Archief voor oktober 2008

Gezichten

oktober 30, 2008

Woensdag schreef ik dat ik het betreurde dat er geen Halloween-versiering op de campus te vinden was, om de boel wat op te leuken.
Vandaag neem ik die verklaring officieel terug.

Ik vond gisteravond wel degelijk een soort van versiering, en deze gaf mij bijna aan hartaanval. Zo rond half negen gisteravond sloop ik de trap af om in een van de kleedkamers onder gebouw C te overnachten toen ik besefte dat ik werd aangestaard. Van om de hoek staarde een mannengezicht me aan. Ik wilde me omdraaien en wegrennen, en had al enkele stappen gezet, maar toen ik me omdraaide zag ik dat het gezicht niet bewoog, dat het volstrekt uitdrukkingsloos de hoek om bleef staren. Nader onderzoek wees uit dat het een reclamefolder voor het NRC Handelsblad was; een foto van een hoofd dat aan de rand van de muur kon worden vastgeplakt, ongetwijfeld met als doel nietsvermoedende voorbijgangers de stuipen op het lijf te jagen. Ik heb die enge foto snel weggehaald.
Dat een ezel zich wel degelijk tweemaal aan dezelfde steen kan stoten werd vanmiddag duidelijk, toen ik me opnieuw een ongeluk schrok door een van die NRC-reclamehoofden. Ik liep op klaarlichte dag door de glazen gang, en zag aan het eind van de gang een gezicht de hoek om kijken. Ik kwam dichterbij, maar het gezicht van de vrouw vertrok of bewoog niet, bleef me met een vage glimlach bezien. Weer een fan? Neen, het was een reclamefolder.
Ik werd hier erg boos van, aangezien mijn paranoia zo alleen maar gevoed werd. Ik had de folders dan ook bijna vernietigd, maar besefte op het laatste moment dat ik ze ook in mijn voordeel kon gebruiken. Daarom heb ik ze in die doodenge fietsenstalling onder de glazen gang opgeplakt, om al die vervelende elitaire fietsenstallers eens op de kast te jagen.

Dus als je nog eens een angstaanjagend gezicht de hoek om ziet kijken, ben maar niet bang; het zijn die folders maar. Tenzij ik het ben; dan mag je heel, héél bang zijn…

De fan

oktober 29, 2008

Terwijl ik in een grotendeels verlaten kleine foyer rustig het vorige bericht op mijn blog plaatste, werd ik door een mij onbekend meisje aangesproken. Ze was vrij klein, en staarde me aan met de onbeschaamdheid en het enthousiasme van een eerstejaars.
“Hee, jij bent Schemerling, he!”, zei ze vrolijk, hysterisch bijna.
Ik deinsde achteruit. “Hoe… hoe weet je dat?”
“Ik zag je net een bericht op je blog zetten!”, riep ze, “Hihi.”
Ik moet bekennen dat ik sinds de recente discussie over mijn identiteit in de reacties onder mijn blog nog angstiger ben dat mensen achterhalen wie ik ben. Deze ontmoeting beviel me dan ook niets. “Oh ja, dat is mogelijk. Maar ik eh… ik ben Schemerling niet. Ik eh… zet alleen maar zijn verhalen voor hem op het Internet.”
“Niet?” Ze keek zo beteuterd dat ik medelijden met haar kreeg. “Ik dacht net dat ik eindelijk mijn idool had ontmoet…”
“Okee dan. Ja, ik ben Schemerling wel.”, zei ik in een opwelling, “Maar je moet het niet doorvertellen. Aan niemand.”
“Jippie!”, riep ze. Ze stak haar hand uit. Ongemakkelijk nam ik deze aan. “Ik ben Hanneke.”
“Leuk voor je. Wel, ik ben dus Schemerling.”
“Hihi”, zei ze, “Heb je ook een echte naam?”
“Die heb ik vast wel een gehad”, zei ik, “Maar ik ben hem al lang weer vergeten.”
Ze keek even verbaasd, en stootte toen een ongemakkelijke ‘hihi’ uit. “Ik ben je grootste fan, denk ik”, zei ze toen, “Ik heb al je blogs gelezen, al vanaf het begin, in april, en ik ben ook een tijdje lid geweest van je Schemerling-fan-hyves, totdat dat in onbruik raakte! Soms laat ik ook reacties achter, maar niet altijd, want ik weet vaak niets grappigs te zeggen, zoals Nel of Arnold of Arf zo goed kunnen! Maar je site is zelfs de startpagina op mijn computer!”
“Dat is leuk.” Ik keek vluchtig om me heen, op zoek naar een uitgang uit dit gesprek.
“Wat ik dan niet snap is dat er soms fouten in staan”, zei Hanneke, “Dingen die ik niet snap, die elkaar af en toe tegenspreken. Zoals over wanneer je nou eigenlijk op de campus bent komen wonen, want in je eerste blog, Alma Mater, geplaatst op 7 april 2008, stel je dat je er sinds januari woont, maar er is ook een later bericht waarin je stelt dat je er in de zomer bent komen wonen. En dat kan gewoon niet kloppen. Dan denk ik: hij houdt me voor de gek. Snap je? Hihi.”
“Ik handhaaf graag een air van mystiek rondom mijn persona”, zei ik.
Dat snapte ze niet. “Ik doe graag geheim”, verduidelijkte ik.
“Hihi. Maar maak je de dingen die je schrijft ook echt mee?”
“Natuurlijk”, zei ik, “Ik heb niet bijzonder veel fantasie.”
“Dus je hebt die jongen echt vermoord?”
Verdomd. De Heverlee-kwestie wil in mijn gedachten nogal eens naar de achtergrond verdwijnen. “Natuurlijk niet! Ik weet niet wat er met hem is gebeurd! Ik kende die jongen niet eens!”
Haar gezicht betrok. “Maar net zei je…”
“Ik loog, okee! Nu moet ik weg!”
Argh, misschien ben ik te openhartig geweest op mijn blog, maar ik had er nooit rekening mee gehouden dat ik echt herkend zou kunnen worden. Ik stond op, klapte mijn laptop dicht, en wilde er vandoor gaan.
“Komt dit ook in je blog?”, riep Hanneke me na.
“Weet ik niet.”
Maar de rest van de dag bleek een ’slow news day’, en Hanneke zal blij zijn dat ze nu dus, inderdaad, op mijn blog staat. Val me nu alsjeblieft nooit meer lastig.

Halloween

oktober 29, 2008

Halloween komt er aan. Over een dag of twee vindt het griezelfeest weer plaats. Ik vraag mij af op welke wijze de Universiteit het viert. Nog nergens zie ik boosaardig lachende pompoenen, bungelende skeletten, studenten verkleed als heksen of vampiers…
Ik ben bang dat het er niet van gaat komen. Zelf zou ik er geen bezwaar tegen hebben als aan de UvT Halloween werd gevierd; het zou wat sfeer geven aan de campus, en me wat afleiding bezorgen.
Zoals het er nu uitziet ben ik vrijdagavond de enige op de campus. Moet ik me zorgen maken? Moet ik bang zijn dat witte wieven uit de Oude Warande komen om hier rond te spoken? Moet ik vrezen dat een zombie-Heverlee wraak op mij komt nemen? Moet ik……ik moet er vandoor. Iemand zit me aan te staren… Later meer.

Actie & Spanning

oktober 27, 2008

Ik ben aangevallen, aangevallen op de campus! Het kan dus toch! Het gebeurde toen ik me gisteravond rond elf uur vanaf de vijver naar gebouw C begaf. Ik weet niet waar ze vandaan kwamen, maar vanuit het niets werd ik ineens omsingeld door een drietal opgeschoten jongeren, een multicultureel gezelschap van een Nederlander, een Marokkaan en een derde van niet nader te bepalen afkomst. Het klinkt als het begin van een mop, maar mijns inziens viel er bijzonder weinig te lachen. Minstens een van hen was even tevoren aan het sleutelen geweest aan een van de achtergebleven fietsen in de stalling bij gebouw C. Ik wist me niet goed raad met de situatie, moet ik zeggen.

Ze blokkeerden me de weg, en de middelste zei: “Heb je wat geld voor me?”
Dit klonk zo cliché en afgezaagd, dat ik onwillekeurig in de lach schoot. Ik kon me voorstellen hoe Theseus in de Griekse mythologie met dezelfde woorden begroet werd door Periphetes, de eerste rover die hij op zijn weg naar Athene trof. Het was nog net geen ‘je geld of je leven’.
Misschien had ik beter niet kunnen lachen, want het volgende moment trok de Marokkaanse jongen links van hem een mes. “Wat is er zo grappig?”
“Grappig? Niets, maat. Gewoon een binnenpretje.” Ik heb het idee dat ik redelijk kalm over kwam, ondanks het feit dat de zenuwen door mijn lijf gierden. De Universiteit bij nacht, wat een heerlijke, veilige plaats!
“Geef ons dan je geld, en je mobiele telefoon!”, zei de blanke jongen.
“Ik heb geen mobiele telefoon.”, zei ik.
“Iedereen heeft een mobiele telefoon.”, zei de rovershoofdman.
“Wel, jij klaarblijkelijk niet, anders zou je me niet om de mijne vragen.”
“Geef je mobiel!”, brulde de rover, “En je portemonnee! Anders steek ik je lek!”
Ik had echt geen mobiel op zak. En het kleine beetje geld dat ik bezat had ik nodig voor noodgevallen, voor als de mensa ooit haar sloten verving en ik moest improviseren; dat soort situaties. Wat moest ik met deze absurde situatie? Misschien zouden ze me met rust laten als ik deed alsof ik gek was.
“Je wilt geen ruzie met mij”, stamelde ik, “Want ik… I am son of darkness, that came from the end of day, the epitome of boredom that is living in this place…”
“Hou je bek of je gaat er aan!”
“Ik weet het goed gemaakt, maat”, zei ik met trillende stem, “Ik geef je het geld als je mijn drie raadsels weet op te lossen! Eerste raadsel: welk wezen loopt ’s ochtends op drie benen, ’s middags op twee… Nee wacht, ik zeg het verkeerd. In ieder geval: het antwoord is volgens mij: de mens…”
De rover keek haastig om zich heen, kwam toen iets dichter bij staan. Ik vreesde dat mijn laatste uur geslagen was.
“Ander raadsel dan!”, riep ik, “Ik ben rond maar ook vierkant, een stoel maar ook een kast, een auto en een fiets, een verfpot en een kwast. Vaak ben ik paars, maar soms ook zwart, rood of geel zelfs, wat ben ik, gast?”
Op dat zelfde moment kwam er vanaf de andere kant van het pad een fietser aanrijden. Toen hij ons groepje zag, en in het bijzonder de Marokkaan met het mes, maakte de fietser, een oudere man, meteen rechtsomkeert, maar ik had al een gat gezien en zette het op een lopen. Zonder om te kijken sprintte ik met een boog langs het water naar de achterkant van het Dante-gebouw. Zelfs in dit moment van dreiging was ik onwillig me van de campus te bevelen. Een van de jongens kwam me achterna gerend, en hij was een stuk sneller ook. Ik zag me gedwongen te improviseren, hield plotseling halt, draaide me om, en elleboogde de achtervolger in zijn zij. Hij donderde in het water, sloeg met zijn hoofd tegen de punt van dat rare witte ding dat daar in het water ligt.
“Barbapapa, lul!”, riep ik, “Het antwoord is Barbapapa!”
Daarna ben ik weggerend, zonder nog gevolgd te worden, en de rest van de nacht heb ik me in gebouw E verschanst.

Nee, aan de bewaking heb ik dus niets.

Lezen voor je Leven

oktober 24, 2008

Op zoek naar enig tijdverdrijf stuitte ik op Books4Life. Deze door vrijwilligers gerunde boekhandel zit ergens diep beneden gebouw C, naast een soort van glazen kooi waarin de rokende mensen overdag worden opgesloten. Ik was uitgelezen wat de boeken in de bibliotheek betreft en zocht naar iets nieuws.
Toen ik er op klaarlichte dag binnen kwam zaten een oude man met een zeer verweerd gezicht en een jonger meisje met een minder verweerd gezicht achter de kassa, terwijl een Chinese uitwisselingsstudente als enige klant langs de kasten dwaalde. Deze laatste zocht zo willekeurig, zowel tussen de boeken over het Recht als de bundels over sociologie en de saai ogende wiskundedictaten, dat ik vermoedde dat ze door de boekhandel was ingehuurd om de illusie van klandizie te geven.
Geen van de lieden achter de kassa sprak Nederlands. Ik volgde hun gesprek terwijl ik de kasten afspeurde op zoek naar boeken over mijn hobby, de Tweede Wereldoorlog.
“Old lady couldn’t even say no”, zei het jongere meisje, “We left her for dead and took the books.”
“Good job”, zei de man, “So it goes. One life for a whole set of books. Sounds like a fair deal to me.”
Ik begreep niet waar ze over spraken, en vroeg me slechts af of ik een korting kon krijgen als ik zei dat ik de Schemerling was. Ik vroeg me af of en hoe ‘Schemerling’ zich in het Engels liet vertalen. Mijn echte naam gebruik ik eigenlijk nooit meer. Twilight dude? King ‘o the campus? Dusky Dory? The Dark One? Werkelijk, ik kon niets bedenken.
Er was een boek over Albert Speer dat mijn aandacht trok, maar toen ik het uit de kast trok kwam een ander boek, dat er achter had gestaan, mee. Het was een zwart, zwaar, nogal versleten boek, en het viel met een knal op de grond, waar ik het oppakte.
Necronomicon‘, luidde de titel. De schrijver was ene Abdul Alhazred. Er zat geen sticker met de prijs op de kaft. Ik zou al snel ontdekken waarom niet.
“That book is not for sale”, zei de man van de kassa, die ineens achter me stond. Hij sprak met zeer ernstige stem. Zonder mijn reactie af te wachten pakte hij het boek uit mijn handen, ” You’d best steer clear of the Mad Arab’s writings, child. The Book of Shadows should not be, yet it is here, and so it shall remain, an undying monument to the corruption in our world.”
Ik had er eerlijk gezegd maar de helft van begrepen. Toch voelde ik me bedreigd. Ik draaide me om, en zette het op een lopen, de boekwinkel uit, met het voornemen hier niet meer terug te komen.
“Run!”, riep de oude man me na, “Run, Man of the Shadows! You must remain there, in the darkness of this University, where you belong! Run, you fool!”
Het was ook voor mij een merkwaardige belevenis.

Thuisopdracht: Bedenk een toepasselijke Engelse vertaling van mijn naam, Schemerling.

Moddergooien

oktober 22, 2008

Bij de ingang van de Esplanade trof ik vanmiddag Luuk van Dijk, mijn politiek actieve kennis. Zoals vaker gedroeg Luuk zich als een drama queen.
“Ik zit in de problemen, Schemerling”, zei Luuk van Dijk, “Mijn politieke rivaal Klaas Florijn heeft het gerucht verspreid dat ik een meermaals veroordeeld zedendelinquent ben. Je moet mijn naam zuiveren! Als meer mensen dit horen raak ik mijn aanzien als secretaris van de TIK-commissie kwijt!”
“Ja zeg, ik ben geen reclamebureau”, zei ik.
“Het is zeer belangrijk”, zei Luuk van Dijk, “Hij heeft overal op de campus kwalijke flyers verspreid. We moeten de flyers vinden en ze verwijderen!”
In de praktijk betekende dit waarschijnlijk dat ik de flyers zou moeten gaan verwijderen.
“Als ik het doe dan lijkt het verdacht!”, zei Luuk, “Nee, jij kan dit beter. Ik weet niet hoe je het doet, maar je bent erg goed in het niet-opvallen, jezelf een kleurloze, doorzichtige on-identiteit aanmeten. Ik zou dat zelf niet kunnen, ik ben te uitgesproken, met mijn Joodse afkomst en zo.”
Ik weet niet of ik mijn on-identiteit als een pluspunt moet zien…

Ik verveelde me, en het was om deze reden dat ik Luuk van Dijk een gunst besloot te doen en langs de gebruikelijke flyerlocaties toog. De ingang van de bibliotheek, de prikborden bij de Esplanade en de Mensa, de hal met advertenties in gebouw C. Ik ging ze allemaal langs, Klaas Florijns flyers verscheurend, of verbergend onder stapels flyers van uiteenlopende organisaties als Studium Generale en het Milieucafé. Wel vaker verwijderde ik flyers van organisaties en initiatieven die me niet aanstonden, zoals Habakuk (om voor trouwe lezers begrijpelijke redenen), Magister (ik heb gewoon heel weinig met Rechtenstudenten), Asset (deze club vind ik te opdringerig aanwezig overal) en Eksbit (het is tijd dat iemand de afgestudeerden Information Management op hun plaats zet).
Ik moest Florijn nageven dat hij creatief in de weer was geweest. Op de fraai vormgegeven flyers beschuldigde hij Luuk van Dijk er van dat hij het TIK-secretariaat eerder als een cv-vullende hobby dan als een dagtaak beschouwde, in zijn enkele maanden als TIK-secretaris grote bedragen had doorgesluisd naar buitenlandse bankrekeningen, en bovendien een meermaals veroordeeld zedendelinquent was.
Het was pas aan het eind van de middag, toen ik de meeste flyers had opgeruimd, dat ik op een onthutsend gezicht stuitte.
Vanaf het prikbord met oproepen in gebouw C staarde het gezicht van mijn oude, thans overleden vijand, Maurits Heverlee, me aan. ‘Gezocht’, stond er boven. Het was een advertentie, opgehangen door zijn moeder, mevrouw Heverlee. ‘Dhr. en Mw. Heverlee loven een beloning van € 1000,00 uit voor diegene die hen waardevolle inlichtingen omtrent Maurits kan verschaffen.’
Een beloning…
Ik heb de advertentie meteen verscheurd en zal mijn ogen open houden. Erg druk zal ik me er niet om maken. Ik ben de enige die weet waar gebouw Z ligt, hoe men er komt, waar Maurits zich thans ophoudt…

Een Schemerlijke verjaardag!

oktober 20, 2008

Ik ben jarig.
Ik ben jarig!!

Het is vreemd. Ik was er niet van uit gegaan dat ik mijn eigen verjaardag zou herinneren, aangezien deze vorig jaar ook al aan mij voorbij ging. Terwijl ik aan het ontbijt zat kwam het besef echter, en het bracht een leeg gevoel met zich mee, het gevoel dat ik de enige in Tilburg ben die van mijn verjaardag weet.
Om er nog een mooie dag van te maken besloot ik voor mezelf een fijne verjaardagsverrassing bijeen te zamelen. Eerst ging ik op zoek naar taart, het belangrijkste ingrediënt voor een gezonde verjaardag. Ik zou deze taart kópen, als een normaal mens, want het was mijn verjaardag! Een taart vinden op de campus bleek echter gemakkelijker gezegd dan gedaan.

Bij de mensa vond ik geen taart, alleen een stel overgebleven broodjes en een lauwe kroket.
“Sorry, de rest van het eten is op”, zei een personeelslid, “Als je een maaltijd wilt moet je hier na twaalven of vóór zessen arriveren.”
Werkelijk, het valt me op hoe erg de kwaliteit van de mensa-catering omlaag is gegaan. De prijzen zijn omhoog, het aanbod is omlaag, en van de week vond ik een rat in de soep. Wel, dat laatste is niet waar, maar het is denk ik wel de richting die we in gaan.
“Ik ben een vegetariër. Waar is het vegetarisch eten?”, hoorde ik een vegetariër vragen.
“Dáár is het vegetarisch eten!” De man van de catering wees naar het grasveld naast de mensa, en lachte bulderend. De vegetariër droop met hangend hoofd af.
Ik besloot overdag niet meer naar de mensa te gaan.

Ik hervatte mijn zoektocht naar taart bij de Tilbury’s. “Hebt u misschien taart?”, vroeg ik aan een vrouw die me de doorgang versperde.
De vrouw keek me aan alsof het 1914 was en ik zojuist de aartshertog van Oostenrijk-Hongarije had neergeschoten, die tevens haar echtgenoot was. “Bent u een personeelslid hier? Een bezoekend professor?”
“Ik ben een eh… student.”
Ze wees naar de deur. “Kom maar terug als je er acceptabel uit ziet.”
En zo werd ik weg gebonjourd, op mijn verjaardag nota bene.
“De mens is de mens een wolf”, zei de decaan van de Rechtenfaculteit, die me bij de uitgang passeerde, “Maar geef het een jaar of vijf en je kunt deze plaats opkopen.” Dat vond ik dan weer vriendelijk van hem, maar het bracht me geen taart.

De Esplanade ten slotte.
“Taart?”, lachte de uitbater, “Neen, we hebben geen taart vandaag. Ik kan wel een paar tosti’s aan elkaar nieten en er slagroom op smijten…”
“Laat maar zitten”, zei ik somber. Ik ging zitten aan een van de tafeltjes. “Doe maar bier dan. Zeer veel bier.”
Zeer veel bier is wat ik kreeg. Het was kwart voor twaalf toen ik er ging zitten en toen ik vijf uur later weg ging was ik stomdronken. Ik kon nauwelijks meer lopen, en wilde alleen maar mijn roes uitslapen. Zie alleen maar eens onopvallend een slaapzaal te zoeken terwijl je nauwelijks op twee benen kunt staan.
Ik moet naar de vijver aan de rand van de campus zijn gewandeld, want daar werd ik om een uur of acht ’s avonds wakker, liggend in het gras. Het was donker, en koud, en mijn kop deed pijn.
Desalniettemin was het in alle opzichten een vooruitgang op mijn verjaardag van vorig jaar, de laatste dag dat ik in mijn thuisplaats kwam, maar dat is een verhaal dat ik jullie misschien nog wel eens vertel…
Op het moment ben ik alleen maar boos, boos dat er geen taart is, dat niemand aan mijn verjaardag heeft gedacht…

Spectre Undercover

oktober 16, 2008

Ik zat op een bankje een boek over het trainen van eenden te lezen, toen ik ineens twee mannen van rond de dertig, veertig over de campus zag lopen. Er lopen wel vaker oude mensen over de campus, maar deze sprongen in het oog, omdat ze zich nogal vreemd hadden uitgedost.

De oudste van de twee, een man met een snor, droeg een viezige jas die al jaren uit de mode moest zijn en een houthakkersmuts, terwijl de jongere, een man van in de dertig, een kleurig jasje en een petje droeg, waarschijnlijk in een poging voor een hippe student door te gaan. Ik was niet de enige die naar hen opkeek.
“Is het raar om hier weer terug te zijn?”, vroeg de jongere, “Ha, ik voel me net een echte student. Denk je dat ik een universitaire studie had moeten volgen?”
“Nu even niet, van Gils”, zei de oudere, “We zijn nu undercover. Probeer van die studenten te weten te komen wat er van die Kwevelkwee is geworden. Begin bij die daar.”
Ik herkende hen als de twee politielieden die ik enige dagen geleden in gebouw W had zien rondspoken. Voor ik kon opstaan waren inspecteur Spectre en zijn collega van Gils naast mij op de bank gaan zitten.
“Pssst”, zei Spectre, “Ja, jij daar. Studeer jij hier? Ik ook, ik ook! Helemaal te hip zeg. Zeg, als je hier studeert, dan ken je vast wel een student genaamd… Shit, hoe heette dat ding nu ook weer? Mario Leverthee?”
“Dario Loevestein”, opperde van Gils.
“Nee, nee, anders. Mops Hekelvleet. Zou dat kunnen?” Ze waren mij al haast weer vergeten.
“Ik weet het niet”, jammerde van Gils, “Maud Haverwoud? Marit Kessel-lo? Bas Haring?”
“Heverlee!”, riep Spectre, “Ik weet het zeker. Hij heette Heverlee.” Hij wendde zich weer tot mij. “Kende jij ene Maurits Heverlee? Hij studeerde hier. En eh… hij is me nog geld schuldig. Voor bier.”
“Maar meneer”, zei ik beleefd, “Er studeren hier bijna honderd-duizend studenten.” Ik geloof dat ik dit aantal wat heb opgeklopt, maar weet zo’n agent veel.
“Blonde jongen, vrij lang, droeg een rode rugzak”, vervolgde de agent onverstoord.
“Oh ja, nee, als hij blond is dan snap ik metéén wat u bedoelt.”, zei ik spottend.
Spectre verloor zijn zelfbeheersing en greep me bij mijn kraag. “Ik heb er genoeg van, studentfiguur. Ik heb meer opsporingsbevoegdheden dan je lief is, en je gaat me nu alles vertellen wat je over Maurits Heverlee weet.”
“Spectre, denk aan het Geneva-protocol”, zei zijn collega weinig overtuigend.
“Ik steek dat Geneva protocol ergens waar de zon niet schijnt”, bromde Spectre.
Van Gils peinsde even. “De zuidpool?”
Inmiddels werd ik echter te hulp geschoten door de laatste persoon die ik zou verwachten. Anton de bewaker had zich woedend tot inspecteur Spectre gericht.
“Wel, nou wordt ie potverdrie mooi!”, brulde hij, “We denkte wel de ge zet? De komt maor op miene campus, in vermommingen en al.”
Spectre keek Anton verbaasd aan. Het was duidelijk dat hij geen woord van het brabbeltaaltje van de bewaker verstond. “Ik versta je niet, man.”
“Ga van mijn campus af!”, riep Anton met een zwaar Limburgs accent. Meteen herstelde hij zich, en sprak in vaag Tilburgs verder. “Verrekten appetjoek! ‘T werd vanééges merrege! Verrekten schééle!”
Spectre sloeg het geheel met een mengeling van afschuw en verwarring gade. “Kom op, van Gils, we houden het hier voor gezien.”
Terwijl Spectre en van Gils zich van de campus verwijderden hield Spectre zijn hand op zijn pistool. Bewaker Anton staarde hen mompelend na, en ging toen, volkomen onverwacht, naast mij op de bank zitten.
“Het is niet gemakkelijk”, verzuchtte hij met Limburgse tongval, “De hoofdbewaker zijn op een grote Universiteitscampus. Ik wil ze niet toeschreeuwen, maar ze laten me geen andere keus. Ze komen mijn campus op en sturen de boel in de war. Ik moet mijn campus verdedigen, dat is mijn werk, maar het zou zoveel gemakkelijk zijn als meneer van Oorschot ons eens toestond wapens te dragen… Ik zit tegen een burn-out aan, denk ik. … geplaagd door dromen… de Golfoorlog… ik had geen keus.”
Ik weet niet of hij door had dat ik er nog zat. Zonder op te vallen ben ik opgestaan en weggeslopen. Anton heeft geloof ik nog minstens een half uur op dat bankje zitten mompelen.

Sporen

oktober 14, 2008

Bewaker Anton was vandaag terug, en hij had een hoop politielui meegebracht. Ik werd er benauwd van. Het was pas zeven uur in de avond, en ik zat op een bankje in gebouw W wat te lezen, toen het gezelschap binnen kwam.
“Nou, wat wil je me verdomme laten zien?”, vroeg een lange man met een snor, die aan zijn penning te zien bij de politie hoorde, ”Er zal toch wel een reden zijn dat ik hier ben, op deze vervloekte Universiteit? Is er weer een Rechtenstudent vermoord?”
“Het ga nog steeds over den dieje, die toen in het nieuws geweest is, meneer Spectre”, zei Anton, ‘Die hier gezien is en vervolgens verdween.’
“Oh, dat joch, met zijn hysterische moeder”, zei de man met de snor, die kennelijk Spectre heette, “Van Gils, hoe heet dat jong nu ook weer?”
“Boudewijn Zeverkwee”, zei zijn collega, een man van ergens in de dertig.
“Heverlee! Dat was het!”, zei de besnorde kerel.
Ze waren op zoek naar iemand, maar gingen hierbij erg omslachtig te werk. Het was duidelijk dat de agenten hier de weg niet kenden, en de bewakers deden weinig moeite om hen de juiste kant op te sturen.
“Dus…. in dit lokaal had die vermiste jongen les?”, vroeg Spectre. Hij opende een willekeurige deur en liep deze binnen. Een hoop gekletter klonk.
“Nee, meneer, das de bezemkast”, gniffelde Anton.
Spectre kwam weer uit de kast, met enkele stofdoeken over hem heen. “Verdomme, wie zet hier nou een bezemkast neer?”
“Had u hier niet gestudeerd, meneer?”, blafte Anton.
“Ja, twintig jaar geleden”, bromde Spectre, “Toen heette het hier nog de Katholieke Universiteit Tilburg, en dit gebouw stond er nog niet.”
“Dit gebouw staat er al veertig jaar, meneer Spectre”, zei Anton.
“Luister, bewaker, jij mag mij niet en ik mag jou niet”, siste Spectre, “Dus laten we proberen om onze tijd samen zoveel mogelijk te beperken.”
“Ja, je wilt geen ruzie met hem, bewákertje”, zei Spectre’s collega, “Hij heeft al om minder ongewapende junks dood geschot…”
“Houd je in, van Gils”, gebood Spectre, “Dit is de tijd noch de plaats om het daar over te hebben.”
Anton keek erg nijdig Spectre’s richting in. “Nou, kom maar mee.”
Ze sloegen een hoek om, en ik besloot ze in een opwelling een eindje te volgen.
“Zijn er op deze campus eigenlijk ook ruimten die u niet kent?”, vroeg Spectre.
“Zoals… andere dimensies?”, opperde van Gils.
Spectre gaf hem een por. “Zoals verborgen kamers of zo. Iets waar zo’n jongen zich enige tijd kan verbergen. U vertelde me toch dat u eerder sporen had gevonden die er op duiden dat hier op de Universiteit enige tijd iemand heeft gewoond?”
Ik spitste mijn oren en sloop iets dichterbij. Het was bepaald in mijn voordeel om te weten hoeveel zij wisten.
“Dat klopt”, zei Anton, “Maar dat wil nog niet zeggen dat…”
 
Ik lette niet op, en werd zo gezien. Het was Anton die me zag, en hij stak een boze hand op. “Naar buiten, graag. De Unie gaat zo sluiten, jong, en wij zijn hier bezig. Ga naar huis.”
Zo snel ik kon zonder te rennen haastte ik me naar buiten, hopende dat Anton een slecht geheugen had voor gezichten. Toen ik me even omdraaide was hij al weer met de agenten bezig.

Fun and games

oktober 12, 2008

Het is blijkbaar weer vakantie. Verbazingwekkend toch hoe vaak studenten vakantie hebben. Alsof hun hele studieperiode nog niet vakantie genoeg is. God verhoede dat de studentjes overspannen zouden raken van die 15 a 20 uur per week die ze aan hun studie kwijt zijn.
Zo’n herfstvakantie brengt de nodige rust over de campus, misschien zelfs te véél rust. Voor het eerst begin ik me af te vragen hoe lang ik me nog aan het hoofd van deze campus kan blijven vermaken. Het is eigenlijk maar een zeer beperkt oppervlak, de UvT, en ik geloof dat ik het punt heb bereikt dat er geen nieuw terrein meer is te ontdekken. Stiekem ben ik me gaan vermaken met die talloze luide lastpakken op mijn stoep, die zich studenten noemen, en nu ze ineens in veel minder grote getale aanwezig waren voelde ik dat.
Ik zocht daarom haastig een andere activiteit om me in deze ‘downtime’ te vermaken.

Allereerst probeerde ik te golfen; alleen gebruikte ik hiervoor een hockeystick (die ik in iemands sporttas had gevonden) en sloeg ik de ballen niet over een green maar vanaf het dak van gebouw K. Joost mag weten waar die ballen vervolgens zijn geland. Ik hoorde in de loop van mijn sessie wel enige auto-alarmen af gaan…
De hieropvolgende middag heb ik besteed aan het trainen van de eenden in de vijver bij de ingang van de campus voor een ‘duck-off’; ik heb twee volwassen mannetjes-eenden (die ik met enig doorzettingsvermogen wist te vangen) in verschillende onderdelen tegen elkaar laten strijden, zoals een race naar het andere eind van de vijver. Op een zeker moment heb ik ze ook samen in dat rare kunstwerk op het centrale plein gegooid, maar een gevecht bleef helaas uit, en tijdens de triatlon van de fontein naar het tias-gebouw wisten die stomme eenden me te ontkomen. Afijn, ik heb mijn pleziertje gehad.
Hierna was het al begonnen te schemeren, en onder dekking van de avond heb ik alle fietsen die op deze zondagavond nog op en om de campus stonden bijeen gezocht en op een rijtje gezet in die binnenplaats van gebouw C. Het werd mijn eigen domino day-project. Na enkele uren sjouwen had ik zo’n vijftig fietsen naast elkaar staan, keurig in een rij, met zelfs enkele bochten er in. Na even vergenoegd in mijn handen te hebben gewreven gaf ik de voorste fiets een zachte duw. Hij lazerde om en sleurde de tweede fiets in zijn val mee, en de derde, en de vierde… bij de zeventiende fiets moest ik even ingrijpen maar de rest viel keurig netjes mee om. Omdat op dit moment de een of andere jogger kwam aanlopen, brullend dat ik zijn fiets wilde jatten, ben ik er vlug van door gegaan.

Na deze activiteitendag ben ik echter iets hoopvoller over mijn thuis, mijn rijk, gaan denken. In zekere zin is de campus een grote zandbak, waarin op eigen houtje nog wel de nodige vermakelijke situaties uitvoerbaar moeten zijn. Kunnen jullie me meer tips geven?