Archief voor augustus 2008

Kunst

augustus 31, 2008

Het bos, de Oude Warande, staat ineens vol met allerlei spul. Nee, het is geen afval, geen vandalisme; het gaat hier om Kunst, met hoofdletter K nog wel. De gemeente Tilburg achtte het blijkbaar nodig mijn achtertuin vol te zetten met allerhande decoraties. Ik voel me vereerd, maar het was er mijns inziens al mooi genoeg, ook voordat er midden in het bos ineens een hele grote bal van blikjes en ander metalig afval stond, dat op gezette tijden begint te zweten. Ik had het heel goed zonder beelden van dassen en vossen, rondsjouwend met afval, kunnen doen, want de boodschap gaat op mij verloren. Misschien is de overkoepelende boodschap van dit project dat je geen afval in het bos moet achterlaten; ik hoop dat de kunstenaars de ironie inzien van het feit dat het bos nu juist vol met troep staat.
Ik maak er zoals vaker op zondag een ochtendwandeling om wat tot rust te komen, en me te orienteren op het schooljaar dat morgen in alle hevigheid zal losbarsten, maar er zijn al te veel mensen, aangetrokken door deze Kunst, die hun vrije dagen in het bos willen doorbrengen. En ze nemen allemaal hun honden mee. Tot twee keer toe zie ik me gedwongen op de vlucht te slaan omdat een golden retriever me op de hielen zit. Vergeet wat je in films ziet: die beesten zijn vinnig!
Ik snap het niet; de Kunst is zo volstrekt willekeurig in het rond gemikt; aan de meeste stukken zou je haast voorbij lopen; alleen de meest vastbesloten kunstliefhebbers wagen zich met hun honden het struikgewas in om de verborgen beeldhouwwerken te zien. Ik waan me in de Middeleeuwen, toen struikroverij welig tierde, alleen in plaats van ‘je geld of je leven’ hoor ik nu ‘Yvonne, heb jij het fototoestel?’.
In de vijver in het zuidwesten van het bos drijft verder nog een bed. Al een paar keer ben ik er langs gelopen met de gedachte daar maar in te gaan slapen als de bewaking nog eens moeilijk doet, alleen zal ik er waarschijnlijk een nat pak aan over houden en ik weet niet of ik dat wil, gezien het feit dat ik maar een stuk of vier verschillende bloezen en shirts heb, waarvan een paar setjes verspreid liggen op strategische plekken in de universiteit (het zijn geen merkkleren, dus ga ze nu alsjeblieft niet met zijn allen lopen zoeken).             

Afijn, mochten jullie dus op een dag dat waterbed in de Oude Warande passeren en er een luid gesnurk horen, maak me dan vooral niet wakker.

De moeder van Maurits Heverlee

augustus 29, 2008

                                                                                                                                                                        De moeder van Maurits Heverlee wil weten wat er met haar zoon gebeurd is. Ik zag haar gistermiddag weer op de campus; een vermoeid ogende vrouw van ergens in de veertig, met een obsessieve blik in haar ogen. Om de een of andere reden is ze ervan overtuigd dat de Universiteit iets met zijn verdwijning te maken heeft, hoe weinig reden er ook is om dit te geloven. Ja, hij is waarschijnlijk het laatst op de Universiteit gezien en ja, er is bekend geworden dat hij op het moment van zijn verdwijning eigenlijk geen vaste woon- of verblijfplaats had.
Dit alles is echter nog geen reden om aan te nemen dat Heverlee door een geschifte gek op de campus te grazen is genomen en ergens in een kelder is weggeborgen, dood dan wel levend, omdat hij ‘te veel zou hebben geweten’.
Ik was blij toen die Heverlee-verdwijning in eerste instantie minder aandacht kreeg in de media dan ik verwacht had. Misschien lag het aan het feit dat het vakantie was, dat men de situatie rondom de Amerikaanse presidentsrace belangrijker vond. Meer dan een klein kopje in het Brabants Dagblad kan er niet aan gewijd zijn. Totdat die feeks het ineens weer ging oprakelen.

“Ik wil alleen maar alles doen om te zorgen dat de… dat het mónster dat achter de verdwijning van mijn zoon zit zijn verdiende loon krijgt”, zei mevrouw Heverlee in een aflevering van Knevel & van de Brink die ik enkele dagen terug gestreamd heb.
Ik wou dat ik kon reageren, dat ik haar kon toeschreeuwen dat ik geen monster ben, dat het Heverlee zijn verdiende loon is, dat hij me over de grens gedreven heeft.
“De laatste keer dat ik hem sprak, halverwege juni, leek hij zo ongerust, zo uit zijn doen”, vervolgde mevrouw Heverlee tegen een zichtbaar verveelde Andries Knevel, “Ik weet nog dat hij tegen me zei: ‘Mam, ik hou van je’, dat zei hij, en zoiets zei hij normaal nóóit.”
Ik geloof dat mevrouw Heverlee van plan is een mediakruistocht op te zetten tegen de moordenaar van haar zoon, maar tot nu toe heeft ze weinig succes. Begin juli heeft de politie enkele bezoekjes gebracht aan de Universiteit om vragen te stellen, maar het kwam al snel tot een botsing met de Bewakingsdienst van de UvT, die deze bemoeials liever zagen gaan dan komen.
Daarom heeft de politie de zaak op een laag pitje gezet, en vanuit de maatschappij gaan er al stemmen op die beweren dat mevrouw Heverlee zelf haar zoon uit de weg heeft geruimd: een van die familiedrama’s. Een meneer van Gils, de politieagent die zich met de zaak bezig houdt, zei het op Omroep Brabant zelf: in negentig procent van de gevallen is het iemand uit de familie- of vriendenkring.

Ha ha, bittere ironie; een vriend van Maurits Heverlee zal ik me nooit, nooit noemen.

Ik maak me dus geen zorgen. Ze zullen Heverlee nooit vinden. Hij zit veilig weggeborgen, in een verlaten, dichtgetimmerd klaslokaal in de schemering van de Universiteit. Dat krijg je als je voor de voeten loopt van de koning, de alleenheerser, van de UvT…

Gianotten

augustus 27, 2008

                                                                                                                                                                     Raad eens wie ik bij de Gianotten op de campus tegenkwam? Nee, het was niet Guus Meeuwis of de leadzangeres van Krezip of een van de talloze andere Tilburgse BN-ers; het was een vervelende eerstejaars-student die maar tegen me aan bleef zeuren over studieboeken.
Het begon zo onschuldig ook. “Mag ik u wat vragen?”, vroeg hij me. Als ze me ‘u’ noemen voel ik me nog bereid te helpen ook, dus draaide ik me naar hem om, om meteen weer terug te schrikken. Hij had een zeer akelig, oud gezicht; als een van die kinderen met progeria, waarbij de huid heel snel oud wordt, maar zijn stem was die van een 18-jarige.
“Vraag maar…”, stamelde ik. Ondertussen kon ik het niet helpen te kijken naar dat sippe, lange, oude gezicht van hem. Hij zag er uit alsof hij al door drie echtscheidingen was gegaan, en voor vijf kinderen alimentatie diende te betalen.
“Meneer, ik begin hier net aan mijn studie Bedrijfswetenschappen.”
Met deze opmerking scoorde hij bij mij bepaald geen punten, verrekte accountant in spe die hij was.
“Kunt u me helpen met welke boeken ik nodig heb?”, vroeg hij, “Want de site was hier heel onduidelijk over.”
“Nee sorry, daar heb ik echt geen zin in.”, zei ik, “Ik studeer niet eens Bedrijfswetenschappen.”
De werkelijke reden dat ik überhaupt in de Gianotten was dat ik een studentenkookboek zocht. De slappe hap van de mensa begon me te vervelen, en ik hoopte dat ik met de ingrediënten die ik in de keukens aantrof wat interessantere maaltijden zou kunnen maken.
“Maar ik zie u hier zo vaak, op de campus, bedoel ik, de afgelopen week. En ik dacht dat u bij het personeel of zo hoorde.”
“Heb ik zo’n oud gezicht dan?”, wierp ik hem tegen, “Ik ben een student hier. Vraag het je medestudenten.”
“Maar de studenten in mijn werkgroep pesten me.”, protesteerde hij.
“Hoezo pesten ze je?”
“Ze bellen me midden in de nacht op dat ik naar het tankstation moet komen en als ik daar dan ben dan gaan ze er met mijn fiets vandoor. En een keer hebben ze zelfs een sok in mijn ontbijtgranen gegooid.”
“Een… sok?”
“Het is een lang verhaal.” Hij schudde somber zijn hoofd.
Ik kreeg een vreemd soort medelijden met deze jongen. Misschien kon hij het niet helpen dat hij zo’n ontzettend oud gezicht had. Niet voor alle studenten was het even gemakkelijk om aan de Universiteit te starten. Wie weet was hij in een mentorgroep beland tussen de mooie mensen, en werd hij nu als voetveeg behandeld, geduwd, geschopt en geslagen, tot het laatste restje levensvreugde uit hem geknepen was.
“Maar… heb je enige indicatie van welke boeken je nodig hebt?”, vroeg ik hem.
Hij schudde opnieuw zijn hoofd, en zei met een zeikerig stemmetje. “Nee, dat hebben ze me niet verteld, menéér. Dat hebben ze me niet verteld.”
Medelijden be damned. Ik had er genoeg van. Als ik deze jongen op zijn nummer zette zou ik er de evolutie alleen maar mee van dienst zijn.
Ik greep een willekeurig boek van de planken. “Hier, ‘EU law’ van Craig & de Burca. Daar kan je echt niet zonder. Oh, en de ‘Algemene Wet inzake Rijksbelastingen’ van Blieck. En vergeet ‘Il Principe’ van Machiavelli niet.”
Ik drukte hem zoveel boeken in de handen tot de stapel zo hoog was dat ik zijn onaantrekkelijke tronie niet langer hoefde te zien. Daarna ben ik er vandoor gegaan.

Ben ik een slecht mens? Daar twijfel ik niet over. Maar sommige mensen roepen het nu eenmaal over zich af.
Sommige mensen hebben zo’n inktzwart karma, zijn zo’n zwart gat aan negatieve emoties, dat ik moet ingrijpen. Maurits Heverlee had dat, en Toon heeft het ook, net als die nieuwe studentenvereniging Habakuk.
Ik ben het zwaard van gerechtigheid, dat over hen neerdaalt, de langverwachte regenbui die al dit menselijk afval van mijn mooie campus zal afspoelen.
Dat is mijn missie, dat is mijn doel.

Toontje lager

augustus 26, 2008

“Verdomme, het is een bizarre week, jongen”, zei Toon. Hij nam een laatste slok van zijn chocomel, frommelde het blikje toen op en wierp het in het gras achter hem. Hij miste de twee studentes die daar zaten op een haartje na, en slaakte een korte, kakelende lach toen hij dit besefte.
“Hoezo nu weer?”, vroeg ik. Ik zat tegenover hem aan een van de picknicktafeltjes op het terras van de mensa.
“Nou, bizarre situaties en wat niet”, zei Toon, “En dan niet op een leuke manier of zo, zoals die keer dat ik die man zonder armen en benen tegen kwam. Dat heb ik je trouwens toch al eens verteld?”
Ik knikte. “Het was een mooie anekdote.”
“Maar het wordt echt in toenemende mate vervelend zelfs”, zei Toon, “Rare ongelukken. Gisteravond, toen ik onder die bibliotheekbrug heen liep pleurde er ineens een halve stoeptegel naar beneden. Ik kreeg dat onding haast op mijn schouder. Ik had godverdomme wel pijn aan mijn schouder kunnen hebben ook.”
“Oei. Das niet zo mooi.”, zei ik. Het was zeker niet mooi. Ik had beter moeten mikken, maar er was op hetzelfde moment net een student de bibliotheek uit gekomen.
“En een paar dagen daarvoor, zaterdag of zo, toen ik op Tilburg-West op mijn trein naar fucking Zeeland stond te wachten werd ik door een of andere mongool bijna van het perron geduwd. Echt op het moment dat de trein er aan kwam. Ik was zo fucking pissed, maar er was natuurlijk weer niemand in de buurt om het te zien, en die vent maakte zich kwijt. Het was niet eens een ongeluk. Er loopt hier iemand rond die actief bezig is onschuldige rechtenstudenten voor goederentreinen te duwen, en daar word ik gewoon heel pissig van. Pissig en een beetje bang. Je had er bij moeten zijn, denk ik.”
Maar ik wás er bij, Toon, dacht ik met een vage glimlach.
“En ook vanmorgen, toen ik bij de dokter in de wachtkamer zat om naar mijn voetschimmel te laten kijken, toen kwam er een zwangere vrouw de wachtkamer binnen, en ik zei dus van: ‘Hallo’, lieve jongen die ik ben, maar toen ze mij zag begon ze ineens te gillen en te huilen en wat niet. Het was zeer unheimisch.”
Hier had ik dan niets mee te maken. “Misschien braken haar vliezen.”, opperde ik.
“Ja, dat zal dan wel. Maar het verklaart die andere gebeurtenissen niet. Ik denk dat God me dood wil hebben”, besloot Toon.

Ik weet wel beter. Ik heb inmiddels een vrij hoge dunk van mezelf, maar een God zou ik me (nog) niet noemen…
Het probleem is dat die gevaarlijk loslippige Toon op dit moment de enige is die weet ik dat ik de Universiteit bewoon, een geheim dat ik liever een geheim houd, al moet ik daarvoor bewerkstelligen dat die jongen een toontje lager zingt…

VIDAR=FEEST

augustus 23, 2008

 

In het kader van dronken worden ben ik met mijn kompanen Toon en Luuk naar het jaarlijkse TIK VIDAR-BBQ-feest geweest. Ja, dat zijn een hoop afkortingen. Het VIDAR-feest staat altijd weer garant voor memorabele ogenblikken, zoals twee jaar geleden, toen Toon op de heenweg naar het feest tegen twee (stilstaande!) auto’s aan reed, en op de terugweg ook. Na afloop had hij iets van veertig hechtingen. Ook vorig jaar was het weer raak, toen Luuk van een biertje dronk waarin iemand (Toon?) een drug had gesmeten en er de rest van de avond van overtuigd was dat onzichtbare reptielmensen uit het roeimeer hem aids wilden geven. En toen we daarna naar huis wilden rijden had iemand (Toon!) onze fietsen in het water gesmeten.
 
Dit jaar haalden we het feest bijna niet eens. Toen we onderweg safaripark Beekse Bergen passeerden stelde Toon voor om daar dan maar heen te gaan, maar het park bleek gesloten te zijn. Wat wil je ook, om elf uur ’s avonds. Niet dat dat Toon liet tegenhouden. Dat deden de bewakers van het park. Maar achteraf was het beter zo. Luuk protesteerde toch al erg, omdat hij de Beekse Bergen verwarde met Bergen-Belsen en onder de veronderstelling verkeerde dat we naar laatstgenoemde gingen.
Het was een lange tocht naar Vidar; een flink eind fietsen, met de wind tegen. Al na vijf minuten wist ik de weg niet meer en ik begon al te twijfelen over hoe ik ooit terug op de universiteit moest komen. De fiets, een exemplaar dat ik aan de rand van de campus had opgepikt, reed voor geen meter. Bovendien krijg ik gewoonlijk last van hartkloppingen als ik te lang uit de buurt van het campusterrein ben. Geen probleem, volgens Toon, “Hartkloppingen zijn de manier waarop je lichaam je duidelijk maakt dat je het naar je zin hebt.”
Toen we eindelijk bij het feest arriveerden was het er een volle bak. Eerstejaars stonden binnen en buiten, in alle gangen, en hun zinloze geblaat vulde mijn oren. Aan de andere kant was het bier slechts 90 cent, wat mijn irritatie deels verzachtte. We haalden wat bier en gingen langs het podium staan, waar net een tweederangs band bezig was vervelende radio 538-songs te playbacken. Er kwamen voortdurend mensen, vooral meisjes, langs die tegen me aan begonnen te duwen; dit was werkelijk zeer onbeleefd, en een paar keer heb ik ook flink hard teruggeduwd. Later wees iemand me er op dat ik in de deuropening van het vrouwentoilet stond, wat het een en ander verklaarde.
Tegen een uur of twee gingen we gelukkig buiten staan omdat Toon wilde roken. Hier was het een stuk minder benauwd, en de sfeer was er minder gespannen als die binnen was geweest nadat ik die meisjes omver had geduwd.
“Dit is het beste feest ooit!”, riep Luuk nog. Ik bleef me echter slecht op mijn gemak voelen. Als deze excursie me één ding heeft geleerd dan is het dat mijn plaats op de campus is, en niet op de een of andere roeivereniging ver buiten de stad.
Tegen half drie gebeurde er iets merkwaardigs. We stonden wat te chillen langs de waterkant, toen er achter ons een rumoer klonk.
“Een goede ouderwetse knokpartij”, voorspelde Toon. Hij greep vast een blok hout van de grond om als projectiel te gebruiken. “Ik zal eens laten zien hoe we dit soort varkentjes in Zeeland wassen.”
Het was geen vechtpartij, al scheelde het achteraf bezien weinig. Toen ik omkeek zag ik hoe enkele lieden in VIDAR-shirts met rode verf werden overgoten door een vijftal figuren in zwarte mantels.
“Lang leve Habakuk, de enige studentenvereniging die er toe doet!”, riep één van de zwarte mantels. Twee andere schopten enkele banken en een barbecue om. Voordat de aanwezige feestgangers van de verrassing bekomen waren, stonden de zwarte mantels al bij het water, waar ze (over twee zoenende meisjes heen) in een roeiboot sprongen en zich vlug over het zwarte water van ons vandaan verplaatsten.
“In een roeiboot zijn ze geen partij voor ons!”, brulde een VIDAR-lid dat nu onder de rode verf zat, “Er achter aan, maten!”
Pas bij de oever aangekomen zagen de VIDAR-mensen dat dit niet zo gemakkelijk zou gaan.
“Die klootzakken hebben onze boten laten zinken, verdomme!”
Inderdaad: de overgebleven roeiboten dreven scheef en half verzonken langs de oever. Een kakelend gelach galmde over het water, terwijl de boot van de vandalen langzaam uit zicht verdween en de VIDAR-leden machteloos toekeken. Een van hen huilde een beetje, maar iedereen was te geschokt om hem uit te lachen.
Later hoorden we dat soortgelijke aanvallen, uitgevoerd door figuren in zwarte mantels, bij feesten van Plato, Olof en d’Artagnan hadden plaatsgevonden.
Het Vidar-feest ging hierna nog even door, maar de sfeer kwam er niet meer in. Er zijn maar een paar rotzakken met rode verf voor nodig om daar voor te zorgen. Er werd erg veel gehuild om ons heen, en de band waagde zich aan een matig uitgevoerde versie van Mozart’s ‘Requiem’. Zelfs de zoenende meisjes hadden er geen zin meer in.
“We gaan naar huis”, drong Toon aan, “Dit feest is ten dode opgeschreven…”

geTIKt

augustus 22, 2008

 

Daar komen de mensen, daar komen de studenten! De jongens en de meisjes van het goede leven, geen zorgen aan hun hoofd. Wat voor nieuwe vrienden zullen ze maken? Wat voor onvergetelijke ervaringen zullen ze opdoen? Wat voor een mooie tijd zullen ze hebben aan de Universiteit van Tilburg, wat een mooie en ideale tijd! Wat een fijn en heerlijk verblijf op dit station op hun traject naar volwassenheid! Moet je ze over de campus zien struinen, alsof de wereld van hen is!

Ik haat ze zo. Ze zijn overal ineens, ongehinderd door enige normen en waarden! Ik kan me niet eens aan hen onttrekken, zo opdringerig, zo aanwezig zijn ze.

Noodgedwongen moest ik vannacht dan ook in een uithoek van de campus slapen. De TIKkers hadden feesten op diverse plaatsen in de stad, maar dat weerhield een duidelijk hoorbaar aantal van hen er niet van de campus te bezoeken. Zo tegen half vier kwam er een dronken stelletje mijn slaapzaal, lokaal PZ 101 binnenstuiteren, en op slag was ik weer klaarwakker.

Argh, dronken mensen; wat willen ze toch dat ik doe? Dronkenschap is op zichzelf niet grappig. Opmerkingen als ‘ik was zooooo dronken gisteravond’ vormen op zichzelf geen aanleiding tot hilariteit.

“…maar ik weet niet eens hoe je heet”, giechelde het meisje nog, voordat de jongen zich bij haar naar binnen wurmde. Ze waren haast te ver heen om rechtop te staan, en merkten mij al helemaal niet op. Minstens twee minuten zat ik het uit, het gezuig en geslurp en gekreun en gekronkel, voordat de maat vol was.

Ik stond op, nog steeds in mijn slaapzak, en hopte de trap op naar het tweetal toe. Ze gingen zo in hun liefdesdans op dat ze me niet eens zagen aankomen. Ik ging pal achter de jongen staan, mijn hoofd over zijn schouder, en fluisterde: “Ik ben de conciërge, en ik ben hier om het afval buiten te zetten.”

“…Wat?”, stamelde de jongen. Het meisje opende haar ogen en zag mij, een gestalte in een slaapzak die in het donker nog het meest van een reusachtige staande slak met een mensengezicht weg moest hebben, en zette het op een gillen. De jongen viel om en rolde een eind de trap af, terwijl het meisje krijsend het lokaal uit rende.

“Welkom in Tilburg!”, riep ik hen na.

Nu is het 1-0 voor mij.

Informa-TIK

augustus 19, 2008

Hoera! De jaarlijkse TIK-markt is er weer. Het is de gelegenheid bij uitstek waar honderden zo niet duizenden nieuwe studenten elk jaar weer naar uitkijken, het onbetwiste hoogtepunt van de TIK-week, zo niet van de gehele studie!
De kraampjes!
De flyers!!
De gratis pennen!!!!

Als officieuze UvT-mascotte ben ik er natuurlijk bij. Ik wandel wat langs de kraampjes, spot wat voor vlees we dit jaar in de kuip krijgen op de UvT. Wat me het meest interesseert zijn de verlaten en vergeten kraampjes, de kraampjes waar alle studenten eigenlijk met een boog om heen lopen.
Ik heb zelf wel eens overwogen om hier met een eigen kraampje op de markt te gaan staan; het Schemerling kraampje. Ik kan de studenten tips geven over hoe te overleven op de Universiteit! Als geen ander kan ik ze vertellen welke maaltijden in de mensa het best bewaard blijven, hoe je je eigen verband kunt maken van de handdoeken in de machines in de toiletten, hoe je de bewakers op een dwaalspoor kunt brengen (tip: zet in het ene gebouw alle deuren open en doe alle lichten aan, en ga vervolgens in een heel ander gebouw een dutje doen). Natuurlijk doe ik dit niet; ik duld geen concurrentie.
Ook dit jaar zijn er een hoop trieste kraampjes; ik passeer studentenkerk Maranatha (twee belangstellenden), filmvereniging Cinema (een belangstellenden), homo/lesbo/bi-vereniging Young & Out (een paar nerveuze belangstellenden, die doen alsof ze voor het kraampje er naast komen) en vrijwilligersorganisatie de Rechtswinkel (nul belangstellenden, op één huilende kleuter met een lekke heliumballon na).

Mijn aandacht wordt echter getrokken door één kraampje, in de verre uithoek van de markt. Het betreft Habakuk, de Sléchte Studentenvereniging. De naam komt me vaag bekend voor. Als ik de banner zo zie, denk ik eerst dat deze vereniging het op neemt voor de underachievers onder de studenten, en de zesjescultuur promoot, maar nader onderzoek wijst uit dat deze vereniging het ‘slechte’ op een meer abstracte manier vertegenwoordigt. Om precies te zijn promoten zij de slechte moraal, het verrichten van kwade daden, het spieken, afkijken, andere studenten roet in het eten gooien, misbruik maken van dronken studentes na studentenfeesten. De vertegenwoordiger bij het kraampje ziet er ook als een schoft uit, met een groot litteken over zijn voorhoofd, dat deels bedekt wordt door de zwarte capuchon die hij draagt.
Er staan niet veel mensen bij het kraampje. De vereniging heeft van de Universiteit, om enigszins begrijpelijke reden, de slechtste plaats op de markt gekregen, half verscholen achter een grote berk. De vertegenwoordiger werpt me een vernietigende blik toe als ik bij het kraampje kom staan.
“Een akelige dag, klootzak”, sist hij.
“Hee, dit ziet er wel interessant uit, moet ik zeggen. Hoe kan ik lid worden van jullie kliek?”, vraag ik.
De man met het litteken schudt zijn hoofd. “Dat gaat niet. Niet iedereen kan lid worden.”
“Wat moet ik ervoor doen dan?”
“Je moet een bewijs van kwade daden tonen. Een bewijs dat je slecht genoeg bent om bij Habakuk te horen.”
Bijna vertel ik hem hoe ik me van Maurits Heverlee heb ontdaan, maar ze zouden me toch niet geloven. Daarom zwijg ik.
“Dat dacht ik wel”, zegt de man met het litteken zelfvoldaan, “Ga nu maar weer weg.”
Ik keer me om, en stampvoet van het kraampje weg. “Wat een slechte vereniging!”, roep ik luidkeels, maar dat lijkt eigenlijk alleen maar meer belangstellenden aan te trekken.
Een vriendelijk lachend meisje van een kraampje ernaast biedt me een ballon aan, maar ik zie zo ook niet in hoe ik me met een ballon bij Habakuk naar binnen kan praten.
“Er zit helium in!”, roept ze nog.
“Loop naar de hel-ium”, antwoord ik, gevat als altijd.
“Vertel je vrienden van de Rechtswinkel!”, roept ze me na.
Bij deze dus.

De hypnoseshow

augustus 19, 2008

 

Er werd een hypnoseshow opgevoerd voor het TIK-volk, en door een ongelukkig toeval kwam ik me in de buurt te bevinden, ter hoogte van het sportcentrum. Het sportcentrum is al wat verder weg dan ik mij gewoonlijk waag, maar ik beschouw het nog altijd als een deel van mijn rijk. Ik was er in gesprek geraakt met enkele eerstejaars studenten, aangezien ik het mijn missie heb gemaakt zoveel mogelijk studenten hier voor het eind van de TIK-week weg te krijgen.

“Waarom?”, bleef ik hen vragen, “Waarom Rechten in Tilburg? Je kunt overal Rechten studeren, dat hoeft toch niet perse hier?”

Ze haalden hun schouders op, zeiden met dikke Brabantse accenten dat het ze hier ‘wel leuk’ leek. Terwijl ik hen probeerde te overreden werd het steeds drukker om ons heen, totdat iemand aan het eind van de rij iets riep. Het klonk als ‘ZUIPEN!’, maar dat zal het gezien de context niet zijn geweest. In ieder geval kwam de massa studenten om mij heen in beweging, en ik werd min of meer meegevoerd.

“Waar gaat dit naartoe?”, vroeg ik een meisje naast me.

“Een of andere goochelshow of zo”, zei ze mat.

“Oh, leuk”, mompelde ik, “Ik hoop dat die goochelaar 1600 studenten kan laten verdwijnen…”

Mijn opmars werd reeds bij de ingang gestuit, daar bleek dat ik geen rood, geel, blauw of groen bandje bezat. Ook geen paars, zwart, bruin, grijs, oranje, roze of wit bandje trouwens, maar daar vroegen ze niet naar.

“Zonder bandje mag je niet naar binnen bij de hypnoseshow”, zeiden de meisjes die op bandjes controleerden.

Dit vond ik wat ver gaan. Ik ben de Schemerling, de UvT-mascotte! Ik zou betááld moeten worden om naar dit soort shows te gaan. “Maar ik heb nooit een bandje gekregen!”

“Dan moet je even aan je mentorpapa vragen hoe het zit.”, vroeg het meisje, “Waar is je mentorpapa?”

“Mijn mentorpapa ligt dood in de greppel waar ik hem heb achtergelaten”, beet ik haar toe, “Laat me nu naar binnen.” Ze slaakte een kreet.

Een man kwam vanuit het sportcentrum naar ons toegelopen. “Wat is hier aan de hand?” Gelukkig was het geen bozige bewaker, maar een kalend mannetje in een zwart pak met een nogal indringende blik.

“Mr. Black”, zei het meisje, “Deze hier probeert bij uw show binnen te dringen.”

Ik schoot in de lach. “Mr. Black? Ben je een bankoverval aan het voorbereiden en zo? Waar is mr. Orange? En mr. Pink?”

“Ik moet u vragen te vertrekken”, zei de man met een nogal holle stem. Hij frunnikte wat aan zijn vlinderdas. “Je zult nu vertrekken.”

“Maar ik ben mijn bandje alleen maar kwijt”, riep ik.

“Je zult nu vertrekken”, zei de man nogmaals. Hij bleef me maar aanstaren. Die engerd.

“Maar… Ik…”

“Je zult nu vertrekken.”

Ergens werd een schakelaar omgezet. De rest is allemaal een beetje vaag.

“Ik zal nu vertrekken”, zei ik geloof ik. Ik draaide me om. “Maar waarheen?”

“Ik moet je vragen nu naar huis te gaan. Je zult nu naar huis gaan.”

“Ik ga nu naar huis.” Ik zette een paar stappen, bleef toen staan. “Ik bén al thuis.”

“Je zult nu naar huís gaan.”

“Ik bén al thuis.”

De hypnotiseur schudde geïrriteerd zijn hoofd. Een paar uit de kluiten gewassen mentorpapa’s hebben me vervolgens tamelijk hardhandig van het terrein verwijderd.

TIK op stuk

augustus 18, 2008

 

En dan staat de Universiteit op een middag vol met nog meer studenten.

Het is weer TIK-week.

Als geen ander lijd ik onder deze plaag van eerstejaars! Deze week zijn ze hier weer te vinden, elke dag, óveral op de campus, als een zwerm pas uitgevlogen fruitvliegjes.

Waar moet een Schemerling zich ophouden? Waar wordt hij niet aan alle kanten belegerd door dat drukke, dronken volk? Heeft een Schemerling geen recht op rust en stilte?

Toen ik deze middag alleen in het stiltecentrum zat te lunchen, hoorde ik de deur achter me opengaan. Even vreesde ik de terugkeer van een Zombie-Heverlee, maar het bleek zo’n voormalig scholiertje te zijn. Uiteraard keurde ik hem geen blik waardig.

“Eej”, begon hij.

Ik negeerde hem, wat hem ertoe verleidde opnieuw ‘Eej’ te zeggen, iets luider nu.

“Ja, wat wil je, man?”, viel ik tenslotte tegen hem uit.

“Het registreren voor de TIK, moet dat hier?”

“Je staat in een gebouw van een paar vierkante meter met het opschrift ‘Stiltecentrum’ dat slechts bezet wordt door één arme student, die wanhopig probeert een boek te lezen! Wat denk je zelf, man?”

Hij bleef me sullig aan staan kijken, frommelde toen wat met zijn papier. “Zit jij in mijn… eh, hoe heet het? Zit jij in mijn mentorgroepje?”

“Nee, ik zit niet in je vervloekte mentorgroepje, jij aapmens!”, riep ik, “In je mentorgroepje zitten waarschijnlijk alleen maar wangedrochten als jij! Nu, scheer je weg naar gebouw C, of dringt dat niet door tot die halfgare pudding die je je hersenen noemt?”

Vergeef me voor mijn uitbarsting, maar ik zat (en zit!) er echt volledig doorheen.

De nieuweling gaf me een stomp en liep toen verder. Even later, toen ik boos naar de bibliotheek vertrok, passeerde ik hem, terwijl hij willekeurige voorbijgangers aanklampte met de vraag of ze in zijn mentorgroepje zaten. Ondertussen groeide de massa bij de ingang van gebouw C alleen nog maar meer in omvang.

Ik heb weinig hoop voor de toekomst van onze maatschappij. Mijn mooie Universiteit, in de klauwen van dit tuig! Het voelt alsof er een hond op mijn tapijt schijt!

Mijn Rijk

augustus 14, 2008
                                                                                                                                                                       Het is donderdagmorgen, en ik maak een wandeling door mijn rijk. Mijn rijk, dat zich uitstrekt van gebouw M in het oosten tot de Oude Warande in het westen, van de vijver in het zuiden tot het spoor in het noorden. Op een dag zal ik mogelijk een uitval doen naar het verre oosten, en het sportcentrum bij mijn grondgebied voegen, maar ik heb alle tijd.

Het was vakantietijd, en ik heb heerlijk ontspannen de afgelopen twee maanden. Ook nu is het nog rustig, een rust die ik graag ten volle benut, want ik weet hoe erg en hoe druk het de volgende week zal worden. Eerst die nare introductieweek, midden in mijn huiskamers, mijn slaapzalen, mijn vertrekken, en vervolgens, over een paar weken, zal mijn rijk vol raken met nieuwe gasten, toeristen en dagjesmensen; studenten.
Zij zijn er overdag, soms zelfs de hele dag, maar ’s avonds gaan zij altijd weer naar huis; hun band met de Universiteit is vluchtig, in tegenstelling tot de mijne.
Ik ben op het moment zowel de koning als de enige inwoner van dit land, en dat bevalt me best. Ik heb geen Grote Muur nodig om mijn rijk veilig te stellen, geen legermacht, geen wapens; af en toe een klein duwtje in de juiste richting is voldoende… Geen barbaren komen mijn kant op om te plunderen; hoe zullen ze mij kunnen ontwaren tussen de talloze toeristen die zich dag in dag uit door mijn land begeven? Ik ben een kameleon, altijd onzichtbaar, verborgen in de schemering… een Schemerling.

Ah… De Universiteit van Tilburg.

Mijn naam is Schemerling, en ik wóón op de Universiteit. En als ik zeg dat ik er woon, dan meen ik dat. Ik ben er, eet er, slaap er, lééf er. Niemand die het me belet, niemand die me lastig valt. Er is een tijd geweest dat ik moest vrezen dat ik verraden zou worden, maar die tijd ligt nu achter me. Eventuele klikspanen heb ik de mond gesnoerd, de meest dringende gevallen althans.
Ik ben veilig.

Het nieuwe schooljaar zal echter met zich een stortvloed aan nieuwe problemen brengen, daar ben ik van overtuigd. Deze rust is bedrieglijk, en slechts van tijdelijke aard. Zodra de studenten terugkeren, de bewaking in volle bezetting weer aan de slag gaat, dan zijn de poppen weer aan het dansen.

Ja, ik heb ondanks de ogenschijnlijke rust het gevoel dat ik me zal moeten wapenen voor een nieuwe strijd, een strijd om deze Universiteit, die weldra zal losbarsten. En als je goed op let, je ogen open houdt, dan zal ook jij, Beste Lezer, de Universiteit zien voor het slagveld dat zij werkelijk is!