Archief voor mei 2008

De wilde honden

mei 30, 2008

Vannacht onrustig geslapen. Ik lag op de vijfde verdieping van gebouw M dit keer, en schrok wakker toen ik de lift op mijn etage hoorde stoppen.

Ik hield me gedeisd terwijl enkele bewakers met hun zaklampen over de verdieping schenen. Gelukkig kwamen ze niet verder mijn kant op.

“Nee, hier ook niets. Naar de zesde, Anton!”, zei de één.

“Volgens mij is het maar een fabeltje, van die wilde honden”, zei de ander.

“Er hebben studenten geklaagd over geblaf in het gebouw”, zei de ander, terwijl de liftdeuren sloten, “En het is ons werk om dat na te gaan.”

Maar niet meer doen dan, die dierengeluiden.

Langs het water

mei 28, 2008

Het is een relatief zonnig dag vandaag, en ik zit in het gras tegenover de fontein aan de rand van de campus dierengeluiden te maken. Af en toe kijkt een groep studenten die verderop zit verstoord mijn kant op, maar zij zien mij niet, want ik zit verborgen tussen de struiken.

Ik heb een heel repertoire aan dierengeluiden opgebouwd, variërend van een simpele ‘twiet’ of ‘priet’ tot het meer geavanceerde ‘Bakaka!’ en ‘Salamoeni-moeni!’ Toch bevalt een simpel geblaf me het beste.

Ik probeer het gerucht te verspreiden dat er wilde honden op de campus rondlopen, om de mensen een beetje op de kast te jagen.

Vanmorgen ben ik gaan blaffen toen er iemand op het toilet zat van de eerste verdieping van gebouw K. En vanmiddag ben ik achterin de collegezaal GZ101 gaan zitten bij een college Psychopatologie, en heb daar de boel bij elkaar geblaft, tot een meisje van de rij voor me me een keelpastille aan bood.

Hier zit ik meer beschut, tot een verliefd stelletje even verderop langs het water klef gaat zitten wezen. Hier kan ik slecht tegen.

“Grrr!”, begin ik, “Arf! Arf!”

Ze horen me niet eens, zo erg gaan ze in hun gekronkel en gesmak op.

“Get a room!”, roep ik dan maar.

“Niet voor jou, maat!”, zegt de jongen. Hij balt zijn vuist naar mij. De vent is nog een stuk groter dan ik ook, dus ik sta maar op, en vlucht, als een hónd!

Meer overlast

mei 27, 2008

Het is opmerkelijk hoe bepaalde mensen je jarenlang niet kunnen opvallen en dan plots, als je ze eenmaal hebt leren kennen óveral opduiken. Ik zal Maurits Heverlee waarschijnlijk wel eens eerder gepasseerd zijn op de universiteit, maar nu ik hem had ontmoet was hij ineens óveral. Het leek alsof de campus met de dag kleiner werd; een benauwend idee.

Ik zag hem op een bankje zitten toen ik een rustgevende wandeling door het bos maakte. Zonder hem te groeten liep ik verder.

Toen ik om drie uur in de middag (toch een onconventioneel tijdstip) in Koffiekamer P wilde gaan lunchen kwam ik achter hem in de rij te staan. Hij nam nog een of andere vieze pastei ook, wat een vegetariër als ik een doorn in het oog was. Ik verloor op slag mijn eetlust.

Zelfs in de toiletten op de negende verdieping van gebouw M (mijn lichte smetvrees belet mij om de algemene toiletten te bezoeken) vond ik geen rust. Ik trof er Maurits Heverlee, die boven een wasbak zijn tanden stond te poetsen.

“Het uitzicht is hier zo mooi”, zei hij.

Ik krijg de indruk dat hij me volgt, maar de manieren waarop ik hem tegen het lijf loop doen het altijd lijken alsof ik hém volg.

De doortrapte schoft!

Overlast

mei 26, 2008

Bij mijn gebruikelijke ontbijt in het Stiltecentrum vanmorgen trof ik die belachelijke Maurits Heverlee. Het was zeer onaangenaam, temeer daar ik er op had gerekend in alle rust te kunnen ontbijten.

“Dag”, zei hij toen ik binnenkwam.

“Sssst”, zei ik, wijzend op het bordje ’stiltecentrum’.

We ontbeten in stilte, maar toch was het anders. Ik ergerde me aan elk geluid dat hij maakte, aan elke ritseling, elke zucht, elke smak. Zijn geluiden leken door het stiltecentrum te echoën.

“Ga je nou nog wat doen aan je probleem met de huur?”, vroeg ik ten slotte.

Maurits haalde zijn schouders op. “Ik heb een zaak in behandeling bij de Rechtswinkel Tilburg, maar ik kan niet zeggen dat ze er erg veel vaart achter zetten.”

“Maar wanneer ga je nou weg, weet je dat al?”

“Dat weet ik nog niet.”

Ik at verder, wachtende tot die jongen zou vertrekken en ik het stiltecentrum weer voor mezelf had, maar die rotzak kauwde zo verdomd langzaam. Het was alsof ik tegenover een lama zat.

“En waar heb jij vannacht geslapen?”, vroeg hij.

“Dat gaat je niks aan”, zei ik.

“Nee”, zei hij, op dat typische nare toontje van hem, “Dat zal dan wel niet.”

Op dat moment ging de deur van de ruimte open en kwam een of ander personeelslid ons vertellen dat er in het stiltecentrum niet gegeten mocht worden. Met tegenzin verliet ik mijn vertrouwde ontbijtzaal. Dit was mij nog nooit overkomen.

Alles is anders nu de ander er is.

Maurits Heverlee

mei 23, 2008

Vervloek de Ander!

Hij had een val voor me uitgezet. Toen ik met mijn fotocamera in de aanslag lokaal E106 betrad, dat ik hem eerder had zien binnengaan, ging het licht plotseling uit. Daarna stond ik ineens in de knikkers. Waarschijnlijk was het de bedoeling dat ik daarover zou uitglijden, maar dat deed ik niet.

“Wat is dit, verdomme?”, mompelde ik.

Het volgende moment werd ik met iets zachts in mijn gezicht geslagen. Niet veel later zou blijken dat het een slaapzak was.

“Wat is dit, verdomme?”, zei ik, iets luider dit keer.

Ik reikte naar de lichtknop, maar kon deze niet vinden. Een tweede slag met de slaapzak raakte me tegen mijn zij. Ik dook weg, zag nog steeds niets, zocht houvast tegen een muur, en slingerde mijn rugzak in het wilde weg naar mijn aanvaller. Op de een of andere manier slaagde ik er in de ander zijn slaapzak uit handen te slaan. Deze moet tegen de lichtknop aangevlogen zijn of zo, want het volgende moment baadden wij in het licht van de TL-buizen.

Het was zonder enige twijfel het meest belachelijke gevecht dat ik ooit had meegemaakt.

We knipperden beide met onze ogen, maar ik was sneller. Ik zag hem op een meter afstand van me staan, ongewapend nu. Zijn slaapzak lag tegen een stoel aan, onder de lichtknop. Vlug raapte ik een paar knikkers van de vloer en smeet hem deze in het gezicht.

“Auw! Kut!”, riep hij, “Knikkers!”

Hij wreef met zijn handen over zijn voorhoofd. Ik wist niet goed hoe ik nu verder moest.

“Waar slaat dit verdomme op?”, vroeg ik.

“Waarom volg je me?”, vroeg hij.

“Ik volg je niet.”

“Wel!”

“Hoezo dan?”

“Je volgt me!”

“Wie ben je?”

Hij stak zijn hand uit. “De naam is Maurits.”, zei hij, “Maurits Heverlee.”

Ik schudde hem de hand niet, noch gaf ik hem mijn naam. “Wat moet je hier, Maurits Heverlee?”

Maurits wreef nog eens over zijn voorhoofd, en raapte toen zijn slaapzak op. “Lang verhaal. Ik kon de huur niet meer betalen, dus heeft mijn verhuurder me op straat gezet. Op een dag paste mijn sleutel gewoon niet meer. Die eikel. Ik ga al juridische acties tegen hem starten en zo. En ik ben nu op zoek naar een nieuwe goedkopere woning, maar ondertussen moet ik ook wat. Dus dan dacht ik… dan blijf ik wel even op de Unie.”

“Wie heeft je dit idee gegeven?”

“Het was mijn eigen idee. En het is niet alsof jij de baas van de Universiteit bent! Deze Universiteit is best groot genoeg voor ons beiden! Zoveel kwaad kan het toch niet als ik hier voorlopig blijf?”

Ik haalde mijn schouders op. “Oké dan. Maar niet te lang.”

Ik weet zeker dat ik hier spijt van ga krijgen.

Gesnapt!

mei 20, 2008

Ik houd de Ander in de gaten. Ik volg zijn patronen. Hij lijkt nog steeds niet te weten dat ik er ben, gaat onbekommerd zijn gangen. Hij is werkelijk erg onvoorzichtig. Ik was veel voorzichtiger, zelfs in het begin.

Hieronder mijn bevindingen van deze morgen:

7:03: de ander ligt te slapen. Hoe schattig. Ik zou nu met het grootste gemak naar hem toe kunnen sluipen, zijn spullen kunnen saboteren, of erger nog… Wat houdt me tegen?

 7:05: de ander staat op. Ik geloof dat hij de wekker van zijn mobiele telefoon heeft gezet. Hij is laat. Ik sta gewoonlijk eerder op; om zeven uur is er soms al personeel op de Universiteit; daar moet je mee oppassen.

7:07: hij rekt zich uit of zo. Je zou eerder denken dat hij naar iemand zwaait, maar er is niemand anders in de zaal; daar heb ik me van verzekerd. Het is eigenlijk maar een lelijk exemplaar ook.

 

7:10: ik weet niet wat hij hier doet. Wil ik het weten? Hij beweegt alsof hij zijn tanden poetst, maar dan heel spastisch. Ik zie verder ook geen tandenborstel.

7:12: er komt iemand aan, op de gang. Ik ben er vandoor.

De Ander

mei 19, 2008

Het is flink mis nu.

Ik logeerde vannacht weer in gebouw C; ik meende dat ik het er weer op kon wagen, na mijn incident met de bewaking van enkele weken geleden, dat de boel weer tot rust gekomen zou zijn.

Ik zat er helaas naast.

 

Ik raakte inmiddels langzaam weer over mijn angst voor deze eenzaamheid heen, ook al wist ik dat er daarbuiten iemand was. Soms draaide ik wat muziek. Een keer heb ik zelfs wat kaarsjes aangestoken, om wat sfeer te maken, maar de rook had het brandalarm en de sprinklers doen afgaan, en de studenten die de volgende dag tentamen hadden in lokaal WZ205 waren ‘not amused’ geweest.

Afijn, het ging redelijk goed met me… tot ik de Ander trof. Ik wilde net gaan slapen, lag op mijn slaapmatje wat te dommelen.

Toen klonken ze.

Voetstappen, niet ver hier vandaan. Bij de schoolkampen vroeger werden rond het kampvuur wel eens verhalen verteld over hoofdloze mutanten die zich ophielden in schoolgebouwen en kinderen te grazen namen die daar ’s nachts naar binnen gingen. Bij nader inzien klinkt dat echt als het soort verhaal dat door een leraar of een geïrriteerde conciërge in het leven is geroepen, maar toch… vannacht dacht ik er ineens aan.

Ik stond op, deed mijn schoenen aan, liet mijn spullen staan, verliet zo stilletjes mogelijk het lokaal. Helaas is het erg moeilijk je door een universiteitsgebouw te begeven zonder lawaai te maken. Je kent het vast wel: je bent te laat voor een college, wilt stilletjes binnen komen, zonder dat iemand je opmerkt, om de deur met een doordringend gepiep achter je dicht te laten vallen. Alle medestudenten die omkijken, een professor die nog wel eens een lollige of nijdige opmerking wil maken, of ‘niet boos maar gewoon teleurgesteld’ is over je te late aankomst.

Het lukte me relatief stilletjes de gang op te sluipen. De voetstappen gingen door, hielden niet op om te luisteren.

Ze klonken vanuit de kelder, besefte ik nu; ik hoorde een zachte echo. De persoon (het klonk als één persoon) moest ergens in de gangen beneden het gebouw lopen, waar ook enkele studieruimten en een boekwinkel (met de wanhopig hippe naam ‘Books4Life’) zijn.

Nu leek het de trap op te komen. Stap-stap-stap-stap. Vlug verschuilde ik me achter een stand met de nieuwe editie van het universiteitsblad. Ik wachtte tot de persoon zou verschijnen, zodat ik kon zien of ik met een inbreker van doen had…

 

Tenslotte verscheen hij bovenaan de trap.

De persoon die ik zag droeg een rugzak, was bepakt met een slaapzak, droeg een zaklamp.

Op slag was ik er zeker van: ik was niet langer de enige.

Dit

mei 17, 2008

Deze foto. Wat is het in godsnaam?

Ik zag dit… ding een paar kamers van mij vandaan in gebouw P. Ik heb snel deze foto gemaakt en ben er vandoor gegaan. Beangstigend.

Kan iemand mij vertellen wat dit moet voorstellen? Kan iemand me ervan overtuigen dat het gezichtsbedrog is?

Zien jullie hier iets in? Ik heb het gevoel dat mijn eigen slaapgebrek me parten begint te spelen. Het is de verschijning van die ander die me bezighoudt, de andere universiteitsbewoner waarvan ik inmiddels al de nodige sporen heb gevonden. Wat doet die hier? Waar is hij nu? Weet hij al van mijn bestaan en zo ja, volgt hij me? Het voelt zo onveilig. Heb ik iets te vrezen van deze persoon? Heeft hij me uberhaupt gezien? Ik hield noodgedwongen mijn vinger voor de flits toen ik de foto nam…

Het bevalt mij niet meer op de Universiteit. Ik schrik haast van elke schaduw. Het is niet meer hetzelfde sinds de ander gearriveerd is.

Ik heb het gevoel dat ik me moet verdedigen, dat ik actie moet ondernemen tegen die- of datgene dat me deze woonplaats probeert af te nemen.

Maar wie is het? Wie is deze vreemdeling?

Self-fulfilling prophecies in de socio-economie

mei 14, 2008

Ik heb een soort van vaste club mensen opgedaan waar ik mee omga, om te voorkomen dat ik het spreken verleer. Ik tref hen meestal in de mensa, waar zij lunchen. Zoals vanmiddag.

“Verdomme, daar hebben we den dieje ook weer”, zegt de één, Toon als ik aanschuif. Hij is een nogal labiel ogende, luidruchtige jongen die steeds weer de grenzen van het betamelijke op zoekt, om daar met een fraaie boog overheen te duiken, “Dat jij onderhand nog niet bent doodgeslagen door zigeuners… ik verbaas me er elke keer weer over. Hoe verloopt de chemo nu? Je ziet er niet slecht uit.”

“Je leeft nog!”, roept de ander, Luuk, uitgelaten. Over deze persoon kan ik weinig zeggen, aangezien hij zich in mysteries hult. Hij houdt met enige regelmaat vol dat hij zowel Joods als homoseksueel is, maar bestempelt zichzelf ook dusdanig vaak als een pathologisch leugenaar dat ik niet langer weet wat ik moet geloven.

“Ja, ik leef nog”, zeg ik, “En de chemo is aangeslagen.”

Ik help mezelf aan mijn bord pasta. Ik neem aan dat het pasta is, want dat stond er op het bordje bij het lopend buffet. Ik heb nog nooit zulke groene pasta gezien; ze lijkt wel licht te geven. Ik neem me voor om vannacht terug te komen naar de mensa om te kijken of de maaltijden werkelijk licht geven.

“Welk college heb je gehad?”, vraagt Luuk, “Ik kom net van goederenrecht. Sáái! Hoei boei! Bovendien was de docent een Belg! Een Belg! Iemand van beneden de landsgrenzen!”

“Ik heb ook eh… college gehad”, zeg ik.

“Oh ja. Wat?”

Tot nu toe heb ik vrij goed voor hen verborgen kunnen houden welke studie ik precies volg; ik geef niet graag mijn identiteit prijs. Met een hoop ingewikkelde termen kom ik al een heel eind. “Self-fulfilling prophecies in de socio-economie.”

“Klinkt saai.”

“Het is nóg saaier.”

Slechts Toon weet dat ik op de Universiteit woon, en die is er bij toeval achter gekomen, om precies te zijn omdat ik op een dag wakker werd in het lokaal waar hij die ochtend college had. Zoiets levert altijd leuke anekdotes op. Het is erg vervelend dat Toon dit dan ook als een mooi verhaal beschouwt, en zijn stem erg ver draagt. Ik moet hem soms in toom houden, anders zou de hele Universiteit weten waar ik woon. En zo nu en dan moet ik daar offers voor maken…

 

Na de lunch, als ik de mensa wil verlaten, verspert Toon me de doorgang.

“Ik ben bang dat ik je toch weer om een gunst zal moeten vragen”, zegt hij met een olijke grijns, “Ik weet het: ik ben een waardeloze klaploper…”

“Welk vak?”, vraag ik.

“Integratievak staats- en bestuursrecht.” Het klinkt als een vak dat ik bedacht zou kunnen hebben.

“Welk departement?”

“… staats- en bestuursrecht. Gebouw M, derde verdieping. Ik had een vijf, net niet voldoende, dat is gewoon zo kut. Een zesje of een zeven zou goed zijn. Ik ben je eeuwig dankbaar, lieve schat. En ik zal aan niemand verklappen dat je hier woont.”

“Oké dan…”

 

Ik heb het natuurlijk niet gedaan, niet echt. Ik zou wel gek zijn om in gebouw M in te breken en daar wat in de database van die faculteit te lopen rommelen.

En als ik het wél gedaan had dan zou ik echt niet zo stupide zijn om dat op mijn weblog te lopen verkondigen!

De moraal van het verhaal is dat je niet wilt dat te veel mensen weten waar je woont. Zoiets is bedreigend en ongemakkelijk.

De Bibliotheek

mei 12, 2008

De universiteitsbibliotheek is ’s nachts een angstaanjagende plaats. De bewakers patrouilleren hier vaker dan ik verwachtte, waarschijnlijk omdat de bewakingspost zo dichtbij is. De overvloed aan computers zal er ook iets mee te maken hebben.

Toch is dit gebouw van een hoop gemakken voorzien, die ik niet graag onbenut wilde laten. Computers, literatuur, sanitair, allemaal zo dicht bij elkaar. De boekenkasten en studieruimtes bieden bovendien voldoende ruimten om een kamp op te slaan.

Ik vond een veilige slaapplaats, in één van de cabines met computers, waar ik mijn slaapzak uitrolde en een uiltje knapte.

Mijn slaap was echter onrustig. De regelmatige patrouilles van bewakers dwongen me licht te slapen, en omstreeks drieën werd ik wakker van een licht dat scheen, vanuit de computerruimte. Er kwam een soort knipperend  licht uit die richting in, en enigszins slaapdronken ging ik poolshoogte nemen.

De bron was snel gevonden. Een van de computers stond aan, nummer 1180 als ik het goed heb. Hij was zijn harde schijf aan het defragmenteren, meende ik, waar waarom nú, in het holst van de nacht? Wie had dit programma gestart?

Ik keek om me heen, maar er was niemand in de bieb.

Ineens verscheen er een tekst op het computerscherm.

‘Initialiseer Project Habbakuk? (Y/N)’, stond er.

Ik wist niet wat ik er mee moest, en wilde weg lopen, maar boven de boodschap verscheen plots een timer, die naar beneden aftelde vanaf 30 seconden. Naarmate de timer aftelde begon het beeldscherm feller te knipperen, totdat de bibliotheek wel een soort van stijlvol vormgegeven disco leek.

Ten einde raad drukte ik op ‘N’.

Het beeldscherm werd zwart.

Ik had het gevoel dat ik de Universiteit voor een groot onheil had behoed, hoewel ik waarschijnljk nooit zal weten wélk onheil.

Ja, ik ben een tragische, gemankeerde anti-held.