Ik heb een soort van vaste club mensen opgedaan waar ik mee omga, om te voorkomen dat ik het spreken verleer. Ik tref hen meestal in de mensa, waar zij lunchen. Zoals vanmiddag.
“Verdomme, daar hebben we den dieje ook weer”, zegt de één, Toon als ik aanschuif. Hij is een nogal labiel ogende, luidruchtige jongen die steeds weer de grenzen van het betamelijke op zoekt, om daar met een fraaie boog overheen te duiken, “Dat jij onderhand nog niet bent doodgeslagen door zigeuners… ik verbaas me er elke keer weer over. Hoe verloopt de chemo nu? Je ziet er niet slecht uit.”
“Je leeft nog!”, roept de ander, Luuk, uitgelaten. Over deze persoon kan ik weinig zeggen, aangezien hij zich in mysteries hult. Hij houdt met enige regelmaat vol dat hij zowel Joods als homoseksueel is, maar bestempelt zichzelf ook dusdanig vaak als een pathologisch leugenaar dat ik niet langer weet wat ik moet geloven.
“Ja, ik leef nog”, zeg ik, “En de chemo is aangeslagen.”
Ik help mezelf aan mijn bord pasta. Ik neem aan dat het pasta is, want dat stond er op het bordje bij het lopend buffet. Ik heb nog nooit zulke groene pasta gezien; ze lijkt wel licht te geven. Ik neem me voor om vannacht terug te komen naar de mensa om te kijken of de maaltijden werkelijk licht geven.
“Welk college heb je gehad?”, vraagt Luuk, “Ik kom net van goederenrecht. Sáái! Hoei boei! Bovendien was de docent een Belg! Een Belg! Iemand van beneden de landsgrenzen!”
“Ik heb ook eh… college gehad”, zeg ik.
“Oh ja. Wat?”
Tot nu toe heb ik vrij goed voor hen verborgen kunnen houden welke studie ik precies volg; ik geef niet graag mijn identiteit prijs. Met een hoop ingewikkelde termen kom ik al een heel eind. “Self-fulfilling prophecies in de socio-economie.”
“Klinkt saai.”
“Het is nóg saaier.”
Slechts Toon weet dat ik op de Universiteit woon, en die is er bij toeval achter gekomen, om precies te zijn omdat ik op een dag wakker werd in het lokaal waar hij die ochtend college had. Zoiets levert altijd leuke anekdotes op. Het is erg vervelend dat Toon dit dan ook als een mooi verhaal beschouwt, en zijn stem erg ver draagt. Ik moet hem soms in toom houden, anders zou de hele Universiteit weten waar ik woon. En zo nu en dan moet ik daar offers voor maken…
Na de lunch, als ik de mensa wil verlaten, verspert Toon me de doorgang.
“Ik ben bang dat ik je toch weer om een gunst zal moeten vragen”, zegt hij met een olijke grijns, “Ik weet het: ik ben een waardeloze klaploper…”
“Welk vak?”, vraag ik.
“Integratievak staats- en bestuursrecht.” Het klinkt als een vak dat ik bedacht zou kunnen hebben.
“Welk departement?”
“… staats- en bestuursrecht. Gebouw M, derde verdieping. Ik had een vijf, net niet voldoende, dat is gewoon zo kut. Een zesje of een zeven zou goed zijn. Ik ben je eeuwig dankbaar, lieve schat. En ik zal aan niemand verklappen dat je hier woont.”
“Oké dan…”
Ik heb het natuurlijk niet gedaan, niet echt. Ik zou wel gek zijn om in gebouw M in te breken en daar wat in de database van die faculteit te lopen rommelen.
En als ik het wél gedaan had dan zou ik echt niet zo stupide zijn om dat op mijn weblog te lopen verkondigen!
De moraal van het verhaal is dat je niet wilt dat te veel mensen weten waar je woont. Zoiets is bedreigend en ongemakkelijk.