben lang ziek geweest”, stamelt hij.

“Probeer je lessen een beetje bij te houden.”, zeg ik hem. Ik loop weer door. Met mijn leeftijd kan ik zowel doorgaan voor een student als voor een werkcollegedocent, en ik houd me dan ook graag op in het schemergebied tussen dezen.

Ik maak wat praatjes met mensen, help me in de tussentijd aan zoveel gratis borrelnootjes en glazen wijn als ik kan vinden. Ik heb vanavond nog niet uitgebreid gegeten; voor de mensa voelde ik weinig. Ergens moet je een lijn trekken, wat het mensa-eten betreft.

Ik schuif aan bij een tafeltje, waaraan wat studenten staan te spreken. “Is dit glas wijn van iemand?” Niemand reageert, en ik eigen me het glas toe. Ze voeren een discussie, die nogal economisch-getint klinkt. Ik kan er niet zoveel mee, probeer het gesprek een andere kant op te sturen. “Die situatie in het Midden-Oosten, dat is me toch wat!”

Ze negeren me. Dat is hun probleem. Ik beweeg me verder door het café heen, van tafel naar tafel, snack naar snack, glas naar glas, om maar te voorkomen dat het al te zeer opvalt dat ik een parasiet op deze borrel ben, een ‘free rider’, om in economische termen te blijven.

De borrel wil niet echt tot leven komen. Doordat er zowel studenten als docenten en professoren aanwezig zijn voelen beide kanten zich door elkaars aanwezigheid belemmerd in hun doen. Er wordt beleefd gekletst, en maar al te vaak wordt de mobiele telefoon te voorschijn getoverd, om te kijken hoe laat het is, om te pretenderen een SMS-je te versturen, en ondertussen haastig te scouten naar een nieuwe, interessante gesprekspartner.

Als ik bij een leeg tafeltje neerstrijk en me op een nog onaangeroerd bakje pistachenoten stort spreekt een man die er als een professor uitziet (een pijp zou hem niet misstaan) me aan en vraagt me hoe de lessen me tot nu toe bevallen.

“Goed”, zeg ik, “Het is hard werken, maar je studeert….” Ik kijk vlug naar het bord bij de ingang. “…Bedrijfseconomie, of je studeert het niet.”

De professor knikt. “Dat klopt, dat klopt. En, heb je al plannen? Wat wil je later worden?”

Ik haal mijn schouders op. “Ik zou graag iets met bedrijfseconomie doen. Waarschijnlijk word ik econoom. Voor een bedrijf. Of voor de overheid, want dat is eigenlijk ook één groot bedrijf. Ha ha.” Mijn lach begint voorzichtig, maar halverwege bedenk ik dat niemand me hier kent, en ik lach voluit, totdat ik merk dat er mensen naar mij om beginnen te kijken.

“Heel goed, heel goed.”, knikt de professor. Het gesprek bloedt een beetje dood. Hij pakt zijn mobiele telefoon uit zijn colbert en doet of hij een SMS-je verstuurt. Ik loop maar weer verder.

Het beste dat ik over de borrel kan zeggen is dat ze mijn avond vult. Ik blijf hangen tot de meeste borrelaars vertrokken zijn, en de caféhouder (Jef zelf?) subtiele hints begint te geven dat de borrel voorbij is. De lichten gaan uit, de stoelen op de tafels. Dan begeef ik me, enigszins wankelend, naar de uitgang.

“Tot ziens nog, laffe borrelaars!”, mompel ik. In het voorbijgaan stoot ik iets om, dat met een klap op de grond valt, maar ik besteed hier verder geen aandacht aan.

Bij de uitgang graai ik de nieuwe Univers van een standje. Vlug blader ik door naar de kalender. Er moet toch iets beters te vinden zijn dan dit? Ik hoef de Universiteit toch niet te verlaten om op een boeiender tijdverdrijf te stuiten?