Archief voor september 2008

Gratis lunch

september 30, 2008

Ik kreeg een gratis lunch, en alles dat ik ervoor hoefde te doen was een kort essay insturen naar de een of andere schrijfwedstrijd. Het was een fraaie deal. Even voelde ik me een mens tussen de mensen, even hoefde ik niet meer de keuken in te sluipen terwijl iedereen aan tafel zat. Niet langer hoefde ik de taart van de vensterbank te stelen; zij werd me nu geserveerd.
Het verhaal dat ik had ingestuurd (onder een valse naam uiteraard) was voor een verhalenwedstrijd over e-books. De bibliotheek zal blijkbaar over enige tijd overstappen op e-books, een elektronische vorm van boeken opslaan en lezen, waarna alle reguliere boeken er uit gaan. Ik geloof dat in de Universiteitsraad al min of meer is kortgesloten dat de boeken medio 2009 zullen worden verbrand bij een groot vreugdevuur op de universiteitsparkeerplaats, waar in principe iedereen voor uitgenodigd is. Bij die gelegenheid kan iedereen ook zelf zijn boeken meenemen om ze te verbranden: hierna zal het naar ik heb vernomen verboden zijn om met een boek over de campus te lopen.

Afijn, van de teloorgang van het geprinte woord zal ik niet wakker liggen, aangezien ik de digitale schrijfvorm al lang heb omhelsd, zo blijkt ook uit het feit dat ik dit weblog bij houd.
De prijsuitreiking van de wedstrijd, die met een lunch in de Tilbury’s werd gevierd, was vandaag en ik arriveerde ruim op tijd.
“En waarvoor komt u?”, vroeg een vrouw bij de ingang.
Bijna had ik me versproken en ‘gratis lunch’ gezegd, maar ik wist me op tijd te herstellen, en zei: “Ik ben hier voor de e-books prijsuitreiking.”
Terwijl we stonden te wachten op de andere deelnemers vroeg ik een van de juryleden of er nog vaker dit soort prijsuitreiking-gerelateerde lunches zouden zijn. Ze wist het nog niet, maar het is in ieder geval iets om in de gaten te houden. Ik het verleden heb ik ook wel eens deelgenomen aan diverse Wintercourses, waarbij de deelnemers ook in de Tilbury’s werden gevoed. Soms is het zo fijn om als een mens aan tafel te zitten.
Het was geen verrassing dat mijn verhaal niet won. Ik was erg gemakzuchtig te werk gegaan en had mijn bijdrage grotendeels samengesteld uit delen van ingezonden brieven die ik op de site van het Brabants Dagblad vond. Het waren niet eens noodzakelijk brieven over e-books. ‘Ik moet niets hebben van e-books’, luidde mijn essay ongeveer, ‘Want ze zijn slecht voor je ogen, en mijn schoonbroer is er aan overleden. Een boek hoort er gewoon bij. Niet voor niets is een boek een symbool van kennis. Ik hoop dat de Amerikaanse economie stand houdt. Met vriendelijke groet, Frits Vissers, Goirle.’
Daarna was er dan goddank die lunch. Ik heb mijn bord volgeladen met van alles: omeletten, kroketten, broodjes, salades, eieren. Wat er niet meer bij paste heb ik in mijn zakken meegedragen. Ik betrapte me er op dat ik haastig at en rondkeek of ik de bewaking zag, maar na er even gezeten te hebben besefte ik dat dit niet nodig was, dat ik op mijn gemak kon eten. Het voorzichtige, onzekere leven op de campus heeft een soort van wilde van me gemaakt, denk ik.
Pas bij het vertrek werd ik aan mijn status als campus-schemerling herinnerd. Ik had mijn jaszakken en rugzak volgestopt met alles wat ik kon vinden; een stuk of zes eieren, een tiental plakken kaas; ik had zelfs wat yoghurt in een plastic zakje geschept. Bij de uitgang van de Tilbury’s werd ik echter opgewacht door een tweetal personeelsleden. Ze vroegen me mijn zakken leeg te maken.
“Er zit niets in mijn zakken”, bleef ik volhouden.
“We kunnen het risico niet nemen”, zei een personeelslid, “Het gebeurt te vaak dat mensen denken dat ze hier met theezakjes of zelfs bestek kunnen vertrekken. Het ergst zijn de professoren. Van hen verwacht je beter, maar ze zijn zo goedkoop als wat.”
Dus bracht ik het gestolen eten weer op tafel. Ik voelde me net een goochelaar terwijl ik vanuit de vreemdste delen van mijn jas eieren te voorschijn toverde. Met een laatste minachtende blik lieten ze me ten slotte gaan. Het enige dat ik heb kunnen meesmokkelen is een croissantje (verborgen in mijn capuchon), maar die bewaar ik denk ik voor een bijzondere gelegenheid, zoals Kerst of Oud en Nieuw.

Braak

september 29, 2008

Op de avond van 29 september probeerde een voltallig Habakuk-dispuut in de studentenadministratie in te breken. Ik weet wat ze van plan zijn; ze willen de bachelordiploma’s vernietigen, in vlammen doen opgaan, in een poging de Universiteit te saboteren, en te voorkomen dat er meer advocaten bij komen (op zich een nobel doel).

Zover zijn ze echter nog niet, want de deur van het gebouw kregen ze niet eens open. Een van hen bonsde op de voordeur tot zijn vuisten pijn deden, om vervolgens zachtjes te gaan snikken in een hoekje, uitgelachen door zijn collega’s.
“Dit is veel te goed beveiligd”, zei er een, “Hoe weten we überhaupt zeker dat hier die diploma’s bewaard worden?”
“Dit zou veel gemakkelijker zijn als we die Schimmerling er bij hadden”, klaagde een ander, “Die jongen die hier op de Universiteit woont, waar jij het wel eens over hebt. Die heeft toch bijna alle sleutels?”
“Ik denk niet dat die luiwammes in dit soort ondernemingen geïnteresseerd is, die klote-padvinder.” Vanachter de derde zwarte kap herkende ik duidelijk de stem van Toon. “Maar ik kan het hem nog wel eens vragen. Ik weet een klein geheimpje over hem, en misschien maakt dat hem meer bereidwillig…” Hij lachte kakelend, hoewel er niets bijzonder grappig was.
“Doe dat maar”, zei de ander, “Ik zie niet in hoe we op eigen houtje bij die diploma’s gaan komen.”
Op dat moment werd de groep opgeschrikt.
“Hee, wat moet dat daar?”, klonk de barse stem van Anton de bewaker, “Terroristé? Niet op mén campus!”
De lieden in zwarte burka’s sloegen op de vlucht, achternagezeten door een luid vloekende nep-Brabander met een fles pepperspray. Het was een vrij komisch gezicht.

Sport en Spel

september 27, 2008

De Hart van Brabant loop, een soort Ten Miles met meer miles en minder Afrikanen, die vanmorgen vanaf de campus vertrok, was een confronterende aangelegenheid. Ik stuitte reeds om half acht op een groep dikkerds, die hijgend weg sprintten, alsof ze in de verte een ham hadden gespot, en zag me geconfronteerd met mijn eigen slechte conditie.
Niet dat ik dik ben, integendeel: al meerdere malen ben ik door honden voor lantaarnpalen aangezien, en eenmaal zelfs door een bouwvakker voor een plank hout. Ik vermoedde echter de conditie te hebben van een vijftigjarig hangbuikzwijn. Het afgelopen jaar heb ik misschien drie keer gejogd, en ik ren wat af als de bewaking achter me aan zit, maar een serieuze sport heb ik nooit ondernomen. Ik besloot er een te vinden, en de rest van de zaterdag werd zo besteed.
Ik maakte eerst een wandeling naar het Sportcentrum, dat voor mijn gevoel aan de andere kant van de stad lag. De buitenwereld werd door mij als zeer bedreigend ervaren. In een parkje stond een verlopen ogende vrouw met een vijftiental katten te praten. “Hee, ik pijp je voor een tientje!”, riep ze me na. Op de volgende straathoek vroeg een lange Afrikaanse man mij de weg naar een coffeeshop. Ik ben vlug doorgerend.
Ten slotte kwam ik toch bij het Sportcentrum. Er binnen komen was geen groot probleem. Al enige tijd loop ik met de studentenkaart rond van ene Guido, die ik in een verleden jaar uit een vergeten rugzak heb buitgemaakt. De foto van dit Guido-figuur is zo onduidelijk dat zelfs ik als hem kan doorgaan. Ik geloofde dat ik zelf ook wel wat van hem weg had want binnen het sportcentrum werd ik meerdere malen door diverse lieden begroet met ‘Hee, Guido!’ en ‘Guido! Dat is lang geleden!’
Ik besloot te gaan klimmen. Dit leek me iets wat echte mannen deden. Bovendien zou enige behendigheid me van pas kunnen komen als ik weer eens met de bewaking in de clinch lag. In mijn fantasie zag ik mezelf al als een menselijke spin tegen gebouw M op klauteren.
“Waar kan ik hier klimmen?”, vroeg ik een personeelslid.
“In de Pyreneeën, meneer”, grapte hij. Toen ik aanstalten maakten om het Sportcentrum weer te verlaten, bood hij vlug zijn excuses aan. “Of op onze klimwand, meneer!”
De klimwand deed zijn naam eer aan: een hoge muur bezet met diverse gekleurde greepjes. Ik besloot er geen gras over te laten groeien en begon omhoog te klauteren. Ik was nog geen meter omhoog of ik werd al door een stel andere sporters van de muur gesleurd. Blijkbaar moest ik me laten zekeren met een touw aan een andere klimmer. Blijkbaar is het levensgevaarlijk om zonder zekering te klimmen. Ja, weet ik veel.
Voor ik een klimpartner kon vinden moest ik echter weer noodgedwongen op de vlucht. Het toeval wilde dat de echte Guido zojuist was binnengekomen. Hij had naar het scheen al bijna een jaar geleden een nieuwe sportpas opgevraagd, nadat ik zijn oude had ontvreemd.
Guido had zeer veel van mij weg. Hij was iets korter en besteedde meer aandacht aan uiterlijke verzorging, maar los van dat hadden wij broers kunnen zijn. Toen hij mij zag stond hij even stomverbaasd aan de vloer genageld.
“Ik… ik zie dubbel”, stamelde hij. Het was een betrekkelijk stomme opmerking.
“Je bedoelt enkel”, verbeterde ik, “De mensen om ons heen zien dubbel.”
Om ons heen hadden zich nu enkele sporters verzameld. “Pak de indringer!”, riep iemand, “Gooi hem er uit!”
“Maar wie is de indringer?”, zei een ander.
“We staan machteloos!”, riep een derde.
Van de algehele verwarring maakte ik gebruik door heel hard weg te rennen. Het hele eind terug naar de campus sprintte ik, en toen ik na afloop veilig op de bank in het Stiltecentrum neer plofte voelde ik me alsof ik een hele dag had gesport.

De aanslag

september 26, 2008

Door een stompzinnig toeval ben ik aan informatie gekomen die ik liever niet had willen verkrijgen. Ik had enkele boeken nodig en wilde me net, zo rond middernacht, de Gianotten in begeven (overdag kun je hier niet meer shoppen zonder door stupide mindermensen te worden aangesproken) toen ik stemmen hoorde. De bewaking vrezende verborg ik me in de portiek van de boekenzaak. Een ogenblik later kwam een achttal figuren in zwarte kappen de hoek om. Ik herkende hen onmiddellijk als leden van het Zwarte Broederschap, Habakuk.
“Sempra Nox” , zei een van hen.
“Sempra Nox”, beaamden de anderen. Ze maakten een sierlijke zwaai die me een beetje deed denken aan de Ooit-groet uit het Land van Ooit waar ik eens met een schoolreisje heen ben gegaan, maar dan nog net iets lulliger.
“Broeders van de Nacht”, zei de ene, die ik aan zijn litteken als Martius Primus, een vooraanstaand vertegenwoordiger van de vereniging herkende, “Ik vermoed dat deze missie ons minder gemakkelijk zal vergaan dan wij hadden aangenomen. De Studentenadministratie zit op slot, goed op slot ook. Hier komen wij niet zo gemakkelijk binnen.”
Hij leunde tegen de deur van de Studentenadministratie. Als ze eens wisten hoe simpel het was om daar binnen te komen, hoe matig de beveiliging van de Universiteit werkelijk is geregeld. Met een scheermesje en wat zeep kom je al een heel eind. Ik zou ze kunnen helpen, maar dat wilde ik al lang niet meer. Die arrogante kwallen.
“Daarom heb ik besloten er een wedstrijd van te maken.”, vervolgde Primus, ”Leiders van de zeven disputen van Habakuk, degene van jullie die zijn dispuut zover krijgt dat de ceremonie op 6 oktober aanstaande verstoord wordt, zal mogen toetreden tot het hoofddispuut. De grootste eer van Habakuk zal diegene ten deel vallen.”
De zeven anderen knikten hebberig. Hier en daar gingen kappen af, en ik schrok. Dit was geen simpel gajes waar we mee te maken hadden. In eerste instantie was ik er vanuit gegaan dat Habakuk bestond uit asociale lieden die door de rest van het studentenvolk werden uitgekotst en nu op een kinderachtige manier wraak namen. Nu herkende ik echter verschillende Habakuk-kopstukken als actieve, ogenschijnlijk waardevolle leden van de studentenpopulatie; ik herkende een raadslid van studentenfractie SAM, een studentenredacteur voor de Univers, een lid van het organisatiecomité van de TIK: Habakuk zat overal.
“Ik hoef niet te weten hoe jullie het klaarspelen”, sprak Martius Primus, “Zolang jullie het maar klaarspelen. Deze aanslag moet een succes zijn! Denk je eens in: een hele jaargang wordt met lege handen naar huis gestuurd: al dat harde werk voor niets. Denk aan de administratieve rompslomp die wij creëren. De datum van 6 oktober zal voor eeuwig in het collectieve universiteitsgeheugen gegrift zijn! Het zal een overwinning zijn voor de wanorde, een overwinning voor de Eeuwige Nox!”
 
Kort hierna vertrokken zij, boosaardig gniffelend. Ik heb vervolgens opgezocht welke ceremonie zij bedoelden, en op 6 oktober is er hier op de Universiteit maar één grote gebeurtenis: de uitreiking van de bachelor-diplomas!

Code Rood

september 24, 2008

“We hebben een breuk! Een breuk in de beveiliging! Code rood! Code rood!” was het eerste dat ik hoorde toen ik vannacht wakker schrok. Ik sliep, ik sliep… misschien is het beter dat ik voortaan voor me houd waar ik slaap, om problemen met Habakuk en dergelijke te voorkomen. In ieder geval had ik een prima uitzicht op het centrale plein van de campus, waar diverse bewakers met zaklampen in de weer waren. Voorzichtig opende ik mijn raam op een kiertje, zodat ik ook nog eens kon horen wat zij zeiden.
Bewaker Anton struinde met een walkie-talkie over het plein. “Code Rood!”, brulde hij er in, “We hejje hier een Code Róód!”
“Wat is een Code Rood in godsnaam ook weer?”, riep de bewaker genaamd Rattengezicht vanuit het bewakingscentrum.
“Er zijn studenten op de campus!”
“Shit.”
Ik keek op mijn horloge. Het was kwart over twee. Wat hadden studenten nu nog op de campus te zoeken? Het was geen geheim dat de bewaking een zero tolerance beleid voerde tegen een ieder die zich na middernacht nog over de campus begaf. Ik wist dat sommige Aziatische uitwisselingsstudenten vasthoudend waren, en het kwam dikwijls voor dat een stel Chineesjes om half tien met geweld uit de bibliotheek moest worden verwijderd, maar dit ging dan wel erg ver.
“Waar?”, vroeg Rattengezicht.
“Hugo zag ze”, zei Anton, “Ze kwamen uit diejen bos, diejen Ouwe Warandè. Maar meer zet ie niet want toen viel diejen verbinneding weg.”
Een korte pauze volgde. “Wat zeg je nou eigenlijk? Want ik moet zeggen dat ik geen Limburgs versta…”
“Tilburgs!”, blafte Anton, “Ik prèt Tilburgs, verrekten schèle!”
Ter hoogte van de fontein zag ik ineens een schim wegsprinten, en ook de bewakers ontging het niet.
“Daar zè ze!”, riep Anton, “Eu! Pèk ze, dien kienderen!”
“Waarschijnlijk zijn het gewoon kwajongens die dronken uit de stad komen”, zei Rattengezicht, “Maar wat zou ik het toch fijn vinden als de Universiteit ons eens met echte wapens zou uitrusten in plaats van slechts een gummiknuppel en een fles pepperspray die ik met vijf man moet delen…”
Ze haastten zich in de richting van het Tias-gebouw, waar (ik vermoed) een vechtpartij ontstond, want er werd een paar keer wat geroepen. Een paar minuten later zag ik de twee studenten langs komen rennen en naar de Oude Warande verdwijnen. Tegen die tijd had ik mijn slaapzak al ingepakt en mijn matje opgerold. Niets jaagt de bewakers zo op de kast als studenten op de campus en de komende dagen zal de bewaking verscherpt worden. Ik zou dan ook graag weten welke klojo’s vannacht op de campus hebben rondgespookt, om hen te.. bedanken. :)

Mijn publiek

september 22, 2008

Terwijl ik vandaag in de koffiekamer zat te lunchen hoorde ik aan een ander tafeltje de naam ‘Schemerling’ vallen. Mijn oren spitsten zich, maar ik liet natuurlijk niets merken. Voorzichtig keek ik naast mij. Het waren een jongen en een meisje een paar tafeltjes verderop.
“Het is inderdaad wel aardig”, zei de jongen, “Maar ik vraag me af tot in welke mate die Schemerling fictief is.”
“Een vriend van mijn zus heeft zoiets wel eens ondernomen aan de Universiteit van Groningen of zo. Die heeft daar gewoon een maand lang op regelmatige basis overnacht, tot er weer een kamer beschikbaar was in de stad. Maar ik geloof dat ‘ie daar achteraf wel een boete voor heeft gehad. Maar die Schemerling woont hier dus al een jaar of wat full-time. Moet af en toe ook saai zijn.”
Een flauwe glimlach verscheen op mijn gezicht. Het was leuk om herkend te worden. Ik vroeg me af of dit misschien Nel en Arnold waren, of een paar van de verschillende andere lieden die regelmatig op mijn blog reageren. Bijna was ik opgestaan en had ik me aan hen voorgesteld. Het waren redelijk mooie mensen. Misschien wilden ze vrienden met me worden… Gelukkig liet ik ze uitpraten.
“Ik hoop eigenlijk dat het fictie is”, vervolgde het meisje, “Want die Schemerling is wel een beslist onaangenaam figuur. Zou ie die jongen echt vermoord hebben?”
“Welke jongen?”
“Hoogelee of wat dan ook. Zijn moeder is een of andere actie gestart om hem terug te vinden.”
“Oh, dat is wel drastisch. Ja, en zelfs al heeft hij dat verzonnen, dan nog komt die Schemerling niet echt als een aardig mens over. Ik bedoel: wat hij schrijft is amusant, maar ik zou hem ook weer niet in het echt willen leren kennen. Gebaseerd op wat hij schrijft zou ik hem ook op een al dan niet centrale positie in het autistisch spectrum plaatsen.”
“Ja, ik houd dat soort psychopaten ook liever buiten mijn kennissenkring…”
Mijn vreugde verdween weer als sneeuw voor de zon. Wat een holle mensen! Wat een akelige, holle mensen! Deze lieden zou ik niet eens wíllen kennen, geobsedeerd door oppervlakkigheden en uiterlijke schijn als ze zijn! Ik ben een diep, uitgewerkt, en uiteindelijk bijzonder sympathiek personage!

Waarschijnlijk zijn ze gewoon jaloers.

Medium

september 21, 2008

Dit keer heeft mevrouw Heverlee een medium meegebracht, om uit te vinden wat er met haar zoon gebeurd kan zijn.
Ze zijn zelfs laat op de avond naar de Universiteit gekomen, met een cameraman van een of ander SBS 6 programma. Ik weet niet of de bewaking hier nou zo blij mee is. Vanuit gebouw Vigilant zie ik bewaker Anton een norse blik naar buiten werpen.
Het medium is een onooglijk vrouwtje van in de 50 met een zonnebankhuid en blond geverfd haar.
Ze hadden met stoepkrijt een soort pentagram op de grond naast dat rare kunstwerk geprobeerd te tekenen, alleen waren ze niet goed binnen de lijntjes gebleven, waardoor het nu het meeste weg had van de omtrek van een slachtoffer op een plaats delict, of een belachelijke Lovecraftiaanse parodie op de Vitruvische mens.
Vanaf de brug naar de bieb keek ik toe, gehurkt zodat ze me niet zouden zien. Ik overwoog om ze toe te roepen dat ze een dode raaf vergeten waren, dat ze het bloed van drie schone maagden nodig hadden om de geest van Maurits Heverlee op te roepen.
“Dus… kun je hem spreken?”, vroeg de moeder van Maurits Heverlee, “Is hij hier?”
“Momentje nog.” Het medium nam een hijs van haar sigaret. Tenslotte knikte ze. “Ja, ik denk dat hij hier is. Ik zie hem nu staan zelfs, daar.” Ze wees voor zich. Ik schoot in de lach. Als Maurits daar werkelijk had gestaan had hij nu met zijn voet vast gezeten in de fietsenstalling. “Daar staat ‘ie, ja. Het is een jongen, toch?”
Mevrouw Heverlee knikte.
“Donker?”
“Blond.”
“Ja, dat bedoel ik. Dag Maud.”
“Maurits. Kun je vragen wáár hij nu is?” Mevrouw Heverlee onderdrukte een snik.
“Ja hoor. Momentje.” Het medium hoestte even. “Maurits, waar ben je?”
Het bleef even stil. Ik blafte kort vanaf mijn schuilplaats, maar ik geloof niet dat mijn geluid werd opgepikt.
“Ik zie het nu”, zei het medium tenslotte, “Uw zoon is… Uw zoon is…in…”
Haar zoon zit te verrotten in een verlaten klaslokaal beneden de Universiteit, en geen medium zal hem daar ooit opsporen. Ik heb genoeg van deze schijnvertoning. Zelfs Ma Heverlee verdient beter. Ik neem me voor ze met hondengeblaf op de vlucht te jagen. Zover kom ik echter niet. Na enkele seconden spreekt het medium weer.
“Schemerling!”
Ik sta even stil, terwijl de scepticus in mij met een stanleymes wordt bewerkt. Mijn God. Wat gebeurt hier? De angst slaat mij om het hart.
Om vrijwel meteen weer te verdwijnen.
“In de schemering!”, vervolgt het medium, “Hij is in de schemering! Hij is in het duister, en ik kan hem niet zien!”

Phew.

Zoals ik al zei: Heverlee wordt niet gevonden.

Numerus fixus

september 19, 2008

“De Kopmans-machine is trouwens lid geworden van Habakuk”, zei Toon toen ik hem deze middag voor koffie in de mensa trof.
“Er zijn zoveel elementen aan die zin die ik niet begrijp”, jammerde Luuk.
“Wel, de Kopmans-machine ben ik natuurlijk, oelewapper”, zei Toon. Hij ondernam geen verdere poging om te verklaren waarom hij deze bijnaam had en waarom hij naar zichzelf verwees in de derde persoon enkelvoud en ging meteen over op interessantere materie: “En Habakuk is de Slechte Studentenvereniging van de UvT.”
“Slechte Studentenvereniging? Is dat niet Olof?”, vroeg ik, me van de domme houdend.
“Olof is ook betrekkelijk slecht”, gaf Toon toe, “Maar Habakuk promoot het slechte in studenten op iets actievere wijze, en dat vind ik zelf wel een belangrijk punt.”
“Zijn ze nieuw of zo?”, vroeg Luuk, “Want die hele club ken ik dus niet.”
“Ze bestaan al vrij lang, maar ze lopen niet zo erg met elkaar te koop als bijvoorbeeld een Plato of een d’Artagnan. En dat vind ik zelf wel fijn.”
“Hoe ben je in godsnaam lid geworden?”, vroeg ik, ”Moet je daar niet een kwade daad voor verrichten?”
Toon haalde zijn schouders op. “Ik heb een eekhoorn gevangen en die voor hun ogen in brand gezet. Dat vonden ze al genoeg. Het is wel een beetje huis-tuin-en-keuken slecht in die club, dat geef ik toe. Maar het is wel zo dat ze maar een paar leden per semester aannemen.”
Ik moest toegeven dat ik hier wel wat jaloers van werd. Het was niet zozeer het feit dat ik zo graag bij een groep wilde horen die het kwade vereerde; ik vond het slechts onbeleefd dat een studentenvereniging zo ver ging mij te weigeren als lid. Ik bezít deze campus, verdomme!
“Het is er verder wel gezellig”, zei Toon, “Ze hebben een clubhuis in een ruimte beneden… op een geheime locatie, bedoel ik. Alleen voor leden, snap je? En ze hebben ook een hyve (www.tsv-habakuk.hyves.nl) En weet je wie er nog meer lid zijn? Die ene student die vorig jaar een kleuter heeft dood gereden! Oh, en die twee studenten die laatst van verkrachting werden beschuldigd. En Guus Meeuwis is een alumnus!”
“Guus Meeuwis? Sign me up!”, riep Luuk.
“Sorry, maar we kunnen niet iedereen toe laten”, zei Toon, “Ik bedoel: je bent Joods, dat is alvast een stap, maar het moet nog nét iets slechter.” Hij lachte kakelend.
Ik moet zeggen dat ik wel een beetje van slag ben dat ik geen lid van die club kan worden en Toon wel. Er is iets goed mis binnen deze universiteit. Soms is het zeer frustrerend als ik mijn identiteit verborgen moet houden, als ik niet vrijuit kan praten over alle daden die ik vericht heb. Ik voel me net een superheld.

De Uitwisselingsstudenten

september 17, 2008

Studenten van de UvT worden dikwijls aangemoedigd om een studiejaar in het buitenland door te brengen. Denk aan goed bedoelde ondernemingen als de Wil Weg Week. Ik kan me hier best in vinden; hoe meer studenten naar het buitenland vertrekken, hoe minder er op de campus over blijven om mij te irriteren. De andere kant van de medaille is echter dat in ruil voor deze vertrekkende studenten buitenlandse studenten naar mijn Universiteit komen.
Ik ben een ruimdenkend mens, koester vooroordelen jegens geen enkele cultuur. Het probleem is echter dat veel van die uitgewisselde studenten zich moeilijk weten te gedragen. Het kan een cultuurschok zijn, het kan ook zo zijn dat buitenlandse universiteiten meer geneigd zijn hun minder verstandige studenten naar het buitenland te sturen, zodat ze er zelf geen last van hebben.
Misschien overdrijf ik, misschien is dit wantrouwen slechts ontstaan door die keer dat ik geconfronteerd werd met een Spaanse uitwisselingsstudent die gehurkt boven een wasbak in gebouw D zijn behoefte stond te doen. Hij gebruikte die rol waar je je handen aan afveegt als toiletpapier! Later bleek die jongen niet goed in zijn hoofd te zijn.
Vandaag zag ik me opnieuw geconfronteerd met een stelletje Uitgewisselden. Deze groep bestond uit een mix van drie Chinese leerlingen, twee Amerikaanse, en een Nederlandse begeleider. Ze versperden me de doorgang op de brug naar de bibliotheek.
“And of course you can ask any Dutch student you see for help on where you need to go, and such things”, zei de Nederlandse begeleider hen, “Like this one.” Hij gebaarde naar mij. “Jij bent toch wel bereid om Uitwisselingsstudenten de goede kant op te sturen, he maat?”
“Ik ben je maat niet, vriend”, beet ik hem toe.
“Kom op, werk even mee, kerel.”, siste de Nederlander me toe, “Ik doe dit ook niet voor mijn lol, dat begeleiden van die halvegaren.”
“Is het geen vrijwilligerswerk?”, vroeg ik.
“Taakstraf”, mompelde hij, “Kom op, hou ze even bezig. Dan kan ik een kit-kat uit de automaat hier binnen halen.”
Voor ik kon weigeren was hij al naar binnen gegaan. De uitwisselingsstudenten keken me afwachtend en stralend aan. Een van de Chinezen zei iets, in het Chinees denk ik, maar het klonk vrij vriendelijk. Ik was echter nog boos op de Nederlander en besloot het zijn groep uitwisselingsstudenten flink lastig te maken.
“Y’all probably be wondering where we be at”, begon ik met een gefabriceerd Texaans accent, “Well, this here place…” Ik wees naar de bibliotheek. “…this here place is the Furnace. You don’t wanna know what goes on at this here place. Never mind the blood-curdling screams you hear coming from this building. Nothing to see here, turn back.”
Een Chinees meisje slaakte een kreetje. Het gezelschap draaide zich om. Ik wees nu naar het Stiltecentrum. “That there is the place we be calling the Midnight Meat Factory. The name is pretty self-explanatory, I should suppose. Ya don’t want to be wandering off in there either, if ya know what’s good for you.”
Terwijl hun gezichten verder betrokken sprak ik over de morlocks die beneden de Universiteit woonden en af en toe naar boven kwamen om Chinese meisjes op te eten.
“Why Chinese girls?”, vroeg een Amerikaan.
“Because they’re so tiny, of course.”, lachte ik. Het was een wrede, onaangename lach, daar zorgde ik wel voor.
“And then there’s the tunnels beneath this University-place”, besloot ik, “Dark, creepy tunnels that lead to secret buildings, empty classrooms where dead skeleton-people sit behind desks, taking notes for classes that ended many years ago…”
Voor de eerste keer in dit gesprek loog ik niet, maar tegen de tijd dat ik was uitgesproken waren ze al lang gevlucht.

‘Ongeluk’

september 15, 2008

Toon en zijn maat Luuk vroegen me of ik mee ging joggen in de Oude Warande. Aangezien dit me een uitstekende gelegenheid leek om nogmaals te proberen me van Toon, die akelige jongen die weet dat ik op de campus woon, te ontdoen ging ik akkoord.
Ik trof hen deze morgen op de parkeerplaats van de Universiteit. Uit de keuken van de mensa had ik een scherp keukenmes meegenomen, maar ik was niet van plan dit op Toon te gebruiken. Het moest wel een ongeluk lijken, en ik vreesde dat ik veertig messteken misschien niet als ongeval zou kunnen verkopen. Nee, dat mes was voor eventuele zelfverdediging.
We renden een kwartier lang, naar de andere kant van het bos, terwijl Luuk ons in te veel details vertelde over de nachtmerrie die hij vannacht had gehad, waarin hij was wakker geworden als een reusachtige kever, die slechts een piepend geluid kon voortbrengen. Ik kreeg sterk het gevoel dat hij dit helemaal niet gedroomd had, temeer daar dit verhaal rechtstreeks was geript van Kafka’s ‘De Metamorfose’.
“… en uiteindelijk maakte mijn eigen gezin me dus dood”, besloot Luuk, “Het was de ergste nachtmerrie die ik ooit gehad heb. Wat jij, Toon?”
“Nou ja, ik had weer zo’n droom dat ik naakt een openbare gelegenheid binnen liep”, lachte Toon, “Maar dat was niet echt een nachtmerrie, als je weet hoe groot ik geschapen ben.” Hij lachte kakelend.
“Zullen we stoppen?”, vroeg Luuk, “Ik krijg steken.”
“Nog een klein eindje, oud wijf dat je bent”, zei ik, “Ten minste tot voorbij de spoorwegovergang.”             

We liepen verder, onder een monsterlijke wassen haai door, die daar in het kader van de Kunstwarande hing, en ik bedacht hoe symbolisch het was dat die haai daar hing; het roofdier van de zee. Ík ben het roofdier van de campus.
Ik had geluk. Er kwam net een trein aan toen we de overgang naderden. Begeleid door een jengelend geluid kwamen de hefbomen naar beneden.
“We zullen moeten wachten”, zei Luuk.
We hielden halt bij de overgang, wachtten op de trein. Ik had al een list bedacht om Toon dichter bij de trein te krijgen.
“Op de basisschool ben ik een keer over die hefboom heen geklommen en aan de andere kant gaan staan toen de trein langs kwam. Iedereen vond mij toen supercool.”
“Oh, maar daar is niets stoer aan, hoor. Ik doe het elke dag! Kijk maar!”, pochte Toon. Zonder er bij na te denken hopte hij over de hefboom heen en ging langs de rails staan.
Ik positioneerde me achter Toon, klaar om hem een beslissende duw te geven. Ik moest echter nog van Luuk af zien te komen. Ik kon geen getuigen gebruiken, en wilde niet nog meer bloed aan mijn handen hebben.
Toevallig wist ik dat hij als de dood was voor honden. Ik hield mijn handen voor mijn mond en maakte enkele afschrikwekkende geluiden.
“Woef!”, riep ik, “Woef! Rrrrrr!”
Het werkte niet.
“Waarom doe je in ’s hemelsnaam een hond na?”, vroeg Luuk. Hij keek me verwijtend aan. “Straks komen er nog echte honden op ons af ook. Brrr! Je weet toch dat ik als de dood ben voor honden? Hoei boei!”
Ik zuchtte diep, terwijl de trein voorbij raasde, en Toon trots weer over de hefboom kwam geklommen.

Misschien moet ik voortaan mijn moordpogingen beter uitdenken.