Archief voor januari 2009

Artistiekeling

januari 31, 2009

In de korte tijd dat ik ondergedoken zat en niet meer aan mijn blog werkte heb ik me graag schuilgehouden in de black-boxregiekamer van de Black Box in het Esplanade-gebouw. Deze kamer, waar onder andere de toneelverenigingen hun spullen opslaan en de bedieningspanelen van de licht en muziekinstallatie van de Black Box zitten, biedt verschillende handige faciliteiten. Zo staan er kasten met verkleedspullen en vermommingen; heksenmaskers, berenjassen, ooglapjes en cowboyhoeden (eenmaal heb ik zelfs met een cowboyhoed een nacht over de campus gewandeld; ik voelde me net de sheriff).
Ik vermaak me er goed. In de weekenden draai ik wel eens wat muziek (vooral klassiek; momenteel luister ik graag naar Wagner en Shostakovich) of speel ik met de lichtspots, die aan het plafond hangen. Dan waan ik me de regisseur van de campus.
Bovendien moet men over een krakende balustrade om er te komen, zodat ik wanneer ongenode gasten verschijnen alle tijd heb om over de reling te springen en te ontkomen. Een paar maal heb ik me ook tussen de kledingrekken kunnen verschuilen als er plots toneelfiguren binnen kwamen. Je hoort ze altijd al van ver aankomen omdat ze met luide stemmen en grote gebaren spreken. Ze praten dan over de rollen die ze spelen, en de stukken die ze schrijven, bieden met hun ambities tegen elkaar op. Soms vraag ik me af of ik een goed toneelspeler zou zijn geweest, of een toneelschrijver desnoods. Er is maar één manier om daar achter te komen…Toen ik er laatst eens de slaap niet kon vatten heb ik dan ook een begin gemaakt aan een eigen toneelstuk, ‘Pas op voor de Schemerling’. Ik weet niet waarom ik er aan schrijf, want met dat voorstel voor een SchemerHandboek heb ik al voldoende ander schrijfwerk voor de boeg. Ik denk dat ik gewoon in artistieke sferen was, zo in die regiekamer. Het schrijven ging ook erg snel.

Een voorproefje:

Act 1: Twee STUDENTEN komen op
Student 1: Heb je de verhalen gehoord?
Student 2: Over die mysterieuze figuur die op de campus ronddwaalt…
Student 1: Oh ja, ze zeggen dat hij strijdt voor alles dat goed en rechtvaardig is.
Student 2: Ja, toen die ene studente laatst werd belaagd door Bulgaarse mensenhandelaars is hij voor haar in de bres gesprongen.
Student 1: Het is fijn dat we zo’n beschermengel hebben.
(Studenten af. SCHEMERLING op. Hij staat op het dak van een gebouw)
Schemerling: Soms gaat misdaad door mazen van de wet, maar Schemerling gaat daarop in verzet. Op deze campus vinden boeven en gespuis géén warm welkom! Want ik ben de Schemerling, dienaar van de nacht, redder van de campus! Ondoorgrondelijk en mysterieus, en een meester van karate! (Schemerling doet een sierlijke karatezwaai. Dan lijkt hij iets te zien.) Oh jee, de Bulgaarse mensenhandelaars zijn terug! Niet op mijn campus! (Schemerling af).
Voice-over: hij is een held.

Het is het verhaal van mijn leven, hier en daar aangedikt met wat wapenfeiten om het geheel… leesbaarder te maken. Misschien wordt het op een dag opgevoerd in een schouwburg bij jou in de buurt!

Schemerdicht

januari 29, 2009

Licht! Mensen! Drank! Aangetrokken door het rumoer bij de ingang begaf ik mij gisteravond de Tilbury’s binnen. Even tevoren had ik er grote groepen mensen zien arriveren; ook was de catering die avond in de weer geweest. Als hier een borrel werd gegeven zou ik niet ontbreken, ook al zou ik me weer eens voor moeten doen als een alumnus, werkgroepdocent of overlevende van de holocaust.
Was er bij Jef iets te doen? Wellicht. Het bracht me terug op een vraag die me al lange tijd bezig houdt: wanneer is campuscafé Jef open? Zelfs ik als vaste campusbewoner heb moeite de openingstijden te begrijpen. Waarschijnlijk opent de uitbater de deuren wanneer het hem zelf uitkomt. Het komt voor dat ik het café drie avonden op een rij open zie, maar er kunnen ook weken voorbij gaan zonder dat er een hond te vinden is. Eenmaal trof ik in de deuropening van het café zelfs een gespierde kolos die me ervan verzekerde dat ‘Jef nooit meer terug zal komen’, waarna het campuscafé al jaren een wijde krater in de grond bleek te zijn en een gigantische vlinder mijn hoofd probeerde af te bijten, hoewel ik dit ook gedroomd kan hebben.

Vandaag moest ik echter niet in Jef zijn. Er was een programma gaande in zaal Tilbury’s 2. Vanuit de deuropening zag ik hoe een verwilderd ogende man met een dikke zwarte baard een verhaal afstak voor een gevulde zaal. Zoals ik al snel zou leren was hij vanavond de ‘master of ceremony’.
“…Zelf dicht hij voor erkenning en de vruchten daarvan, graag een applausje voor Arend Aarsman!”, sprak de man op het moment dat ik probeerde ongezien de zaal binnen te glippen. Ik probeerde een lijn te trekken naar een van de voorste stoelen, wat niet slim bleek.
Het publiek begon te klappen. Ik passeerde de man met de baard die me aanhield. “Híer is het podium, Arend. Deze kant op.”  Hij stuurde me een andere richting in, weg van de stoelen.
Voor ik het weet stond ik op het podium, achter een microfoon, terwijl de verwilderde man zich hardop afvroeg wat voor een gedicht ik vanavond zou voorlezen. “Laat het maar horen.”
“Ik ben niet…”, begon ik nog. Van de echte Arend ook geen spoor. Ik zag meteen een mogelijkheid om aan een stel drankcoupons te komen. Ze betalen dichters in drankbonnen, niet? Het was allicht het proberen waard.
“Ik ben Arend Aarsman, en ik ga nu een van mijn gedichten voorlezen.” Ik schraapte opzichtig mijn keel, terwijl mijn hersenen raasden. Hoeveel gedichten kende ik nu werkelijk uit mijn hoofd?
“Je hebt maar tien minuten, Arend.”, lachte de man met de baard van naast het podium.
“Okee, okee. Hier is het. Dit is een gedicht dat ik schreef toen mijn vriendin het met me uit maakte.”, begon ik. De rest kwam vanzelf.

Bloemen op je graf

Ooit komt de dag
Dat ik bloemen leggen mag
Bloemen op je graf

Misschien is het een auto
Een bus of een tram
Lig jij even later
Bloedend in een berm

Of een ongeluk met de stroom
Een val van een flat
Een trage verdrinkingsdood
Vind ik je dood in bed?

Ik denk geen van deze
Ik weet het wel zeker
Ga er maar vast van uit
Dat ik je neer kom steken

Tenzij jij me voor bent
Maak jij me af?
Misschien leg jij dan wel
Bloemen op mijn graf?

Applaus. Ze applaudisseerden! De mensen in de zaal applaudisseerden voor me! Ik werd gewaardeerd! Dit was beslist nieuw, en ik maakte een sierlijke buiging, terwijl ik alweer op een nieuw gedicht zinde. Op dat moment viel mijn blik echter op een wat somber ogende jongen die me vanuit de deuropening geschokt en woedend aanstaarde, zijn vuisten gebald.
“Ik moet weer gaan”, besloot ik, “U was een aangenaam publiek. Dank u.” Ik sprong van het podium, rende de zaal uit, bij de uitgang de sombere jongen passerend. “Sorry, Arend.”

Borrel

januari 27, 2009

Er studeert er weer een af, zo’n vreselijk rechtenstudentje. Al die plechtigheden zijn hetzelfde; in mijn hoofd werden ze na verloop van tijd een grote brei van flarden van vragen en complimenten. Bezie de verzamelde vrienden en familie, blij en trots. Bezie de afstuderende student, ongemakkelijk staand in een net pak, vooraf een tikje zenuwachtig en naderhand zichtbaar opgelucht.
“Ben je al zenuwachtig?”, vragen ze gewoonlijk, en “Nu ga jij er eindelijk ook aan geloven.”
“Ja, ik ben wel een beetje zenuwachtig”, zegt de afstuderende student meestal, “Maar ze laten je toch sowieso niet afstuderen voordat je zeker bent van een voldoende?”
Dit beamen alle aanwezigen. Ze gaan met zijn allen naar binnen, om gemiddeld zo’n drie kwartier later weer naar buiten te komen.
“Ik vind dat je hoger had verdiend”, zeggen ze, en “Ik vond dat zo’n rare vraag van die ene professor, dat ging helemaal nergens over”, terwijl de zojuist afgestudeerde zijn hoofd schudt en zegt dat het allemaal goed is, dat hij gewoon blij is dat hij nu eindelijk is afgestudeerd, grapt dat die talloze boeken over Europees recht die op zijn kamer slingerden nu eindelijk terug kunnen naar de bibliotheek.

Vandaag waren ze er dus weer, en ik besefte dat ik eigenlijk wel zin had in een drankje. Ik ben de stoet vrienden en familie die de collegezaal verliet gevolgd naar een borrel in de Esplanade. Er was een aantal studenten bij van mijn leeftijd, en ik ben er gewoon tussen gaan staan. Het werkte. Waarom zou het niet werken? De moeder van de afgestudeerde reikte me een biertje aan. “Drink op”, zei ze, “De eerste twee drankjes zijn op onze kosten.”
Ik ving wat gesprekken op. “Echt goed!”, zeiden de aanwezigen, en “Het is goed dat hij er nu eindelijk vanaf is. Het heeft lang genoeg geduurd.”, en “Niemand bewegen! Ik ben mijn lens verloren!” Zelf hield ik me wat afzijdig, bang dat iemand zou ontdekken dat ik niet tussen dit volk hoorde, dat ik niet eens wist wie er in godsnaam was afgestudeerd, en het me nog minder kon schelen.
“En, waar ken jij Marcel van?”, vroeg een labiel ogende jongeman die zijn pak droeg zoals Sisyfos zijn rots torste tenslotte.
Improviseren. Ik word er steeds beter in. “De scouting. Ik heb met hem bij de scouting gezeten.”
“Ah, ja. Charles de Foucalt? De esta’s?”
Fuck. “Ja. Die ja.”
“Mooie tijd was dat. Wij als esta’s gaan op reis naar het verre esta-land…”
Fuck! “Ja. Dat ja. Ja, ik ken hem al zo lang. Het is goed dat hij nu eindelijk is afgestudeerd.”
“Ja, dat zeker. Als je al acht maanden aan je scriptie zit, dan wil je er onderhand wel eens vanaf.”
“Poe. Acht maanden. Ja, dat is geen pretje. Zeker geen pretje. En maar schrijven, schrijven, schrijven. Elke dag weer. Nee, dat is niet fijn. Goed dat hij nu is afgestudeerd.”
De jongeman bleef ondertussen knikken. “Wie ben jij, als ik vragen mag?”, vroeg hij tenslotte.
“Ik ben… Ik ben Maurits. En… en jij?”
“Ik?” Hij nam een slok van zijn bier. ”Ik ben de zojuist afgestudeerde.”
Fuck!!! ”Ik ga maar weer…”, besloot ik. Ik goot mijn ene gratis drankje achterover, deed een laatste graai in de bak met borrelnootjes, en haastte me vervolgens de Esplanade uit.

Pijnlijk, maar het zal me er niet van verhinderen in de toekomst nog meer afstudeerfeestjes bij te wonen. Ik zal eerlijk zijn; dit was al de derde keer deze week dat ik bij een willekeurige borrel of viering aanschoof.
Ik denk dat ik op zoek ben naar wat mensen om me heen, wat aanspraak. Er verstrijken teveel dagen zonder dat ik een woord zeg. Vooral die ene maand dat ik me dood moest houden was zwaar. Rustig, dat zeker, maar ook zwaar. Ik moet iets vinden om mee bezig te houden, een project, iets om me af te leiden; of dat nu Poolse meisjes zijn, of mijn SchemerHandboek…

Zofia

januari 25, 2009

Terwijl ik deze zondagmiddag in de bibliotheek naar plaatjes van grappige dieren zat te kijken werd ik door iemand aangesproken. Ik haat het als dat gebeurt.
“Excuse me.” Het was een Oost-Europees ogend meisje dat me benaderde. Bleek ingevallen gezicht en lang zwart haar. Ik had slechtere exemplaren gezien.
“Yes?”
cats-are-jerks“I was wondering if you are exchange student too?”
Zag ik er dan zo Pools uit? Ik kijk meestal wat nors, heb wat borstelige wenkbrauwen, en droeg die middag een zwarte trui die ik uit iemands rugzak had gestolen.
“I’m af….”, begon ik, maar toen bedacht ik: waarom ook niet? “As matter of fact I am.”
Ze lachte. “I knew it! You look familiar, because you are on university so often in weekends. Only exchange students stay in weekends!”
“That is correct. I am Vladimir, from Belarus. You can call me Vlad.”
“I am Zofia. From Poland. I study politics here as exchange student.”
“In White Russia, politics study you.”, zei ik. We lachten. Ik wendde me weer tot mijn computerscherm, in de hoop dat ze de hint zou oppikken.
Ze pikte de hint niet op. Waarschijnlijk lag het aan de culturele barrière. “What are you doing?”
professordog“Just working.” Ik probeerde een schermpje open te klikken met een hoop tekst er in, maar ik had alleen maar pagina na pagina met grappige dierenplaatjes open staan.
“Ha ha. What is that dog doing? Is that dog wearing glasses? Like human?”
“Yes. Glasses and a suit, and even a tie.”, zei ik.
“Ha ha ha ha. That is silly! What silly dog! He thinks he’s people!”
“It is indeed a silly dog.” Ik hoopte dat ze weg zou gaan, maar in plaats daarvan schoof ze aan bij de computer naast me.
“How long have you been here?”
“About a year. I was sent into exile by motherland after stealing vodka from university professor. It was either exile or a year in the gulag.”
“You are silly too. I just came here three weeks ago. Do you know many people here? I know no one. There are Chinese people in my house but they never talk to me and just stand around in bicycle parking all time.”
“I do not know many people either.”, zei ik, “This country is crazy. They have big metal birds that fly through sky, and instead of horse and carriage they all have cars! Can you believe it?”
Mijn leugens hadden een averechts effect. Ze lachte alleen maar en pakte zelfs mijn arm. Ik wilde hier weg. Ik nam een flinke hap van mijn kitkat in de hoop dat een bewaker me zou zien en me de bibliotheek uit zou sturen, maar deze had blijkbaar pauze.
“Do you want to get drink with me somewhere sometime? Just so I can know some people here?”
“Ehm… Okay, I suppose.”
En zo had ik dus een soort van eh… date, een idee dat me wat beangstigt. Ik kan echter altijd besluiten om niet op te komen dagen… en een meevaller is dat ze dit blog in ieder geval niet zal lezen!

Abominatie

januari 23, 2009

Stikhok?Van alle plaatsen op de campus die ik aandoe, van alle gangen en lokalen waar ik de nacht doorbreng, is er één waar ik liever vandaan blijf; de ondergrondse gang die van lokaal CZ10 naar de achterkant van koffiekamer C leidt.
Het is niet alleen het feit dat de bewakers hier, in verband met de nabijheid van het zwaarbewaakte archief C52, vaker patrouilleren dan elders. Het is niet slechts het gegeven dat de automatisch openende deuren een hels kabaal maken. Het is de wetenschap dat daar een groot kwaad huist.
Eenmaal heb ik er geslapen, en hetgeen ik hier trof ben ik eigenlijk nooit vergeten. Ik probeer er alleen niet meer aan te denken.
Het betreft een lange, meestal donkere gang met aan de ene kant een rij grote, brede kooien. Kooien van het soort dat gewoonlijk wordt gebruikt om iets groots opgesloten te houden… Ja, even meende ik van doen te hebben met de laatste universiteit in Nederland die nog gebruik maakt van het Stikhok.
Op het eerste gezicht komen de kooien echter tamelijk onschuldig over. Er binnenin staat een aantal weinig opvallende materialen; een stel opklaptafels, stoelen, dozen met borden en glazen. Goedgeloviger mensen dan ik zouden vast aannemen dat deze kooien worden gebruikt als opslagplaatsen voor de verschillende verenigingen op de universiteit. Deze materialen vormen echter slechts een façade, want de kooien worden wel degelijk gebruikt als cellen.
Ik heb het gehoord, jaren terug, in mijn eerste week als ongewenste logé op de campus. Om een uur of twee ’s nachts was ik het zoeken naar een slaapplaats zat en heb ik mijn slaapmatje maar uitgespreid in de gang met de kooien. Dit heb ik geweten ook.
Om kwart voor drie schrok ik wakker uit de lichte slaap die over mij was gekomen. Een geluid had mij gewekt. Eerst dacht ik aan de bewaking; in die eerste week dacht ik al mijn wakkere ogenblikken aan de bewaking. Bewaker Anton en bewaker Rattengezicht; ze leken in die tijd overal te zijn. In deze gang kwamen ook zij echter niet, zo zou ik al snel leren. Ik besefte dat het geluid, een misselijkmakend gekreun, uit een van de kooien moest komen!
Er klonk geschuif en geduw, en ik zag tafels en dozen die omvielen, in het rond slingerden. Iets bewoog daarbinnen, iets groots! Ik bezat nog de tegenwoordigheid van geest om me ervan te verzekeren dat de kooi op slot zat, dat er toch zeker niets naar buiten kon breken! Als versteend van angst keek ik toe hoe er binnenin die kooi iets als een gek rond Het leeft!!bewoog, krijsend, schreeuwend, als een soort van Lovecraftiaanse gruwel. Ik zag een ziekelijk verkleurde hand, en nog één, en nóg één. Enige minuten heb ik aan de grond genageld gestaan, totdat ik me herinnerde dat zelfs raptors deuren konden openen en ik verre van veilig was. Toen ben ik weggerend.
Ik heb er die nacht wel verschillende foto’s van gemaakt, waarvan ik me eigenlijk pas vanmorgen bij het opschonen van mijn camera herinnerde dat ik ze had. Bij deze dus. Trek er zelf maar je conclusies uit.

En daar heb je het dus. Er huist een groot kwaad onder de campus, en ik heb hier voor de verandering eens niets mee te maken. Het is een bevrijdende gedachte. Toch wil ik iedereen aanraden na zonsondergang weg te blijven uit die ondergrondse gang.

Geert de Groot

januari 21, 2009

Vandaag had ik een afspraak met Geert de Groot in de Esplanade; de vertegenwoordiger van de uitgeverij die wil dat ik een handboek schrijf over mijn ervaringen als campus-Schemerling. Hij herkende me meteen toen ik binnenkwam, nog voordat ik hem zag. Misschien lag het er aan dat ik naar een kerel in een net pak zocht, een echte vertegenwoordiger, en hij naar een schemerig figuur dat hard zijn best deed om niet op te vallen.
“Hier!”, zwaaide een mannetje in een oud overhemd vanaf een tafel in de hoek van de Esplanade, “Schemer, toch?”
Voordat hij nog meer aandacht op me vestigde ging ik aan de tafel zitten. Ik schatte Geert de Groot een jaar of veertig, hoewel hij een jonger gezicht had; het waren zijn kleren, overblijfselen uit de jaren ‘80, die zijn leeftijd verraadden.
“Geert de Groot”, stelde hij zich voor, “Zeg maar Geert. Het is fijn dat je toch op zo’n korte termijn kon afspreken. Het heeft me wat tijd gekost om je te vinden.” Geert de Groot was een energiek man en praatte met veel gebaren.
“Ik heb een tijdje ondergedoken gezeten.”, zei ik.
“Net als Anne Frank!”, zei hij enthousiast.
Ik rolde met mijn ogen. “Ja, net als Anne Frank.”
“Nee, maar… ik bedoel… er zijn meer parallellen.”, zei Geert vlug, “Anne Frank schreef een bestseller van een survivalgids over hoe je te verbergen in een zolderkamer., terwijl ze de nazi’s voortdurend een stap voor bleef. ‘Hoe overleef ik de nazi’s’, zeg maar. En jij… jij bent in de unieke positie om een survivalgids over de campus te schrijven!”
“Ja. Ja, dat is zo.”
“Wat denk je ervan, Schemer? Denk je dat je iets met het idee kan. We geven je volledige artistieke vrijheid; je mag zelf de structuur bepalen en zo. We hebben zelfs een beperkt budget voor afbeeldingen.”
“Vertel me wat meer over je uitgeverij.”
“Nou, Book o Look is een beginnende uitgeverij, gerund door een stel enthousiastelingen met een passie voor boeken. Ik, mijn broer Gerben en zijn vrouw Juanita runnen de zaak. We hebben al een stel heel aardige, speelse boeken uitgegeven. Ken je ‘Joe Speedboot’, van Tommy Wieringa?”
“Ja! Ja, daar heb ik wel eens van gehoord.”
“Nou, dat is echt zo’n boek dat door ons uitgegeven zou zijn als wij in die tijd al actief waren geweest.”
“Oh. Okee.”
“Lijkt het je wat?”
“Wie is de doelgroep?”
“Avontuurlijke mensen. Jongeren. Daklozen. Socialisten. Ik denk dat we met de juiste marketing een ruime doelgroep hebben.”
“Ik wil niet dat mensen na het lezen van zo’n handboek met zijn allen bij mij op de campus komen rondhangen.”
“Het hoeft niet perse om een campus te gaan. Ik neem aan dat je survivaltechnieken ook toegepast kunnen worden op andere plaatsen als winkelcentra en grote kantoorcomplexen… achterhuizen… noem het maar op.”
Zo klonk het niet alsof het kwaad zou kunnen. “Okee dan. Ik doe het. Moet ik ergens tekenen?”
“Oh…eh… dat komt nog wel”, zei Geert de Groot, “Ik bedoel: ik heb dit ook nog niet zo vaak gedaan. Is het gebruikelijk dat mensen vooraf tekenen?”
De twijfel sloeg bij mij weer toe, nu Book o Look ineens gevaarlijk dicht bij de grens tussen ‘rommelige doch sympathieke kleine uitgeverij’ en ‘broeinest van imbeciel wanbeheer’ in de buurt kwam. Misschien moest ik er nog wat langer over nadenken.

Winterkoning

januari 18, 2009

De campus is in de winter een koude en kille plaats. Je ziet het aan de wolkjes die door de lucht drijven als je ademt, aan de dassen en handschoenen waarmee de studenten zich hebben aangekleed, aan de periodieke lagen sneeuw die de campus bedekken.
Ik voel me er droevig en eenzaam bij. Voor zover ik weet zou het buiten de campus wel altijd winter kunnen zijn; ik zit zodanig afgesloten van de buitenwereld dat ik al jarenlang slechts het weer hier op de campus proef. Wie weet welk weer, welke regen en welke zon ik buiten mijn kleine keizerrijk zou kunnen treffen, al die ervaringen die ik mijzelf onthoud…
Maar goed, als ik te lang doorga met jammeren kan ik net zo goed zwarte eyeliner gaan dragen, gedichten over Weltschmerz schrijven en mezelf voortaan Emo-ling noemen.

Hell hath frozen overWat ik met jullie wilde delen is dat ik allerlei projecten ben gestart om de diverse campusbezoekers door de winter te helpen en mijn imago wat op te krikken. Zo ben ik vorige week na de hevige sneeuwval op een vroege ochtend met een schep over de campus gegaan en heb een weg gebaand door de gladde, gevaarlijke sneeuw, zodat de fietsers er gemakkelijker langs konden. Daarna dronk ik in de Esplanade een kop warme chocolademelk, want dat had ik wel verdiend.
Tevens heb ik me ontfermd heb over een tweetal eenden dat langs de inmiddels alweer grotendeels ontdooide vijver zat te bevriezen. Ik heb besloten de dieren door de winter te helpen, om mijn karma weer wat op peil te krijgen na al die schemerige zaakjes waarin ik me in 2008 heb gemengd.
Dit weekend hebben de eenden zich mogen voeden met al het brood dat ik uit de mensa kon meebrengen. Ook heb ik ze even uitgelaten in de glazen gang, waar het redelijk warm is maar ze toch de buitenlucht kunnen zien. Ik denk er over om in een hoek van de fietsenkelder een klein onderkomen voor de eenden in te richten, waar ze enigszins buiten de koude wind zitten.
Vooralsnog bevalt het Alexander de Graaff en Ziggy (want deze namen heb ik hen gegeven) prima op de campus. Toen ze de glazen gang zag kwaakte Ziggy uitgelaten, en Alexander de Graaff zei dat het goed was dat er nog mensen om hen gaven, omdat de meeste voorbijgangers hen negeren of de honden op hen afsturen, en de buurtjongens vaak met stenen naar hen gooien. Het is niet gemakkelijk om een eend te zijn in de winter, zo besloot Alexander verbitterd.
Het is maar goed dat ik er ben om het voor de kleine man op te nemen, of dit nu eenden zijn of ingesneeuwde studenten. Voortaan kunnen zij rekenen op de nieuwe en verbeterde Schemerling, redder van de campus!

Sell-out

januari 16, 2009

Uitgeverij Book-o-LookBegin januari ontving ik een mailtje. Ik vroeg me af hoe de verzender aan mijn e-mailadres was gekomen, dat ik alleen maar heb aangemaakt omdat het vereist was om een weblog te kunnen hebben. Wellicht had hij gegokt dat schemerling@live.nl juist was. Goed voor hem.
Het was een mailtje van de scout voor de een of andere uitgeverij, genaamd ‘Book-o-Look’, die op een of andere manier op mijn blog was gestuit.

‘Geachte heer Schemerling,

Met groeiende interesse hebben wij de afgelopen maanden uw weblog ‘Schemerling’ gevolgd. Graag zouden wij uw mening horen over ons voorstel om, gezamenlijk met u, een zogenaamd ‘Schemerhandboek’ te schrijven waarin u aan de hand van uw eigen ervaringen tips geeft omtrent hoe zelfstandig, ongezien en met een zekere mate van luxe en comfort te overleven op openbare plaatsen als Universiteiten en winkelcentra en misschien ook een woonmall of twee. We zijn bereid u een aantrekkelijke commissie te bieden om dit boek voor ons te schrijven. Hierbij kunt u uiteraard uw anonieme identiteit bewaren. Zo schreef Gerard Reve zijn eerste boek ook onder een pseudoniem.
Mocht u iets zien in dit idee, zouden wij dan een keer een afspraak kunnen maken? U hoeft hiervoor uiteraard niet de campus te verlaten. Zelf kan ik vanuit Breda vrij gemakkelijk naar u toe komen om bijvoorbeeld een keer koffie te drinken, of thee, en daarbij het plan door te spreken. U hoeft alleen maar door te geven wat u het beste uit komt, want ik zit vrij ruim in mijn tijd. In afwachting van uw antwoord verblijf ik.

Met vriendelijke groet,
Geert de Groot
Scout/partner Uitgeverij Book-o-Look.

Ik heb het voorstel serieus in overweging genomen. Hoewel het plan nu nog wat vaag is zie ik wel verschillende kanten die ik ermee op zou kunnen gaan. En die aantrekkelijke commissie klinkt ook niet mis. Dit zou mijn weg kunnen zijn naar onafhankelijkheid; een manier om uiteindelijk toch van de campus te komen. Ja, ik denk hier steeds vaker over na. Ooit moet het toch lukken. Ooit moet ik hier ontsnappen.
Ik heb hem verzocht me wat meer details gegeven over wat ze van mij verwachten. Enkele overlevingstips kan ik toch wel geven; tegen de tijd dat zo’n boek uitkomt zijn we toch weer een jaar of wat verder. Misschien ben ik dan al ergens anders, hier ver vandaan, rentenierend van het geld dat ik met het SchemerHandboek heb verdiend…
En noem me nu alsjeblieft geen sell-out, alleen maar omdat ik mijn geheimen met de wereld deel. Als je die lijn doortrekt was ik al een sell-out op het moment dat ik dit weblog begon. Nee, dit is een voorstel dat ik niet per definitie zal afwijzen; ik zal er beslist over nadenken…

Als Lazarus

januari 14, 2009

dsc02138Gegroet!

Het is fijn om weer onder elkaar te zijn, na deze kortstondige radiostilte aan mijn kant. Mijn excuses hiervoor, maar het was nodig dat ik een maandje van de kaart verdween, om mijn gedachten op orde te krijgen. Dat is gelukt.

Is het nodig dat ik jullie geheugens opfris? Mijn naam is Schemerling, en ik ben de enige vaste bewoner van de Universiteit van Tilburg. De laatste keer dat ik jullie sprak was medio december, toen ik op het plan broedde om me te ontdoen van mijn medestudent/aartsvijand Toon, die dreigde mijn geheim bekend te maken bij het grote publiek; mijn identiteit van schimmige campusbewoner, die al enige tijd ’s nachts in de leslokalen slaapt en uit de campusrestaria steelt.

Ik kondigde aan Toon te zullen doden, maar in plaats van Toon ‘doodde’ ik mijzelf. Ja, ik zette mijn eigen dood in scene, liet Toon geloven dat hij mij te slim af was geweest, dat hij me vergiftigd had.

‘Waarom?’, vraag je me nu misschien. Daar kan ik vrij kort in zijn. Ik had behoefte aan rust, behoefte aan enige tijd ‘ondergronds’ na alle aandacht die via hyves en diverse lastercampagnes op mijn persoon was gevestigd, en deze rust heb ik gekregen. Toon kon ik niet doden; ik wilde geen tweede debacle als ik de voorafgaande maanden had meegemaakt, geen politie of huilende moeders meer op de campus. Ik wilde iedereen doen geloven dat ik buiten beeld was, zodat de Schemerling-hype kon afsterven. Bovendien moest Toon geloven dat ik voorgoed weg was, anders zou hij nooit ophouden me te ondermijnen.

Dat is ook goed gelukt. Het is kalmer nu, ik kan weer ademhalen. The heat died down.

Ik wist dat Toon de koppen koffie die ik hem voorzette zou verwisselen. Hij is een idioot, maar wel een doortrapte. Ik liet het gebeuren. Toen ik het ‘gif’ opdronk heb ik me meteen dood gehouden en alle beweging uit mijn spieren getrokken, zachtjes door mijn neus geademd.

Het was een riskante actie, dat geef ik toe; voor hetzelfde geld had Toon nog een mes in mijn hart gejaagd om zich ervan te verzekeren dat ik echt dood was. Ik ging er echter vanuit dat hij hiervoor te gemakzuchtig zou zijn, te zeer ingenomen met zijn schijnbare overwinning. Ik zat er niet naast.

Ik werd eerst een eind meegesleept, wat pijnlijk was, maar al snel werd ik in een soort kruiwagen gegooid en verder gereden. Wat een service! Toen het eindelijk stil was om me heen en ik mijn ogen weer durfde openen lag ik in de een of andere vergeten kelder beneden de Oude Warande, waar Toon me moest hebben achtergelaten. Ik ben vlug opgestaan en door het leegstaande Habakuk-hoofdkwartier naar buiten geslopen.

Toen ik weer op de campus kwam constateerde ik dat Toon nog een bericht op mijn blog had achtergelaten ook (en er hierna nog meer zou plaatsen, tot het zijn interesse verloor). Het was amusant om zijn bizarre hersenspinsels te lezen. Het kwam mij eigenlijk ook alleen maar goed uit, en ik heb het laten staan (maar inmiddels wel voor alle zekerheid de inlogcode van het blog veranderd).

De hierop volgende maand heb ik kalm uitgerust. Het was bijzonder rustig op de campus, en ik heb op mijn gemak afgewacht terwijl de bezoeken aan mijn blog afnamen, het hyve stil viel… de paniekaanvallen verdwenen. Alles kwam goed.

Ik denk dat ik er nu weer tegenaan kan. Ik ben klaar om mijn kleine rijk weer in de ogen te kijken, en de Schemerling te zijn… Bovenal ben ik er weer klaar voor om jullie een beperkt zicht te geven op mijn avonturen; ik heb geen keuze, het is die drang om toch nog iets van mezelf achter te laten die in mij woedt. De casual readers zijn nu afgehaakt, de mássa is weg, en we zijn weer onder elkaar.

 

Er is nog een tweede, misschien wel belangrijker reden waarom ik terug ben ook. Ik heb een zeker aanbod gekregen, maar op de details hiervan zal ik in een volgend bericht ingaan. Voor nu heet ik jullie weer welkom bij mijn blog.

De invasie

januari 10, 2009

Fokkin hell, ik zit nu dus in de bieb ana een soort van sollicitatiebrief te typen (waarover, vraag je? over hoe mensen zich goddomme met hun eigen zaken moeten bemoeien!) en ik verveel me de kut want er is dus echt geen fok te doen hier. Fokkin januari, dan meot iedereen nog op gang komen.
Niemand die ik ken eigenlijk; wat autochtone studenten die alvast voor de hers zitten te leren, maar voor de rest is het alleen maar buitenlands spul. Waar moeten die gasten anders ook heen?
Er zitten een hoop van die Chinezen in de bieb. Ze zitten me aan te staren. Af en toe te mompelen. En naar me te wijzen. Hetgeen me beangstigt. Fokkin psychos. Iemand moet ooit toch es iets aan die lui doen.
“Wat zit je me aan te staren?”, roep ik naar die ene.
Hij zegt iets in het Chinees. Shit.
“Ja? Wat? Fuck. Als ik naar jouw land ga leer ik jouw taal ook.”
Nu roepen twee van die gasten naar me in het Chinees.
“Fuck dit. Nee jij, met je hoofd. Je moeder.”, antwoord ik. Ineens stat er zo’n bewakingskerel naast me. Of ik stil wil zijn.
“Ja gast, ik denk dat je bij die verdomde Chinezen moet zijn. Ik zit hier ook maar te werken, en die lui laten me niet met rust. Dus hen moet je hebben. Gesnopen?”
“Ik spreek geen Chinees, dus ik spreek jou er op aan.”, zei de bewaker. Daarna liep hij door. Lamme dienstknuppel.
De Chinezen bljven me achterdochtig aanstaren. Akelig volk. Schemerling schreef dat… Ik bedoel: ík schreef een paar maanden terug dat de Chinezen de Unie in het weekend beheersen, en ik denk dat het waar is ook. Ze zijn georganiseerd, bewegen in groepen, als… weet ik veel, raptors of zo. Ik vraag me af wie hun baas is. Als je zo’n baasfiguur uit de roulatie haalt (of beter nog: zijn plaats inneemt) beheers je volgens mij die godganse Uitwisselingsstudentenkliek. Hetgeen me op een idee brengt…

Oh kijk, ik heb weer bijna een bericht afgetypt. Om online te zetten. Wat gaat dat toch snel. Er is echt geen fuck aan. Whoop-tee-fokkin-doo. Wat? Hee. Ja, weet je wat? Ik heb een beter idee.
Ik schei ermee uit. Wat kan het jullie in foksnaam schelen dat ik me hier zit te vervelen? Het is eigenlijk zo verdomd autistisch om aan een weblog te schrijven, te denken dat je zo belangrijk bent dat iedereen er goddomme over moet lezen. Niemand geeft een fuck, als je er over nadenkt, eigenlijk. Natuurlijk ben ik gaaf en interessant, legendarisch en onvergetlijk, een paradigma voor de mensheid, maar ik kan mijn tijd beter besteden! En die therapeutische werking voel ik ook niet. Echte mannen typen niet, die hándelen!

Ik kap ermee. Deze Schemerling heeft er geen zin meer in.
Dag allemaal.