Ik zat op een bankje een boek over het trainen van eenden te lezen, toen ik ineens twee mannen van rond de dertig, veertig over de campus zag lopen. Er lopen wel vaker oude mensen over de campus, maar deze sprongen in het oog, omdat ze zich nogal vreemd hadden uitgedost.
De oudste van de twee, een man met een snor, droeg een viezige jas die al jaren uit de mode moest zijn en een houthakkersmuts, terwijl de jongere, een man van in de dertig, een kleurig jasje en een petje droeg, waarschijnlijk in een poging voor een hippe student door te gaan. Ik was niet de enige die naar hen opkeek.
“Is het raar om hier weer terug te zijn?”, vroeg de jongere, “Ha, ik voel me net een echte student. Denk je dat ik een universitaire studie had moeten volgen?”
“Nu even niet, van Gils”, zei de oudere, “We zijn nu undercover. Probeer van die studenten te weten te komen wat er van die Kwevelkwee is geworden. Begin bij die daar.”
Ik herkende hen als de twee politielieden die ik enige dagen geleden in gebouw W had zien rondspoken. Voor ik kon opstaan waren inspecteur Spectre en zijn collega van Gils naast mij op de bank gaan zitten.
“Pssst”, zei Spectre, “Ja, jij daar. Studeer jij hier? Ik ook, ik ook! Helemaal te hip zeg. Zeg, als je hier studeert, dan ken je vast wel een student genaamd… Shit, hoe heette dat ding nu ook weer? Mario Leverthee?”
“Dario Loevestein”, opperde van Gils.
“Nee, nee, anders. Mops Hekelvleet. Zou dat kunnen?” Ze waren mij al haast weer vergeten.
“Ik weet het niet”, jammerde van Gils, “Maud Haverwoud? Marit Kessel-lo? Bas Haring?”
“Heverlee!”, riep Spectre, “Ik weet het zeker. Hij heette Heverlee.” Hij wendde zich weer tot mij. “Kende jij ene Maurits Heverlee? Hij studeerde hier. En eh… hij is me nog geld schuldig. Voor bier.”
“Maar meneer”, zei ik beleefd, “Er studeren hier bijna honderd-duizend studenten.” Ik geloof dat ik dit aantal wat heb opgeklopt, maar weet zo’n agent veel.
“Blonde jongen, vrij lang, droeg een rode rugzak”, vervolgde de agent onverstoord.
“Oh ja, nee, als hij blond is dan snap ik metéén wat u bedoelt.”, zei ik spottend.
Spectre verloor zijn zelfbeheersing en greep me bij mijn kraag. “Ik heb er genoeg van, studentfiguur. Ik heb meer opsporingsbevoegdheden dan je lief is, en je gaat me nu alles vertellen wat je over Maurits Heverlee weet.”
“Spectre, denk aan het Geneva-protocol”, zei zijn collega weinig overtuigend.
“Ik steek dat Geneva protocol ergens waar de zon niet schijnt”, bromde Spectre.
Van Gils peinsde even. “De zuidpool?”
Inmiddels werd ik echter te hulp geschoten door de laatste persoon die ik zou verwachten. Anton de bewaker had zich woedend tot inspecteur Spectre gericht.
“Wel, nou wordt ie potverdrie mooi!”, brulde hij, “We denkte wel de ge zet? De komt maor op miene campus, in vermommingen en al.”
Spectre keek Anton verbaasd aan. Het was duidelijk dat hij geen woord van het brabbeltaaltje van de bewaker verstond. “Ik versta je niet, man.”
“Ga van mijn campus af!”, riep Anton met een zwaar Limburgs accent. Meteen herstelde hij zich, en sprak in vaag Tilburgs verder. “Verrekten appetjoek! ‘T werd vanééges merrege! Verrekten schééle!”
Spectre sloeg het geheel met een mengeling van afschuw en verwarring gade. “Kom op, van Gils, we houden het hier voor gezien.”
Terwijl Spectre en van Gils zich van de campus verwijderden hield Spectre zijn hand op zijn pistool. Bewaker Anton staarde hen mompelend na, en ging toen, volkomen onverwacht, naast mij op de bank zitten.
“Het is niet gemakkelijk”, verzuchtte hij met Limburgse tongval, “De hoofdbewaker zijn op een grote Universiteitscampus. Ik wil ze niet toeschreeuwen, maar ze laten me geen andere keus. Ze komen mijn campus op en sturen de boel in de war. Ik moet mijn campus verdedigen, dat is mijn werk, maar het zou zoveel gemakkelijk zijn als meneer van Oorschot ons eens toestond wapens te dragen… Ik zit tegen een burn-out aan, denk ik. … geplaagd door dromen… de Golfoorlog… ik had geen keus.”
Ik weet niet of hij door had dat ik er nog zat. Zonder op te vallen ben ik opgestaan en weggeslopen. Anton heeft geloof ik nog minstens een half uur op dat bankje zitten mompelen.