Archief voor juni 2008

WordPress onderhoud

juni 21, 2008

WordPress.com betreurt het u te moeten mededelen dat deze en een honderdtal andere weblogs wegens onderhoud gedurende de komende weken gesloten zullen zijn. Het onderhoud zal tot medio augustus plaatsvinden, en daarna zal de gebruiksvriendelijkheid van WordPress.com sterk verbeterd zijn!

Kom halverwege augustus 2008 dus terug voor een nieuw en verbeterd weblog!

Het Einde(?)

juni 20, 2008

 

Maurits Heverlee, zeg je? Geen woord meer uit die jongen.

Hij is dood, kapot, in stukken gevallen. Ik ga hier niet zeggen dat ík hem vermoord heb, nee zeg, ik ga mezelf een beetje in de problemen brengen, in mijn blóg. Laten we het er op houden dat hem een ongeluk is overkomen… Een noodlottig ongeval…

Maurits Heverlee lag dood onderaan de wenteltrappen. Hij is, zijn hoofd stuiterend op enkele treden, naar beneden gevallen. Arme jongen. Hij was altijd zo onvoorzichtig.

Het is goed, alles is nu weer goed. Probleem opgelost. Nee, ik mis Maurits niet, natuurlijk niet. Wat kan ik zeggen? Het is een dog eat dog world.

Terwijl ik het oude gebouw Z verliet, begon in mezelf te lachen. Ik heb zijn dode lichaam één van de gebarricadeerde lokalen ingesleept, hem overeind in een stoel gezet, alsof hij een college zat te volgen. Het zag er zo heerlijk belachelijk uit, met dat kleine streepje bloed op zijn kin. Niemand zal hem vinden. Zijn beenderen zullen voor eeuwig in het oude gebouw Z liggen.
Nu, enige uren later, zit ik in het Stiltecentrum. Zo heerlijk rustig; geen gezeur aan mijn kop. Het is nu voorbij; ik kan ontspannen. De Universiteit is weer veilig; ík…. ze…. Maurits heeft haar een veilige plaats gemaakt, door van een trap te vallen. Er is niets meer te vrezen. Ik ben weer de enige bewoner van deze fraaie plaats.

Voor nu, ten minste.
Er zullen nieuwe kandidaten komen, nieuwe mensen die op de Universiteit zullen willen wonen; daar heeft Maurits wel voor gezorgd, met zijn belachelijke feesten, met zijn dodelijke onvoorzichtigheid. Ik zal hen hier weg moeten houden, tot zwijgen moeten overreden. En dat zal niet in alle gevallen voldoende zijn. Zekere mensen zullen op den duur ook een ‘ongeluk’ moeten krijgen; het risico dat zij hun mond voorbijpraten is hier en daar te groot.

Teveel mensen weten van deze plaats, van de voordelen die zij biedt. Geen huur, kosten aan water of electra of andere verplichtingen, maar wel een hoop gemakken, als je het verstandig weet te spelen. Anderen zullen hier op af komen; lelijke, nare mensen uit alle richtingen.

Maar ik zal hen te slim af zijn. Die ruimte, het oude gebouw Z, kan als een bergplaats fungeren. Misschien moet ik nu snel zijn, in een beslissende actie al mijn vijanden buiten spel zetten.

Ik pak mijn mobiele telefoon er bij. Er staan een stuk of vijf nummers in. Ik scroll naar het onderste, druk op bellen, wacht tot er wordt opgenomen. Zeg dan:

“Toon, ik moet je spreken. Kun je vanavond naar de Universiteit komen?”

Ja, ik zal op mijn hoede zijn. Ik zal blijven verdedigen, ik zal haar verdedigen; mijn Thuis, mijn Fort, mijn Habitat, mijn Universiteit.

Mijn Alma Mater.

Kat en Muis (en Hond)

juni 19, 2008

“Maurits, de bewaking komt er aan!”, riep ik, de afgelopen avond rond half twaalf. “We moeten er vandoor!”

Die oen was net op volstrekt onhandige wijze een maaltijd aan het stropen in de mensa.

“Shit!”, zei Maurits. Hij liet een bord met daarop drie sinaasappelen, een bodempje soep en een kuipje boter vallen en rende achter mij aan, in de richting van gebouw K.

“Snel, snel!”, moedigde ik hem aan, “Ze zitten ons op de hielen! Hup! Hulp!”

Als ik me niet inhield zouden de bewakers nog écht achter ons aankomen.

Ik kreeg Maurits gemakkelijk de kelder onder gebouw C in. Pas toen ik hem het gangencomplex in leidde begon hij te aarzelen.

“Ik denk dat we ze kwijt zijn”, zei hij.

“Nee, ik denk het niet”, zei ik, “Oh jee, daar zijn ze!” Ik wees naar het andere eind van de gang. Vlug renden we verder, tot we bij de wenteltrap naar het oude gebouw Z uit kwamen. Hij volgde me de trap op, zonder te protesteren. Op de bovenste trede bleef hij staan, terwijl ik verder de duisternis in liep.

“Ik denk niet dat ze ons nog volgen.”, zei hij, “Ik ga terug.”

“Nee, niet doen”, zei ik, maar ik besefte dat ik deze show niet veel langer kon blijven volhouden. Ik moest iets anders proberen.

Ik blafte. Ik blafte als een gek. Het geluid echode door de verlaten hal om ons heen.

“Aah, honden!”, riep Maurits, angstig naar de voet van de trap starend, “Ik heb laatst gehoord dat er wilde honden op de Universiteit zitten.”

“Oh jee! Laten we gauw verder gaan dan”, zei ik, “Vóór de wilde honden ons vinden.”

Hij volgde me opnieuw, en dit keer leidde ik hem verder het oude gebouw Z in. Zo goed kende ik hier zelf de weg niet, en ik probeerde me te oriënteren, zodat ik straks gemakkelijk de weg naar de uitgang zou kunnen vinden. Er leek niets veranderd te zijn sinds mijn vorige bezoek. De ramen waren nog altijd gebarricadeerd, het rook er bedompt, en we moesten ons door verschillende dikke spinnenwebben heen vechten.

“Wat is dit?”, vroeg Heverlee, “Waar zijn we?”

“Op een veilige plaats”, zei ik, “Kom maar mee. Je leert dit gebouw vanzelf beter kennen…”

Hij volgde me een verlaten collegezaal in. Het was hier pikdonker, en er was duidelijk al lange tijd niemand binnen geweest. Mijn plan was om Maurits in zo’n leegstaand lokaal op te sluiten. Ik zweer het. Dat was het plan. Een verdwijning. Geen moord. Mijn handen zouden schoon blijven.

Maar de oen werkte niet mee.

“Ik vind dit gebouw maar niets”, zei hij, “Ik weet niet eens waar we zijn.” En hij draaide zich om, verliet het lokaal en liep terug naar de wenteltrap.

Ik liep hem achterna en greep hem bij zijn mouw. “Blijf hier. Je wilt niet terug naar de honden.”

“Dat maak ik zelf wel uit”, zei Maurits, “En blijf van me af alsjeblieft.”

Hij wilde de wenteltrap weer aflopen, maar dat kon ik niet toestaan. Ik blokkeerde hem zijn doorgang.

“Wat is dit?”, vroeg hij, “Flikker op!”

“Je had hier nooit moeten komen, teef!”, riep ik uit, “Jij had hier gewoon vandaan moeten blijven! Dan was er niets gebeurd! Dan had ik niets om mij zorgen over te maken!”

“Fuck you, man.”, antwoordde hij, “De Universiteit is echt niet van jou alleen of zo. Ik… mijn óuders betalen verdomme toch ook collegegeld zodat ik hier rond kan hangen. Jij asociale…”

“Hou je mond!” Ik greep hem bij zijn polsen. Hij probeerde zich los te rukken.

Een worsteling ontstond, daar boven aan die wenteltrap.

Maar ik krijg last van mijn vingers, van al het typen. Ik ben bang dat ik nog RSI ontwikkel. Verwacht later het vervolg.

De Val

juni 18, 2008

Hahahaha! Ik ben er uit.

Ik heb besloten een val te zetten voor Maurits Heverlee. Een andere keus heb ik niet. Ik móet ingrijpen, anders zal alles nog ernstig uit de hand gaan lopen. Het is nu hij of ik, bij voorkeur hij.

Ik had een plan om hem naar gebouw M te lokken, op een avond dat de bewaking er haar jaarlijkse beveiligingsbal had. Mijn list zou hem recht in het hol van de leeuw brengen.

Een ander plan was dat ik als anonieme bron Bewaker Anton op hem af zou sturen. Als ik wist waar hij sliep dan zou ik een telefoontje plegen, en dan zouden ze hem hebben.

Ik kom echter steeds weer terug op hetzelfde risico. Als deze zogenaamde Maurits gepakt zou worden, dan zou hij kunnen doorslaan, dan zou mij kunnen verraden. Er moest een andere manier zijn om hem het zwijgen op te leggen, een definitievere manier.

Ik heb inmiddels een plan, ja haha, een héél mooi en doeltreffend plan. Ik zal hem in de un-space, de duistere gangen en ruimten beneden de universiteit lokken, de verlaten plaatsen die ik inmiddels als mijn broekzak ken, en daar zal ik hem achterlaten. In het donker zou hij nooit zijn weg naar huis vinden. Zo nodig leid ik hem naar het verlaten gebouw Z, en barricadeer ik de deur weer achter me.

Een mooi plan,niet?

Hebben jullie betere suggesties om de binnendringer uit de weg te ruimen, laat het me dan vooral weten! Ik pik tussen de reacties zo nu en dan wel eens iets interessants op dus hou je niet in.

Hoe kan ik me het beste van Maurits Heverlee ontdoen?

De Druppel

juni 16, 2008

Daarnet trof ik de binnendringer, Maurits Heverlee, in de mensa. Hij at er met lange tanden een smerig uitziende pasta. Ik kon zo zien dat hij een kater had. Hij merkte het nauwelijks toen ik bij hem aanschoof, en bleef doorgaan met het prakken van zijn spaghetti. Hij hield zijn vork en mes verkeerd om vast, die klootzak. Nog een punt dat ik kon toevoegen aan mijn lange lijst van dingen die Maurits Heverlee verkeerd deed.

“Maurits”, begon ik.

“Heeeej, jij”, zei hij mat.

“Hoe lang blijf je nog, Maurits?”, vroeg ik.

“Kan nog wel even duren, benk bang.”, zei hij, “Die Rechtswinkel heeft mijn zaak een beetje verprutst, en ik krijg niet echt mijn waarborg terug en zo. Dus naar die huurwoning kan ik ook niet terug.”

“Verdomme Maurits”, zei ik, “Ik ben het nu echt zat.”

“Zat? Jij ook al?”, hikte Maurits.

“Nee, jóu zat. Je kijkt totaal niet uit, man. Je geeft feesten, bent luidruchtig, en dan die felrooie reflecterende rugzak van je. Die bewakers gaan je vroeg of laat vinden, rotjong! En dan komen ze ook achter mij aan!”

“Ach, dat valt wel mee…”, mompelde Maurits, “Wat ik trouwens nog wilde vragen: ik heb nog een vriend die net door zijn vriendin op straat is gezet, kan die hier niet ook een tijdje blijven? Ik wou hem maar een slaapplaats hier aanbieden namelijk…”

Het was op dat moment dat ik besefte dat ik Maurits Heverlee uit de weg zou moeten ruimen.

Vluchteling

juni 14, 2008

Ik had het idee dat Bewaker Anton was gepromoveerd binnen de beveiligingsdienst van de UvT.

De laatste dagen zijn de nachtelijke controles, wandelingen, rázzias verhevigd. Er gaat geen nacht voorbij zonder dat ik van schuilplaats moet veranderen, omdat ik een bewakingsploeg hoor aankomen, gewoonlijk aangevoerd door deze Anton. Die man laat er bepaald geen gras over groeien.

Ik heb het idee dat Anton zich zo op zijn werk stort omdat hij voelt dat hij ergens voor moet compenseren. Zijn leven kan niet makkelijk zijn.

Anton heeft een ziekelijke gelige huid waarin je de dunne, blauwe aderen duidelijk kunt zien lopen. Eenmaal was een hoogleraar zo ongelukkig naar Anton te roepen dat er pennenstrepen op zijn wang zaten…

Daarnaast is Anton grotendeels kaal, al zie je dat niet meteen omdat de achterkant van zijn hoofd wordt bedekt door twee grote ronde wijnvlekken. Eenmaal hoorde ik de andere bewakers achter Antons rug om grappen dat hij ogen in zijn achterhoofd had.

Daarnaast komt de arme man van origine uit Limburg, hetgeen hij volgens mij voortdurend probeert te verbergen door een grotesk Tilburgs accent aan te meten dat komt en gaat.

Ik vermoedde dat Anton van plan was een grote slag te slaan, zichzelf te bewijzen door de Universiteit een politiestaat te maken, waarin de beveiligingsdienst de scepter zwaaide.
Enkele uren geleden hoorde ik echter dat er een andere reden voor de toegenomen controles was. Op de vlucht gejaagd door naderende voetstappen had ik mijn waardigheid ingeslikt en me in het damestoilet op de begane grond van gebouw W verschanst. Met mijn slaapzak en matje in mijn armen school ik in een toilethokje, toen ik de bewakers op de gang halt hoorde houden.

“Er is niemand, Anton”, zei een van hen, “Waar zoekte toch naar?”

“Ik weet waar ik naar zoek”, antwoordde Anton, “Ziede gij het dan niet? Verrekten appetjoek!”

“Wat niet?”

“Spóren, jongen! Achtergelaten kleren! Plastic zakken met hele voedselpakketten! En die toilet-tas die we vorige week vonden! Er hangt hier iemand op de campus rond! Permanent!”

“Zou kunnen, zou kunnen!”, zei de ander, “Kunnen we nu weer terug? Of wil je nog in het vrouwkestoilet koekeloeren? Hahaha!”

Anton gromde iets, en de twee maakten zich kwijt, tot mijn grote opluchting.

Minder opgelucht was ik over het feit dat die verschrikkelijke Maurits Heverlee klaarblijkelijk als een Hans zonder Grietje sporen aan het achterlaten was!

Dienstverlening

juni 12, 2008

“Verdomme, wat heb ik jou al lang niet meer gezien!”, riep mijn kennis, Toon, toen ik hem vanmorgen op de brug naar de bibliotheek tegen kwam, “Kom je nog wel eens op de Universiteit?”

Ik maande hem tot stilte; er waren mensen binnen gehoorsafstand. “Dag Toon. Wat wil je?”

“Een hoop”, grinnikte Toon, “Ik wil mijn eierstokken terug. Ik wil dat het pus zo snel mogelijk gaat stollen, dat ze mijn zusje spoedig vinden, levend of dood, want het is de onzékerheid die me parten speelt. Maar bovenal wil ik een voldoende voor Strafprocesrecht!”

Ik zuchtte. “Toon, ik kan je geen gunsten blijven doen.”

“Kom op man, jij komt overal binnen. Ik weet niet hoe je het doet, maar deze campus is je oester. Je kleffe, naar zeewier stinkende oester.”

Ik verzekerde me ervan dat niemand ons kon horen en zei: “Ik loop grote risico’s door met die cijfers te gaan liggen rommelen, om over het inbreek-aspect nog maar te zwijgen. Sorry.”

“Jammer, jammer”, zei Toon, “Weet je wat ook jammer zou zijn? Als iemand zou verklappen dat jij op de Universiteit woonde. Of als iemand, zeg maar, een ingezonden brief naar de Univers stuurde, waarin hij jou met naam en toenaam noemde en je favoriete slaapplaatsen op een rijtje zette, en wat niet al.”

Voor Toon waren deze dreigementen zéér subtiel.

“Niemand zou je geloven”, zei ik, “Het is té absurd.”

“Wil je het risico nemen dan?”, lachte Toon, “Dat toch zeker niet? Waar wil je anders gaan wonen? Onder een brug? Hee, of je kunt op de campus van de Universiteit van Groningen terecht. Heeft Groningen een Universiteit? Moet bijna wel, waar moeten al die noorderlingen anders heen?”

De klootzak heeft gelijk. Ik heb geen keuze meer, kan nergens anders heen. Het zou me maanden kosten op een andere Universiteit mijn niche te vinden, de gewoonten van de bewakers te leren, voedsel te scoren.

Ik ben een gevangene in mijn eigen huis.

Het feest, deel 3

juni 10, 2008

Je zou denken dat een nachtelijk feest bovenop een universiteitsgebouw de aandacht van de bewaking, of ten minste van omwonenden, zou trekken, maar niets was minder waar.

De binnendringer, Maurits Heverlee, slaagde er in om zijn feest tot na drieën in goede banen te leiden zonder dat de bewaking een bezoek kwam brengen. Tegen die tijd was ik al lang weg; ik bleef niet achter om te zien wat er zou gaan gebeuren.

Pas toen ik hoorde dat ze allemaal weg gingen ben ik, om vier uur ’s nachts nog, naar de top van gebouw M gegaan om daar de rommel op te ruimen die zij hadden achtergelaten. Ergens was ik blij dat ik niet voor niets was gegaan. Ik vond talloze lege bierblikjes, wijnglazen, een beha, en een T-shirt met de tekst ‘I’m only here for the beer’.

Ik heb alle rommel in vuilniszakken gestopt, de vlekken opgedweild of er tafels overheen gezet. Na afloop hing er slechts nog de muffe geur van een pas gestorven feest.

Toen ik de lift naar beneden nam stapte op de achtste verdieping een van de feestgangers van gisteravond in. Het leek er op dat hij dezelfde kleren droeg als hij op het feest had gedragen.

Hij herkende me. “Wat een feest he? Het is nauwelijks te geloven.”

Ik zei niets, staarde naar het scherm bovenin de lift dat langzaam aftelde van 8 naar 1.

“Het is nauwelijks te geloven”, herhaalde de vent hoofdschuddend, “Het is nauwelijks te geloven. Wat een feest.”

Op de vierde verdieping stapte hij eindelijk uit, nog altijd hoofdschuddend. “Ik moet nu een hertentamen gaan maken”, grinnikte hij.

Voordat de liftdeuren sloten slaagde ik er nog net in hem een blik van intense afkeer toe te werpen.

Ik hoop maar dat niemand iets gemerkt heeft, dat er niet te veel feesten gaan volgen. Ik zit tegen mijn grens aan, en ik weet niet wat er zal gebeuren als ik deze grens oversteek.

Het feest, deel 2

juni 10, 2008

Ik besloot maar naar het feest op gebouw M te gaan. Misschien hoopte ik dat ik de boel een beetje in de hand kon houden, dat ik een dronken meute van een man of twintig, vijfentwintig kalm kon krijgen.

Het was al aan de gang toen ik tegen elven de lift naar boven nam. Al vanaf de zesde verdieping hoorde ik stemmen, muziek, vage techno. Ik was op mijn tocht naar gebouw M geen bewakers tegengekomen, wat me weinig gerust stelde. Die bewakers moesten érgens zijn.

Toen ik het lokaal van het feest binnen kwam gingen alle ogen even mijn kant op. Even maar. Er werd al gauw besloten dat ik niet interessant genoeg was om bij enig gesprek te worden betrokken.

“Hee”, zei Maurits, “Je bent toch gekomen. Mooi feestje, niet?” Hij leunde op de vensterbank, keek naar buiten. “Tilburg is van bovenaf eigenlijk een heel mooie stad. Kijk, ik kan zelfs Westpoint zien.”

“Wauw”, zei ik droogjes, “Zelfs Westpoint?”

“Neem wat bier, snacks”, zei Maurits, “Vermaak je. Ik spreek je nog wel.”

Hij bewoog zich een volgend gesprek in, met mensen die hij kende. Ik keek eens rond. De muziek stond wat te hard naar mijn smaak, maar Maurits had er in ieder geval voor gekozen de lichten uit te laten en het lokaal met enkele bescheiden feestlampen te verlichten. Nu maar hopen dat het zo bescheiden zo blijven…

Er zat niets anders op dan in de tussentijd proberen gesprekken te starten, niet iets waar ik erg goed in ben, gezien het feit dat ik in de afgelopen twee jaar misschien drie mensen regelmatig heb gesproken.

Ik bewoog me heen en weer tussen de tafel met de hapjes en enkele groepjes pratende mensen. Een van de gasten bij de hapjestafel droeg een shirt met de tekst ‘I’m only here for the beer’.

“Nou, jij bent hier zeker alleen voor het bier”, merkte ik op.

Hij keek me boos aan. “Wat?”

“Sorry. Nee. Niets. Laat maar.”

Dit schoot niet op zo. Ik schaarde me zo dicht mogelijk tegen een groep aan, zodat het leek alsof ik bij hen hoorde. Misschien zouden ze mij opmerken en bij hun gesprekken betrekken. Zij waren mooie mensen; graag zou ik bij hen horen, maar ik had moeite aanknoping te vinden bij hun gesprekken.

“… en hij heeft die hele fles toen in één keer opge-at. En daarna heeft hij die Spaanse geneukt.”

“Wat studeren jullie allemaal?”, vroeg ik, toen er ten slotte een stilte viel.

“Vrijetijdswetenschappen”, zei een meisje naast me. Ze had een piercing in haar neus. Ik vroeg me af waarom.

Durfde ik het te zeggen? Iemand was me al voor, een jongen met een soort van sik. “Ja, en we hébben een hoop vrije tijd.” De anderen schoten in de lach. Ik baalde. Ík had die grap willen maken. Teleurgesteld ging ik toen maar naar het toilet.

En daarna gebeurde er nog het een en ander, maar dat schrijf ik morgen wel, want nu ben ik moe.

Het feest (deel 1?)

juni 9, 2008

De indringer Maurits Heverlee liet me vanmorgen, toen ik in het stiltecentrum zat te ontbijten, weten dat hij een feest wilde geven, bovenop gebouw M. Ik dacht eerst dat hij een grapje maakte. Maar hij bleef serieus kijken. Ik besefte dat de klootzak het meende.

“Het wordt echt heel gaaf”, hield hij vol, “Ik heb wat mensen uitgenodigd; het begint om half elf. Effe lekker ontspannen na die zware tentamenperiode. Iedereen brengt zijn eigen bier mee, dus daar hoef je je al geen zorgen om te maken. Hapjes regel ik wel.”

“Maar… wat? Waarom?”

“Het uitzicht vanaf M is echt heel erg mooi”, zei Maurits, “Je ziet een groot deel van de gebouwen om ons heen, de campus, het bos…”

“Het gaat me niet om het uitzicht”, protesteerde ik, “Het gaat me om het feit dat je, als je dit wilt doen, net zo goed nu de bewaking kunt bellen om jezelf aan te geven.”

“Het is op de bovenste verdieping”, zei Maurits, “Ze zullen het echt niet doorhebben of zo. We doen alleen in één van de lokalen de lichten aan. Dat zie je vanaf beneden echt niet.”

Het idee leek me nog altijd te stom voor woorden. “Hoeveel mensen? Hoe ga je die lui naar boven krijgen?”

“Eh… met de lift. Er zijn er daar drie, mocht je dat niet weten, drie liften. Ik laat me insluiten, schakel het alarm uit en doe dan van binnenuit voor ze open. En ik heb maar een man of twintig, vijfentwintig uitgenodigd.”

“Een man of twintig, vijfentwintig? Dat is voldoende om een klein Afrikaans land over te nemen!”

Maurits lachte. “Ja, maar ik kon natuurlijk niet de ene helft van mijn mentorgroep wel uitnodigen en de andere helft niet.”

“Vijfentwintig man in je mentorgroep? Wat studeer je in godsnaam, volkenkunde?”

“Vrijetijdswetenschappen.”

“Dat verklaart al het bier en het feesten… Maar ik denk dat je dit beter niet kunt doen.”

“Het is al te laat. Ik heb ze allemaal al uitgenodigd” Maurits stapte al weer naar buiten. “Maar je bent uiteraard hartstikke welkom.”

Fluitend liep hij verder, en liet de deur van het stiltecentrum met een luide knal achter zich dichtvallen.

En nu zit ik dus met een feest. Wat denken jullie, moet ik gaan?