“Ik word lid.”
Welk antwoord kon ik anders geven? Ik werd omringd door tientallen Habakuk-leden, enkele van hen gewapend met messen en zeisen.
“Prima, prima!” Primus knapte vergenoegd in zijn handen. “Dan hoeven we alleen je personalia nog te hebben, en vervolgens het inwijdingsritueel te voltrekken. Haal de lijst!”
Twee nieuwe Habakuk-leden verschenen achter me, met een lange lijst die ze open rolden. Hierop stonden een hoop namen en adressen genoteerd. Een pen werd echter achtergehouden.
“Moet ik in bloed mijn naam toevoegen of zo?”, vroeg ik.
“Als je wilt. We hebben een tijdlang pennen op de sociëteit gehad, maar die worden door de leden telkens mee naar huis genomen.”
“Typisch.”, mompelde ik. Gelukkig had ik zelf altijd een pen bij me, waarmee ik een krabbel kon zetten. “Alleen mijn adres zal ik, om begrijpelijke redenen, vrij algemeen houden.”
“In orde.”, zei Primus, “Nu, het inwijdingsritueel! Iedereen weg! Bij dit ritueel is alleen het bestuur van Habakuk aanwezig!”
Morrend ontruimde de zaal zich, tot alleen Primus, de boomlange vent, het meisje met de uni-brauw, en een vent met een beulskap over waren. Primus nam een boek op schoot, wilde het openslaan toen er vanuit de verte een vrouwenstem klonk.
Het klonk verdacht veel als: “Brian, eten!”
Primus leek ontstemd, en stak zijn hand op naar de man met de beulskap. “Vertel mijn moeder dat ik wat later ben vanavond.”
Mompelend verliet ook de beul de kamer. Primus boog zich weer over zijn boek. “Het is belangrijk dat je me nu nazegt, Schemerling.”
“Dat kan ik.” Ik zette de laatste puntjes op de i op de namenlijst, kreeg plots een idee.
“Omnia ista mortis morae sunt”, begon Primus, maar verder kwam hij niet, want ik was overeind gekomen, had een kandelaar uit de nis naast me gepakt en die in Primus richting gesmeten. Enkele kaarsen vlogen in het rond, en Primus’ zwarte gewaad vatte vlam. “Wat… wat doe je?”
“Beschouw dit als mijn proeve van bekwaamheid”, grinnikte ik, “Een teken dat ik slecht genoeg om bij Habakuk te mogen. Niet dat ik dat ooit zou willen. Wat een bureaucratie…” Ik draaide me om en sprintte de ruimte uit, terug de gang in. Ik geloof dat ik hen zozeer overrompeld had dat ze me niet achterna kwamen, aangezien ze vooral bezig waren de vlammen in Primus’ gewaad uit te stampen.
Ik rende het gangencomplex door, op zoek naar een uitgang. Onderweg passeerde ik enkele Habakuk-leden, maar zij leken mij reeds als mede-lid te beschouwen, leken te menen dat het inwijdingsritueel al voltooid was.
“Dag Schemerling”, zeiden ze dan.
“Hee Schemerling, ouwe klojo!”, grinnikte Toon, toen ik een keuken passeerde waar hij aardappelen stond te schillen.
“Toon”, zei ik vlug, “Ik ben nu dan wel lid, maar ik ken hier de weg nog niet heel goed. Waar is hier de uitgang?”
“Er is een nooduitgang aan het eind van deze gang”, wees Toon, “Achter het schilderij van Vlad Tepes.”
Voor ik hem kon bedanken schalde de stem van Martius Primus door de gang.
“Laat hem niet ontsnappen!”, brulde Primus, “DOOD HEM! DOOD HEM!!!”
Ik hervatte mijn vlucht, haastte me naar het portret van Vlad the Impaler dat even verderop hing. Achter dit schilderij, dat ik lomp van de muur trok, vond ik inderdaad een smalle rotsgang die naar boven liep. Een Habakuker greep me bij mijn schouder maar ik elleboogde hem tegen zijn kaak en hij liet los.
Nu werd het een sprint door de dunne gang naar boven, waar een vaag licht scheen. Ik volgde de gang tot haar eind, en toen ik de lichtbron had bereikt bleek dat ik in een garage stond; niet eens een zeer duistere, onheilspellende garage maar een heel gewone met enkele kinderfietsen en wat gereedschapskisten. Vlug
opende ik de garagedeur, en knipperde met mijn ogen door het licht van de ondergaande zon. Tegen al mijn verwachtingen in stond ik op de inrit van een vrijstaand huis in de wijk Wandelbos, vlakbij de Oude Warande. Van hier af aan ben ik terug naar de campus gejogd, na het adres te hebben genoteerd, maar ik geloof dat Habakuk de achtervolging sowieso al had opgegeven.
Pas toen ik weer op de veilige, bevolkte Universiteit was bedacht ik me dat ik de lijst waarop ik mijn naam had gezet nog steeds vast hield. Op een veilige plek op de campus aangekomen vouwde ik het papier nog eens open, en knikte verrukt. Ik had in mijn vlucht de volledige ledenlijst van Habakuk meegenomen, met daarop de echte namen, schuilnamen en adressen van alle Habakuk-leden!
Nu is het tijd voor wraak!