Archief voor november 2008

December

november 30, 2008

Over een paar uur is het december. Waarlijk, de Universiteit is een donkere plaats aan het einde van dit jaar, en mij hoor je niet klagen. Ongemoeid en ongehinderd sluip ik van de ene naar de andere kant van de campus. Ik heb hier niets meer te vrezen. Ik ben de God van het Schemer, de ongekroonde koning van de campus. Mijn kostje is gekocht, mijn rijk weer in mijn handen. Ik heb me er bij neergelegd dat ik hier nooit meer weg ga, en het is een bevrijdende gedachte.

Wat een mooie maand wordt het ook. Ik heb niets met kunstverlichting en afgedwongen gezelligheid, en verbaas me er niet over dat december de maand is met het hoogste aantal zelfmoorden. Waar ik wel vrolijk van word zijn de onverwachte meevallers die december me brengt.
Studenten hebben pepernoten en chocoladerepen in hun veelal onbewaakt achtergelaten rugzakken, en voor mij geldt de aloude regel ‘Finders keepers’. Gisteren heb ik zelfs een surprise buitgemaakt uit de een of andere schooltas. Het was een gigantische vibrator van papier-maché, met gelukkig een hoop pepernoten en marsepein er in. Er zat ook een alleraardigst gedichtje bij (‘Aukje is een leuke meid, die vaak voor mannen haar benen spreidt; Maak toch een eind aan die sletterige manieren, je kan met dit cadeau jezelf voortaan plezieren’).
Vrijdagnacht heb ik de lampjes van de kerstboom op het plein gehaald en ze opgehangen in het lokaal waar ik die nacht sliep. Dit zorgde voor een hoop sfeer, al heb ik ze na een half uurtje wel weer uitgezet want slapen ging zo ook niet.
En toen ik gisteravond bijna werd betrapt tijdens een van mijn nachtelijke wandelingen door gebouw P wist ik met de schrik weg te komen door in het wilde weg wat pepernoten rond te strooien, waarop de bewakers halt hielden, en ik bewaker Anton zachtjes hoorde zeggen: “Kom mannen, we gaan de andere kant op, Sinterklaas is hier druk bezig.”
“Maar Anton”, zei de bewaker genaamd Rattengezicht, “Je gelooft toch niet echt dat…”
“We laten de Sint met rust!”, brieste Anton, en daarmee was de discussie gesloten.
Ja, December is een mooie maand.

Habakuk No More

november 28, 2008
Al rent de misdaad nog zo snel, de Schemerling achterhaalt hem wel

Door ingrijpen van Schemerling kon de boef worden gepakt

Ene Brian Smolders, student Psychologie aan de Universiteit van Tilburg, is vanmorgen opgepakt, op de Universiteit zelf nog wel. Ik stond er bij, keek vanaf een afstandje toe, heb op mijn gemak zelfs foto’s staan maken.
Smolders keerde terug van een bezoekje aan het bos, getooid in zijn zwarte capuchon, maar werd ter hoogte van de parkeerplaats opgewacht door inspecteur Spectre van de Tilburgse politie en drie andere agenten met een politiebusje. Toen hij hen zag wilde hij omdraaien en wegvluchten, maar de agenten raakte hij niet kwijt. Spectre wist hem te tackelen en heeft vervolgens een stuk of drie busjes pepperspray op hem leeggespoten. Daarna werd de jammerende Smolders in het busje gegooid en meegenomen.
In Habakuk-kringen stond deze persoon bekend als Martius Primus, AKA de voorzitter van de lokale Slechte Studentenvereniging. Maar dankzij de inspanningen van oplettende, betrokken studenten als de campus-Schemerling is aan zijn heerschappij een voortijdig einde gekomen.
Hij is meegenomen voor verhoor. Ze willen meer weten over zijn betrokkenheid bij de verdwijning van een student Vrijetijdswetenschappen in juni 2008, ene Maurits Heverlee. Het toeval wil dat in zijn slaapkamer, in zijn ouderlijk huis in de wijk Wandelbos, de rechter wijsvinger van Maurits Heverlee werd aangetroffen. En zoiets wil nog wel eens meetellen als bewijs. Hoe die vinger daar kwam? Laat ze maar eens proberen te bewijzen dat die daar door een volleerd inbreker is neergelegd.
Volgens een anonieme tipgever is Heverlee bij een ontgroeningsritueel voor de studentenvereniging omgekomen. Zijn dood is door de rest van de leden verzwegen, en het lijk zou ergens op de Universiteit zijn verborgen.

Jup, twee vliegen in één klap.

Bij de persconferentie is sprake van opluchting, maar ook van verdriet

Bij de persconferentie is sprake van opluchting, maar ook van verdriet

Mevrouw Heverlee zal eindelijk kunnen rusten, wetende dat de moordenaar van haar zoon gepakt is. Enige tijd na de arrestatie, laat op de middag, verscheen ze op tv, vertelde dat ze zo opgelucht was dat de zaak nu eindelijk gekraakt leek te zijn, dat Brian Smolders onder ‘enige politiedruk’ had bekend, dat ze nu eindelijk zekerheid had over Maurits. In de achtergrond meende ik bewaker Anton te ontwaren, die na haar verklaring een arm om haar heen sloeg. Afijn, good for her, good for me.

Dankzij Schemerling kon gebouw C op het nippertje worden ontruimd voordat de bom van Habakuk ontplofte

Dankzij Schemerling kon gebouw C op het nippertje worden ontruimd voordat de bom van Habakuk ontplofte

En Habakuk zal zonder voorzitter uiteen vallen. Het is al begonnen. De Universiteit heeft, na enkele anonieme tips, een stel studenten permanent van de Universiteit gestuurd die als Habakuk-kopstukken waren geïdentificeerd. De leiders van de zeven Habakuk-disputen waren onder hen, net als Tommie Quartus, de Habakuk-beul, en een meisje met een enge uni-brauw, dat als penningmeester voor Habakuk werkte. Zij zullen niet worden gemist.

De lachende derde ben ik uiteraard. De campus is nu weer van mij.
Laat iedereen weten dat er met de Schemerling niet gespot wordt!

De Oplossing

november 27, 2008

Een ingeving. Ik had een ingeving over hoe ik mijn beide problemen met Heverlee en Habakuk kon oplossen, hoe ik de twee partijen die me nu dwars zaten tegen elkaar kon uitspelen.

Een telefoongesprek was de eerste stap.
“Met Annette.”
“Spreek ik met mevrouw Heverlee?”
“Ja. Met wie spreek kiek??”
“U bent de moeder van de verdwenen student Maurits Heverlee?”
“Dat is correct. Heeft u informatie… Kunt u ons helpen hem te vinden?”
“Ik beschik tot mijn spijt niet over tastbare informatie. Maar ik kan u wel de juiste richting in sturen. Het gaat om de voorzitter van een Tilburgse studentenvereniging, ene Brian Smolders. U zou eens tussen zijn bezittingen, zijn slaapkamer, willen zoeken. Hij woont dicht bij de Universiteit, aan de Zwartvenseweg.”
“Wat? Hoe weet u dit?”
“Laat ik maar zeggen dat ik vaak op de Universiteit ben, dat ik wel eens het een en ander meemaak, vele avonturen beleef die vaak een komische maar soms ook een treurige afloop hebben, en dat ik weet wat hij met uw zoon heeft gedaan. U zou er goed aan doen mijn suggestie te volgen, mevrouw Heverlee… Oh, en hier is nog een rekeningnummer waarop u de beloning kunt overmaken…”

The tell-tale fingerJa, ineens had ik het. Een manier om van mijn grootste problemen af te komen. En er waren nu alleen een kort bezoek aan het oude gebouw Z en een kleine inbraak voor nodig. Hopelijk heb ik morgen meer nieuws over hoe de puzzelstukken op hun plaats zijn gevallen, over hoe de vinger van Maurits Heverlee de dader zal aanwijzen…

De beloning

november 25, 2008

Deze maandag had ik lunch in de mensa met Toon en Luuk. Ik verbaasde me er over dat Toon niet begon over mijn spectaculaire ontsnapping bij Habakuk, maar waarschijnlijk hield hij zich stil omdat Luuk er bij was.
“Het is toch wat met die vermiste jongen”, zei Toon. Hij legde zijn krant neer en rochelde even.
“Als ik ooit vermist raak wil ik dat jullie de stekker er uit trekken”, zei Luuk, “Want zo wil ik ook niet meer leven.”
“Welke vermiste jongen?”, vroeg ik.
“Maurits Heverlee, natuurlijk. Volg je het nieuws niet? Is die naam nieuw voor jou?” Toon wierp me een veelbetekende blik toe. Hoewel: hij pleegde ook nogal eens te loenzen… “Die UvT student die in juni is verdwenen. Zijn moeder heeft nu zelfs een beloning uitgeloofd voor degene die ontdekt wat er met hem is gebeurd, en de mogelijke dader uitlevert. Een lekker bedrag is het, hoewel sommigen zeggen dat ze er zelf achter zit. Het is Maddie al over again. Alleen ligt die Heverlee níet vastgebonden in mijn kelder.”
“Alsof er perse iets met hem gebeurd moet zijn”, zei ik zo achteloos mogelijk, “Iedereen zoekt altijd maar moorden en aanslagen overal…”
“Ik heb het woord moord niet in de mond genomen”, zei Toon.
“Nee, de man heeft het woord moord niet in de mond genomen”, bevestigde Luuk. Ze keken me nu beiden wat argwanend aan.
“Jij hebt Maurits Heverlee vermoord, nietwaar?”, vroeg Toon matter-of-factly.
Hij bedoelde het waarschijnlijk als een grapje, maar op het moment kon ik hier echt niet mee om gaan. “NOOIT!”, riep ik. Ik stond op, wierp mijn stoel omver, en haastte me de mensa uit. Waarschijnlijk werd ik wel door de nodige mensen nagekeken, dus de komende dagen zal ik me gedeisd moeten houden.

Snowdown

november 23, 2008

De eerste golf verschijnt even voor zonsondergang, kort na vijven. Een dreigende voorhoede van figuren in zwarte mantels; ze steken goddank fel af tegen de witte sneeuw die als een kille deken over de gehele campus ligt. Ik tel er vijf. Waarom heb ik geen witte winterjas?

 
Ik ben enigszins voorbereid. Even tevoren een weinig cryptisch sms-je van Toon gehad: ‘Ze komen er aan’. Waar liggen die jongen zijn loyaliteiten toch? Bij zichzelf, neem ik aan. Afijn, ik haastte me meteen naar gebouw C om me in de kelders te verschansen, maar ik ben pas halverwege het plein als de Habakukers verschijnen. Twee ervan komen vanaf de brug, uit de richting van de bibliotheek, twee anderen uit het Wandelbos, de laatste komt op een fiets aangeslingerd vanaf de parkeerplaatsen.
Ik handel snel. De deur van gebouw K is al dicht en ik doe er minstens een minuut over deze open te prutsen. In plaats daarvan sla ik af over het pad richting de mensa. Ze volgen me. De fietser is al afgestapt. Ik zigzag over het pad langs de achterkant van gebouw Vigilant, hopend dat de bewaking gewaarschuwd wordt.
Ik heb geluk. Anton de bewaker heeft weekenddienst. Brullend als een beer komt hij naar buiten gestormd. Ik hurk neer achter een bankje terwijl hij mijn belagers toespreekt.
“Wѐ moet dat? Niet hier! Niet hier!”
Op hulp kan ik helaas niet rekenen. De tweede golf Habakukers dient zich aan. Dit zijn er minstens tien, vijftien. Eerst zijn ze een grote zwarte vlek die vanuit het bos komt aangerend, dan slaat de golf neer op die arme bewaker Anton, die door een regen van sneeuwballen terug het bewakingsgebouw wordt ingedreven. Nu richt de golf zich tot mij.
“Geef ons de lijst, Schemerling!”, roept Martius Primus vanuit de voorhoede, “Geef ons de lijst, en ik wil je lot nog eens heroverwegen. Misschien bied ik je de optie van ballingschap aan! Of ten minste een snelle dood.”
“Kom hem maar halen, Brian!”, roep ik terug. Ik draai 180 graden, en ren nu langs de mensa, langs het De vlucht van Schemerlinggrasveld. Het moet er belachelijk uit zien. Een eenzame gedaante die door een wit landschap op de hielen wordt gezeten door een twintigtal mannen in burka’s. Mijn hart klopt als Zwarte Piet op Sinterklaasavond.
Als ik afsla naar rechts hoor ik hun enthousiasme toenemen.
“Die weg loopt dood. Hij kan geen kant op!”
“We hebben hem!”
De weg loopt inderdaad dood. Ik ren het binnenplaatsje van gebouw C op, hopende dat mijn contactpersonen zich aan hun kant van de afspraak hebben gehouden. Zo niet, dan ben ik ten dode opgeschreven. Even sta ik alleen, omsingeld door de zwarte mantels. Om nog enigszins in een ‘last stand’ ten onder te kunnen gaan, raap ik wat sneeuw bijeen en werp een halve bal naar de Habakuk-beul, die in de lucht al ontbindt.
“De lijst, Schemerling”, gebiedt Martius Primus.
Dan suist de eerste sneeuwbal door de lucht, treft dispuutshoofd Barrington Blackheart vol in zijn gezicht. Meer sneeuwballen volgen. Ze zijn vliegensvlug. Ik glimlach, duik weg achter een plantenbak terwijl de slachtpartij begint. De straatschoffies die ik een half uur eerder vijf euro heb toegestoken met een verzoek om ‘back-up’ hebben Habakuk omsingeld, vallen van alle kanten aan, uitgelaten roepend en lachend. De kinderen zien dit als een groot spel, een spel waarin ze veel beter zijn dan de Slechte Studenten.
De habakukers proberen zich te verdedigen, maar de kinderen zijn te klein, te snel om te raken, en al snel zien de zwarte mantels wit van de sneeuw. Een paar Habakukers belanden kreunend op de grond, als sneeuwengeltjes.
“TERUGTREKKEN!”, brult Martius Primus ten slotte. Zijn wang ziet rood waar een koude bal hem geraakt heeft, en hij huilt een beetje. Bekogeld door sneeuwballen slaan de zwarte mantels op de vlucht, verslagen door een groepje tienjarigen.

En de Schemerling houdt stand.

Op open tijd bij Habakuk (3)

november 22, 2008

“Ik word lid.”

 
Welk antwoord kon ik anders geven? Ik werd omringd door tientallen Habakuk-leden, enkele van hen gewapend met messen en zeisen.
“Prima, prima!” Primus knapte vergenoegd in zijn handen. “Dan hoeven we alleen je personalia nog te hebben, en vervolgens het inwijdingsritueel te voltrekken. Haal de lijst!”
Twee nieuwe Habakuk-leden verschenen achter me, met een lange lijst die ze open rolden. Hierop stonden een hoop namen en adressen genoteerd. Een pen werd echter achtergehouden.
“Moet ik in bloed mijn naam toevoegen of zo?”, vroeg ik.
“Als je wilt. We hebben een tijdlang pennen op de sociëteit gehad, maar die worden door de leden telkens mee naar huis genomen.”
“Typisch.”, mompelde ik. Gelukkig had ik zelf altijd een pen bij me, waarmee ik een krabbel kon zetten. “Alleen mijn adres zal ik, om begrijpelijke redenen, vrij algemeen houden.”
“In orde.”, zei Primus, “Nu, het inwijdingsritueel! Iedereen weg! Bij dit ritueel is alleen het bestuur van Habakuk aanwezig!”
Morrend ontruimde de zaal zich, tot alleen Primus, de boomlange vent, het meisje met de uni-brauw, en een vent met een beulskap over waren. Primus nam een boek op schoot, wilde het openslaan toen er vanuit de verte een vrouwenstem klonk.
Het klonk verdacht veel als: “Brian, eten!”
Primus leek ontstemd, en stak zijn hand op naar de man met de beulskap. “Vertel mijn moeder dat ik wat later ben vanavond.”
Mompelend verliet ook de beul de kamer. Primus boog zich weer over zijn boek. “Het is belangrijk dat je me nu nazegt, Schemerling.”
“Dat kan ik.” Ik zette de laatste puntjes op de i op de namenlijst, kreeg plots een idee.
“Omnia ista mortis morae sunt”, begon Primus, maar verder kwam hij niet, want ik was overeind gekomen, had een kandelaar uit de nis naast me gepakt en die in Primus richting gesmeten. Enkele kaarsen vlogen in het rond, en Primus’ zwarte gewaad vatte vlam. “Wat… wat doe je?”
“Beschouw dit als mijn proeve van bekwaamheid”, grinnikte ik, “Een teken dat ik slecht genoeg om bij Habakuk te mogen. Niet dat ik dat ooit zou willen. Wat een bureaucratie…” Ik draaide me om en sprintte de ruimte uit, terug de gang in. Ik geloof dat ik hen zozeer overrompeld had dat ze me niet achterna kwamen, aangezien ze vooral bezig waren de vlammen in Primus’ gewaad uit te stampen.
Ik rende het gangencomplex door, op zoek naar een uitgang. Onderweg passeerde ik enkele Habakuk-leden, maar zij leken mij reeds als mede-lid te beschouwen, leken te menen dat het inwijdingsritueel al voltooid was.
“Dag Schemerling”, zeiden ze dan.
“Hee Schemerling, ouwe klojo!”, grinnikte Toon, toen ik een keuken passeerde waar hij aardappelen stond te schillen.
“Toon”, zei ik vlug, “Ik ben nu dan wel lid, maar ik ken hier de weg nog niet heel goed. Waar is hier de uitgang?”
“Er is een nooduitgang aan het eind van deze gang”, wees Toon, “Achter het schilderij van Vlad Tepes.”
Voor ik hem kon bedanken schalde de stem van Martius Primus door de gang.
“Laat hem niet ontsnappen!”, brulde Primus, “DOOD HEM! DOOD HEM!!!”
Ik hervatte mijn vlucht, haastte me naar het portret van Vlad the Impaler dat even verderop hing. Achter dit schilderij, dat ik lomp van de muur trok, vond ik inderdaad een smalle rotsgang die naar boven liep. Een Habakuker greep me bij mijn schouder maar ik elleboogde hem tegen zijn kaak en hij liet los.
Nu werd het een sprint door de dunne gang naar boven, waar een vaag licht scheen. Ik volgde de gang tot haar eind, en toen ik de lichtbron had bereikt bleek dat ik in een garage stond; niet eens een zeer duistere, onheilspellende garage maar een heel gewone met enkele kinderfietsen en wat gereedschapskisten. Vlug habakuk-nooduitgangopende ik de garagedeur, en knipperde met mijn ogen door het licht van de ondergaande zon. Tegen al mijn verwachtingen in stond ik op de inrit van een vrijstaand huis in de wijk Wandelbos, vlakbij de Oude Warande. Van hier af aan ben ik terug naar de campus gejogd, na het adres te hebben genoteerd, maar ik geloof dat Habakuk de achtervolging sowieso al had opgegeven.

Pas toen ik weer op de veilige, bevolkte Universiteit was bedacht ik me dat ik de lijst waarop ik mijn naam had gezet nog steeds vast hield. Op een veilige plek op de campus aangekomen vouwde ik het papier nog eens open, en knikte verrukt. Ik had in mijn vlucht de volledige ledenlijst van Habakuk meegenomen, met daarop de echte namen, schuilnamen en adressen van alle Habakuk-leden!

Nu is het tijd voor wraak!

Martius Primus (2)

november 21, 2008

Toen ik weer bijkwam werd ik door drie man door de Habakuk-societeit gesleept. Ik kon niet zeggen hoelang ik buiten westen was geweest.
open-tijd-bij-habakukMijn eerste gedachte was dat we ondergronds waren; de hele ruimte gaf een dergelijke vibe af; een ondergrondse grot met gladde muren, smalle gangen met aan weerszijden kleine grottenkamers. Ik probeerde de route die we namen te onthouden maar er waren te veel zijgangen, te veel vreemde stemmen. Ik kon er weinig van verstaan, beneveld als ik was door de chloroform en de weeïge wierrooklucht die hier hing.
“Opschieten, ik denk dat hij bijkomt.”, gromde iemand.
“Alsof hij hier ooit op eigen houtje levend weg komt”, grinnikte een vrouw, “Not bloody likely.”
“Laten we toch vaart maken, de baas zal blij zijn dat we hem hebben.”
Ik vroeg me af of ze me zouden doden. Misschien waren ze bang dat ik hen bij de bewaking zou verraden; ik meen dat dit ook de reden is dat ze me nog niet eerder aan de bewakingsdienst hebben uitgeleverd.
Ik werd een grotere ruimte in gesleept, een soort ondergrondse kerk, met brandende kaarsen in kandelaars in alle nissen van de grot. Midden in de kerk stond een houten zetel, bekleed met rood fluweel, waarop een man in een zwarte mantel zetelde: Martius Primus, de praeses van Habakuk. Voor zijn troon smeten ze me neer. Ik kon zien dat er in een kring om me heen verschillende Habakuk-leden zetelden. Ik keek of ik Toon ergens zag, maar als hij er was, dan stond hij ergens achteraan. Wel ontwaarde ik een nijdige Vilonius Crux en Barrington Blackheart, twee dispuutshoofden van dit nare groepje.

“Wel, wel, wel, Schemerling. Wat een eer je opnieuw te mogen ontmoeten, en nu nog wel op ons eigen terrein.”, grinnikte Primus, “Vergeef me deze introductie, waar zijn onze manieren?” Hij wierp een van de figuren die me naar binnen hadden gesleept een steen naar het hoofd. “Waar wachten jullie nog op? Breng onze gast een stoel en iets te drinken. Wat wil je drinken, Schemerling? We hebben wijn, whisky, noem het maar op.”
Het deed er niet toe. Hoe dan ook zouden ze waarschijnlijk iets in mijn drank gieten, een verdovend middel. “Wijn is goed.”
“Twee wijn”, gebood Primus, “Ze hebben toch geen onnodig geweld tegen je gebruikt, Schemerling? Niet dat wij tegen onnodig geweld zijn, maar jij bent tenslotte onze geëerde gast.”
De grote kerel die eerder bij een borrel had opgeschept dat hij zijn broer in een oven had gestopt kwam terug met een stoel en een glas wijn. Ik ging zitten, midden in de cirkel, maar liet de wijn nog even links liggen.
“Schemerling, laat me nogmaals mijn excuses aanbieden voor onze eerste ontmoeting, toen ik je zei dat we geen plaats voor je zouden hebben bij onze vereniging. Wij hebben in de hierop volgende weken, maanden je… aanzienlijke kwaliteiten pas leren inzien. Je beweegt je over de Universiteit, als een schaduw, en de campus kent geen geheimen voor je. Ik hoef je niet te uit te leggen dat je een belangrijke aanwinst voor Habakuk zou zijn.”
Toon moest zijn mond voorbij hebben gepraat en nu wilden ze mij inlijven bij hun zielige, kleine clubje. In ieder geval leken ze niet van plan me te doden; dat was nog iets.
“Daarom hoop ik dat je ons een tweede kans wilt geven. Graag zouden wij je verzoeken lid te worden. Je kan zo een eigen dispuut krijgen als je wilt. Zekere dispuutshoofden zijn in… ongenade gevallen en je kan hen meteen opvolgen.” Hij wierp een veelzeggende blik op Vilonius Crux.
“Geef me meer redenen om lid te worden”, beval ik, “Wat kan ik er voor mijzelf uitslepen?”
Primus lachte. “Een gezonde vraag, Schemerling. Je weet ongetwijfeld waar Habakuk voor staat, maar je weet misschien niet dat deze universiteit door ons gerund wordt. Onze leden hebben invloed, invloed in elke laag, in elke tak van deze Universiteit. Wij zijn machtiger dan je je kunt indenken. We kunnen alles voor je regelen. Voor onze leden regelen wij posten in de Universiteitsraad, aan het hoofd van verenigingen, noem het maar op. De vraag is aan jou, Schemerling. Zeg wat je wilt en wij kunnen het regelen. Mits je ons je diensten aanbiedt uiteraard.”
“Welke diensten precies?”
Primus leek geïrriteerd. “Moet ik dat nog uitleggen? Breng ons binnen bij de Studentenadministratie, in de geheime gangen van de campus, alles dat we kunnen gebruiken om deze Universiteit te ontregelen! Sluit je bij ons aan, Schemerling! Sluit je aan, of anders…”
“…of sterf!”, voegde Vilonius Crux daar ietwat overbodig aan toe. Primus sloeg hem met vlakke hand in het gezicht.
“Zwijg, worm! Laat de Schemerling zijn keus maken! Wat kies je?”

WORDT VERVOLGD.

De sociëteit (1)

november 19, 2008

Ik heb altijd al vermoed dat er een groot kwaad in de Oude Warande verstopt zit; de lelijke mensen en hun lelijke gebruiken. Ik heb altijd al gevreesd dat zij in de nacht vanuit het bos naar mijn rijk kwamen, dat ze in hun donkere woud kwade plannen smeedden om eens de campus te zullen overlopen. Beschouw hen als de morlocks die het voorzien hebben op de mooie mensen, de Eloi, die zich gewoonlijk op de campus ophouden. Ik heb niet veel meer met de mooie mensen, maar ik zag het altijd wel als een soort van taak om hen te beschermen, de baas van de campus zijnde.
Nu manifesteerde dat gevaar zich echter iets concreter. Dit gaat een lang verhaal worden, en ik heb het voor het leesgemak maar in drie delen gehakt. Hier komt het dan: Schemerling goes Habakuk 2008, deel één.

Even voor zonsopgang vanmorgen zag ik een groep lieden in zwarte mantels vanaf de parkeerplaats de Oude Warande in lopen; het ging hier duidelijk om leden van de Slechte Studentenvereniging Habakuk, een groep waar ik heel weinig mee op heb. Ditmaal zou ik hen volgen, en ik zou uitvinden waar Habakuk haar schuilplaats had, al was het maar om nog íets goeds te doen, om vergeving te vinden voor de dood van Maurits Heverlee en het verdriet van zijn moeder.
Achteraf bezien ging ik nogal overmoedig te werk. Ik volgde hen zo dicht op de hielen dat ik zelfs kon verstaan wat ze zeiden, maar ze gingen waarschijnlijk te zeer in hun gesprek op om mij op te merken.
“… denk je dat er gezuiverd gaat worden?”
“Ik hoop dat Primus het overleeft. Je had de vorige praeses niet willen meemaken.”
“De Madlord? Nee, is het echt waar dat hij eens een hele TIK-mentorgroep liet verdwijnen omdat hun mentorpapa hem nog geld schuldig was? En zijn salamander tot dispuutshoofd benoemde?”
“Er zitten zeker ware elementen in dat verhaal. Ho, we zijn er.”
De Stad van DisZe hielden plots halt, midden op een paadje in het bos, vlakbij de trimbaan, en de voorste verdween tussen de grote, grijze pilaren die daar staan. Na een korte pauze volgden de anderen hem, en ook zij traden tussen de massieve pilaren.

Ik sprong te voorschijn vanachter de boomstronk die mij had verborgen, en liep behoedzaam op de pilaren af. Ja, ik had ongetwijfeld hun schuilplaats ontdekt, hun geheime sociëteit, waarvan alleen leden mochten weten. Nu kon ik hen verraden bij de bewaking, en dan zou er geen Habakuk meer zijn!
Toen ik vanuit mijn ooghoek iets zag bewegen was het eigenlijk al te laat. Het volgende moment kreeg ik een lap tegen mijn mond gedrukt, waar zo te ruiken chloroform op zat, en ik verloor het bewustzijn al snel.

WORDT VERVOLGD.

Opnieuw, mevrouw Heverlee

november 17, 2008

meisjemetzwafelstokjes1

Bij het vallen van de avond op de campus trof ik die arme mevrouw Heverlee weer aan. Ze was bezig voorbijgaande studenten aan te klampen, ter hoogte van het Dante-gebouw.
“Maurits Heverlee? Ooit van gehoord?”. Ze zwaaide een ongemakkelijk kijkend meisje een foto in haar gezicht. “Hij studeerde hier. Hebt u hem de afgelopen maanden nog gezien of gesproken?”
“Ik studeer hier niet”, mompelde het meisje, alvorens weg te joggen.
“I be an exchange student! Me no speak English! Is unpossible!”, riep de volgende voorbijganger, een Brabantse kerel, haar preventief toe. De jongen naast hem overgoot zichzelf alvast met aanstekervloeistof, zodat hij als een brandende toorts kon wegrennen in het geval dat mevrouw Heverlee hem aanklampte.
Om een of andere reden voelde ik me enigszins schuldig. Mevrouw Heverlee deed me een beetje denken aan het meisje met de zwavelstokjes, of Repelsteeltje of zo; een van die zielige sprookjes. Ik wilde vlug voorbij lopen, maar ze had me al gezien en pakte me bij mijn schouder.
“Mag ik u wat vragen? Hebt u ooit van deze jongen gehoord?”
Ik werd hier een beetje ongemakkelijk van, en probeerde haar blik te ontwijken. Maar waar kon ik anders kijken? Naar de foto, een wat oudere foto van Maurits Heverlee waarin hij nog wat langer haar had en met die domme grijns van hem in de camera staarde?
“Ik…” Ik wist niet meer wat ik moest doen, werd overrompeld door een uiterst moedeloos gevoel.
Ze vatte mijn besluiteloosheid op als herkenning. Haar gezicht vertrok. “U kijkt alsof ge hem kent? Kende u Maurits?”
Ik zou hier nu niet wegkomen zonder aandacht te trekken, en iets dergelijks wil ik te allen tijde voorkomen. Met tegenzin knikte ik. “Ja, ik denk wel dat ik hem kende, ja.”
Ze keek alsof ze op het punt stond in tranen uit te barsten. “Kunt u… kunt u me meer over hem vertellen? Hoe was hij?”
“Maurits was… hij was altijd heel aardig. Vrolijk. Ongedwongen. Ik mocht hem wel.” Als ik dan toch ging liegen kon ik net zo goed all-out gaan. “Hij droeg altijd een glimlach op zijn gezicht, en als hij bekenden tegen kwam dan nam hij zijn hoed af en zei hij: ‘een bovenstebeste dag, kameraad!’”
Als ze door had dat ik de draak met haar stak wist ze dat verdomd goed te verbergen. “Hebt u hem onlangs nog gezien?”
Ik schudde mijn hoofd. “De laatste tijd niet. Ik hoorde… ik hoorde een tijd terug nog van iemand dat hij naar Frankrijk was gegaan…?”
Haar gezicht vertrok. “Frankrijk? Van wie?”
“Oeh, dat zou ik echt niet meer weten. Van hemzelf misschien? Het is al erg lang geleden.”
Ineens had ik genoeg van deze schijnvoorstelling. Ik had het idee dat ik hiermee noch mezelf noch mevrouw Heverlee eer aan deed. “Het spijt me. Ik moet er vandoor. Ik heb een presentatie te geven.”
“Alsjeblieft, wacht!”, protesteerde ze, “Waar in Frankrijk…”
Ik zette het op een rennen, zonder nog om te kijken. Ze kwam een klein eindje achter me aangerend, maar ik slaagde er in haar kwijt te raken door enkele fietsen achter me om te werpen, haar pad blokkerend…
Nu voel ik me ziek en smerig, en ik wou dat ik dood was.

Chinatown

november 15, 2008

De Universiteit is een heel andere plaats in het weekend; ik zou het een ‘Bizarroversiteit’ noemen als dat een woord was. Een uitgestorven plein, lege en donkere gebouwen, en natuurlijk de Chinezen.
Ja, de Chinezen. Waar de Universiteit van de Week toebehoort aan de standaard-studenten, de mooie jongens en meisjes van het goede leven, wordt de Universiteit van het Weekend beheerst door de Chinese uitwisselingsstudenten, die ineens vanuit alle hoeken en gaten opduiken om van de vrijheid, van de rust gebruik te maken. Ik zie ze in drommen over de Universiteit lopen, en in de bibliotheek zitten ze in groepen bij elkaar te praten. Een langslopende bewaker knijpt glimlachend een oogje dicht. Op de plek waar eens het kunstwerk stond is zelfs een Chinese vlag geplant.
Ik ben niet bijzonder op ze gesteld. Waar het door de week de standaard-studenten zijn die me op mijn zenuwen werken met hun eeuwige opdringerige gepraat en geduw, nemen de Chinezen deze taak in het weekend op zich. Hoewel je hen van maandag tot vrijdag hoort noch ziet zijn ze in het weekend overal en duidelijk hoorbaar aanwezig. Wat me nog het meest intimideert is dat ik ze niet kan verstaan. Terwijl ik hen passeer zie ik hun hoofden naar mij omdraaien, en hoor ik hen met elkaar overleggen, maar naar hetgeen zij zeggen kan ik slechts gissen.

Het kan altijd erger. Terwijl ik vandaag de bibliotheek verlaat hoor ik de voetstappen achter me nog niet. Pas als ik door de draaideur gebouw K binnen ga en ze met me mee draaien merk ik op dat ik door een groepje van vijf Chinezen word gevolgd, achterna gezeten. Het zijn kleine mensjes, twee jongens en drie meisjes, en ze kijken me ietwat sinister aan. Ik versnel mijn pas naar de glazen gang, en zij doen hetzelfde, volgen me haast op de voet, half rennend en boosaardig giechelend. Als ik nerveus naar hen om kijk valt me op dat ze allemaal in het rood gekleed zijn, als een soort lugubere sekte.
Het zweet breekt me uit. Er is niemand anders in de glazen gang, geen bewaking te zien, en niemand zou me missen als ik hier verdween. Sneller loop ik, zo snel als ik kan.
Omdat ik niet helder nadenk maak ik de fout af te dalen naar de fietsenkelder. Waar ben ik mee bezig? Doordeweeks mijd ik dat ondergrondse fietsenhok al als de pest, en nu is het er vast veel gevaarlijker, donkerder, dodelijker…
Forget it, Jake, it's Chinatown...Ze volgen me, natuurlijk. En natuurlijk is er geen andere uitgang dan de trap die ik zojuist ben afgegaan. Het rode vijftal giechelt harder nu, in de wetenschap dat ze me te pakken hebben. Ze gaan iets meer verspreid lopen, als om me in te sluiten. Ik loop naar het hek aan het andere eind van de kelder, en bal mijn vuisten. Hoeveel Chinezen kan ík aan in een gevecht?
Tot een gevecht komt het echter niet. Onderweg naar het hek stuit ik, in een hoek van de fietsenstalling, op nóg een groep Chinezen. Deze zijn alle zes gekleed in het geel, en ze staan driftig te overleggen. Als ze mij zien staken ze hun gesprek, en komen als één man om me heen gecirkeld, al net zo onheilspellend glimlachend als het rode groepje had gedaan. Het is op dat moment dat ze de andere, in het rood geklede Chinezen opmerken.
Een driftige woordenwisseling ontstaat tussen de twee groepen; ze zijn duidelijk niet op elkaars aanwezigheid gesteld. Een van de gele Chinezen roept iets, waarop de leider van de roden rood wordt en met zijn voet op de grond stampt. De andere rode Chinezen springen naar voren. Een van hen wijst naar mij en zegt wat, waarop de gele Chinezen me een minachtende blik toewerpen en dreigende gebaren naar de roden maken.
De rode leider roept iets (het klinkt als ‘Banzai!!’), en de vier andere Chinezen klappen messen open; de gele groep doet hetzelfde. Waar de messen vandaan komen zie ik niet; het gebeurt zo plots. Ik weet alleen maar dat ik weg wil. Terwijl achter mij een kleine veldslag ontstaat haast ik mij terug de fietsenstalling uit.
Weer een weekend, weer een afrekening in het Chinese bendecircuit…