
“Maurits, de bewaking komt er aan!”, riep ik, de afgelopen avond rond half twaalf. “We moeten er vandoor!”
Die oen was net op volstrekt onhandige wijze een maaltijd aan het stropen in de mensa.
“Shit!”, zei Maurits. Hij liet een bord met daarop drie sinaasappelen, een bodempje soep en een kuipje boter vallen en rende achter mij aan, in de richting van gebouw K.
“Snel, snel!”, moedigde ik hem aan, “Ze zitten ons op de hielen! Hup! Hulp!”
Als ik me niet inhield zouden de bewakers nog écht achter ons aankomen.
Ik kreeg Maurits gemakkelijk de kelder onder gebouw C in. Pas toen ik hem het gangencomplex in leidde begon hij te aarzelen.
“Ik denk dat we ze kwijt zijn”, zei hij.
“Nee, ik denk het niet”, zei ik, “Oh jee, daar zijn ze!” Ik wees naar het andere eind van de gang. Vlug renden we verder, tot we bij de wenteltrap naar het oude gebouw Z uit kwamen. Hij volgde me de trap op, zonder te protesteren. Op de bovenste trede bleef hij staan, terwijl ik verder de duisternis in liep.
“Ik denk niet dat ze ons nog volgen.”, zei hij, “Ik ga terug.”
“Nee, niet doen”, zei ik, maar ik besefte dat ik deze show niet veel langer kon blijven volhouden. Ik moest iets anders proberen.
Ik blafte. Ik blafte als een gek. Het geluid echode door de verlaten hal om ons heen.
“Aah, honden!”, riep Maurits, angstig naar de voet van de trap starend, “Ik heb laatst gehoord dat er wilde honden op de Universiteit zitten.”
“Oh jee! Laten we gauw verder gaan dan”, zei ik, “Vóór de wilde honden ons vinden.”
Hij volgde me opnieuw, en dit keer leidde ik hem verder het oude gebouw Z in. Zo goed kende ik hier zelf de weg niet, en ik probeerde me te oriënteren, zodat ik straks gemakkelijk de weg naar de uitgang zou kunnen vinden. Er leek niets veranderd te zijn sinds mijn vorige bezoek. De ramen waren nog altijd gebarricadeerd, het rook er bedompt, en we moesten ons door verschillende dikke spinnenwebben heen vechten.
“Wat is dit?”, vroeg Heverlee, “Waar zijn we?”
“Op een veilige plaats”, zei ik, “Kom maar mee. Je leert dit gebouw vanzelf beter kennen…”
Hij volgde me een verlaten collegezaal in. Het was hier pikdonker, en er was duidelijk al lange tijd niemand binnen geweest. Mijn plan was om Maurits in zo’n leegstaand lokaal op te sluiten. Ik zweer het. Dat was het plan. Een verdwijning. Geen moord. Mijn handen zouden schoon blijven.
Maar de oen werkte niet mee.
“Ik vind dit gebouw maar niets”, zei hij, “Ik weet niet eens waar we zijn.” En hij draaide zich om, verliet het lokaal en liep terug naar de wenteltrap.
Ik liep hem achterna en greep hem bij zijn mouw. “Blijf hier. Je wilt niet terug naar de honden.”
“Dat maak ik zelf wel uit”, zei Maurits, “En blijf van me af alsjeblieft.”
Hij wilde de wenteltrap weer aflopen, maar dat kon ik niet toestaan. Ik blokkeerde hem zijn doorgang.
“Wat is dit?”, vroeg hij, “Flikker op!”
“Je had hier nooit moeten komen, teef!”, riep ik uit, “Jij had hier gewoon vandaan moeten blijven! Dan was er niets gebeurd! Dan had ik niets om mij zorgen over te maken!”
“Fuck you, man.”, antwoordde hij, “De Universiteit is echt niet van jou alleen of zo. Ik… mijn óuders betalen verdomme toch ook collegegeld zodat ik hier rond kan hangen. Jij asociale…”
“Hou je mond!” Ik greep hem bij zijn polsen. Hij probeerde zich los te rukken.
Een worsteling ontstond, daar boven aan die wenteltrap.
Maar ik krijg last van mijn vingers, van al het typen. Ik ben bang dat ik nog RSI ontwikkel. Verwacht later het vervolg.