Archief voor februari 2009

De SchemerBijbel

februari 28, 2009

Ik werkte weer aan mijn SchemerHandboek voor uitgeverij Book-o-Look. Inmiddels heb ik al de nodige bladzijden bijeen getypt. Ik heb besloten hard door te werken, voordat de uitgeverij aan haar eigen wanbeheer ten onder gaat.

Hoofdstuk 5: Do’s and don’ts van het Schemerbestaan

Do:
-Je hoeft je ritme niet te wijzigen; ga overdag naar buiten, steel in de Schemering eten en goederen bijeen, maar ’s nachts kun je net als iedereen slapen. Onthoud: je bent geen vampier maar een Schemerling. Er zijn subtiele verschillen. Als Schemerling kun je gewoon knoflook eten, en je hoeft minder vaak mensen te bijten.
-Verander niet dwangmatig van locatie; als je het idee hebt dat je ergens goed verborgen zit kun je gerust een paar dagen blijven, zolang je er maar geen tenten opzet of een kleine nederzetting bouwt uit tafels en stoelen.
-Kén de plaats die je bewoont. Ken de geheime gangen, de vergeten onderhoudsruimtes, de personeelsleden en hun bewaarplaatsen. Eens kende ik een bibliothecaresse die de helft van haar inkomen in een laatje op haar werkplek bewaarde. Je kunt wel raden wat er met dat geld gebeurd is.
-Ontdek hoe de alarmsystemen werken; de meeste gebouwen die het schemeren waard zijn kennen zo’n systeem, dus leer dit te deactiveren dan wel te omzeilen.
-Enige kennis van het forceren van sloten kan een pre zijn. Heb je twee linkerhanden, ontdek dan waar de sleutels van het gebouw in kwestie bewaard worden. Zorg dat je altijd en overal toegang hebt!
-Blijf onder de mensen! Weet wat er leeft op de plaats die je je thuis noemt! Wees niet bang om af en toe gesprekken te voeren of evenementen te bezoeken, al is het maar om je verstand niet te verliezen.
-Vraag je af waaróm je dit ook alweer doet; als er geen goede aanleiding is om te gaan schemeren, keer dan ogenblikkelijk terug naar je veilige, oude leven. Huis-, tuin- en keukenproblemen zijn al die maanden van angst en waanzin die schemeren met zich mee brengt niet waard.
-Een vriendin nemen kan voor enige afleiding zorgen.

Don’t:
-Feesten geven in je schuilplaats is uit den boze (dit heeft als bijkomend nadeel dat al je gasten voortaan ook zullen weten waar je je verbergt).
-Luidruchtige vormen van entertainment aanschaffen is beslist geen goed idee (kijk bij voorkeur geen films en speel geen computerspellen in je schuilplaats. Als je perse een film moet kijken, dan geen Die Hard 4).
-Voorkom dat je sporen achterlaat (Zorg dat je altijd zo pakt dat je binnen een halve minuut verdwenen kan zijn, zonder iets achter te hoeven laten).
-Raak niet te zeer betrokken bij het wel en wee op de Universiteit. Voor je het weet zie je je geroepen snode lieden te dwarsbomen, allerlei sullen te helpen met hun problemen, richten mensen een fanhyve voor je op, en ben je een soort nationale knuffel-schemerling geworden.
-Een vriendin nemen kan voor enige afleiding zorgen.

Professor Luuk

februari 26, 2009

Luuk van Dijk stelde er prijs op dat we zouden lunchen, maar niet meer in de mensa.
“Nooit meer in de mensa, ik kan daar niet meer gezien worden”, zei Luuk, “Stel je voor dat professor Lodewijk Lommerbeek me daar zag. Ze zouden me achter mijn rug uitlachen, en geloof maar dat ze dat doen. Ach, de academische wereld is de middelbare school all over again. De achterbakse leugens. De intrige! Het is eenvoudigweg Hermansesk!”
Om deze reden zaten we in de Esplanade. Het was aardig, hoewel prijziger. In ieder geval waren hier vegetarische maaltijden, en spuugden ze minder snel in je eten.
“Ja, het lijkt me ook niets voor mij.”
“Wat wil jij dan met je leven doen?”, vroeg Luuk, “Je kunt niet voor de rest van je leven een blog blijven schrijven. Ik bedoel: het is verder leuk hoor, en ik lees het bij tijd en wijle graag, hoewel ik soms wenste dat je wat minder vaak zou updaten, want ik ben een drukbezet man, en kan me niet de hele dag met trivialiteiten als weblogs, koffiepauzes en… en… gesprékken bezig houden. Maar heb je geen plannen voor de rest van je leven?”
“Ik weet het niet…” Eerlijk gezegd had ik er een ontzettende hekel aan als mensen dit soort lastige vragen stelden. Het was zo confronterend. Steeds vaker besef ik dat ik hier op termijn weg zal moeten; ik zie alleen absoluut niet in hoe. Gelukkig was Luuk te veel met zichzelf bezig om op deze vraag nog in te gaan.
“Ik nader een doorbraak in mijn proefschrift”, zei Luuk van Dijk, “Ik voorzie dat ik binnen zeer korte tijd hoogleraar zal zijn.”
“Oh jee.”, zei ik, “Doet men gewoonlijk niet langer over een proefschrift? Een paar jaar bijvoorbeeld? In plaats van… drie maanden?”
“Tweeënhalf”, zei Luuk, “Maar mijn proefschrift wordt bijzonder goed. Bovendien heb ik zeer weinig hobby’s, zodat ik me er fulltime op kan storten. Ook heb ik voldoende aan vijf uur slaap per nacht. Dat is nodig ook, want ik moet mijn politieke rivaal Klaas Florijn voorblijven, die een scriptie schrijft met een probleemstelling die 180 graden staat op de mijne. Het komt er op neer dat hij wil bewijzen dat ik er naast zit, die snoodaard, dat de Europese Richtlijn Milieuaansprakelijkheid een fabel is. Dus moet ik hem op afstand houden, wat me natuurlijk des te meer motiveert! Het is een win-win situatie, voor mij.”
“En dan?”
“Ik weet het niet… professor worden? Ik ben bang dat ik het eindpunt dan wel bereikt heb. Vreemd, zo’n mensenleven. Het ene moment zit je nog vol dromen en ambities, en het volgende moment heb je al deze dromen waargemaakt en kun je net zo goed dood zijn.”
Ik word er zelf wat moe van als mensen allerhande ambities koesteren, waar ik waarschijnlijk nog jaren aan deze Universiteit vast zit. Misschien moet ik ook maar professor worden, in de Schemerkunde of iets dergelijks. Het Schemerhandboek zou míjn proefschrift kunnen zijn.

De Carnavalsdans ontspringen(2)

februari 23, 2009

De vorige keer werd onze held, de dappere en op een bepaalde manier ook aantrekkelijke Schemerling, ontvoerd door een stel carnavalsvierders. Weet hij op tijd te ontkomen? Lees dat in deel twee van het epos ‘Een Schemerige Carnaval’.

“Hos hos hos! Carnavallen in het bos!”, zongen de feestvierders, terwijl we langzaamaan richting het stadscentrum hosten, “Haat! Haat! Haat! Carnavallen op de straat!”
“CHEEEEUUNGE!!”, riep de Obama-vertolker voor me met een zwaar Tilburgs accent, “Ander liedje, graag!”
“It’s a god-awful small affair, to the girl with the mousy hair…”, zette de David Bowie kloon achter me in.
“Een carnaválsliedje!”, riep een kerel die verkleed ging als de kredietcrisis (hij had een zeer goedkoop kostuum in elkaar geflanst dat bestond uit een dalende beurskoers op zijn buik, en lege zakken die droevig uit zijn broek hingen. Uitslover.)
Ik liep er als een piratenspook tussen, kon geen kant op. “Laat me gaan! Ik vier geen carnaval!”, riep ik wanhopig uit, “Ik… ik ben een moslima! Zo zie ik er altijd uit!” Mijn kreten gingen verloren in het woeste gebrul.
“‘T is Carnaval, ‘T is Carnaval, we hebben pret voor tien! ‘T is Carnaval, ‘T is Carnaval, heb jij die clown gezien? Klapt steeds in zijn handen en draait dan in het rond. Clowntje kijk uit! Nu valt hij op de grond!”
Ik kreeg ineens een geopend blikje bier in handen gedrukt. “Drinkte hier maar uit”, zei Obama, “In de stad is uut pils een duppie duurder geworden! Verrekten appetjoeks dat het zijn!”
Met tegenzin nam ik enkele slokken van het lauwe bier. Ik werd meer en meer geïrriteerd van die handen op mijn schouders, maar hun greep was te sterk. Zeker tien minuten hebben we zo gelopen, over de Bredaseweg, terwijl ik de route probeerde te herinneren.
Er ontstond een opening. De kredietcrisis was misselijk geworden van al het hossen en rende naar de kant van de weg om te gaan overgeven, terwijl zijn gezellen bleven staan.
“Feddy kan niet tegen bier”, kakelde David Bowie.
“Fedje’s bierweerstand keldert nog sneller dan de beurskoersen!”, lachte een onsmakelijk dikke vrouw.
Ik ben er tussenuit geknepen. Het werd een moeizame ontsnapping. We waren al zo’n eind gevorderd op de Bredaseweg richting stadscentrum dat de narren overal waren. Om ons heen was een optocht in volle gang. Ik had het gevoel dat ik in een boze nachtmerrie verzeild was geraakt.
Ik heb daar dingen gezien die geen zinnig mens zou geloven. Ik zag volwassen mannen verkleed als baby’s, kinderen verkleed als Wall Street zakenmannen, baby’s als broodjes frikandel; ik zag dikke, baardige zeelieden met tatoeages in alle kleuren van de regenbogen, eiermensen twee aan twee huppelend van hot naar her, een manshoge haas die knabbelde aan de tenen van een jonge vrouw, de koning van Tilburg in zijn rode gewaad met een kroon die was gehouwen uit een gigantisch bierglas. Ik zag gigantische wagens die als woeste oorlogsmachines opdoemden boven de mensenmassa’s, figuren torsend van papier-maché die als krankzinnige parodieën op de mens confetti ophoestten over de verzamelde massa.

Carnaval in één foto opgesomd

Carnaval in één foto opgesomd

Zo veel indrukken, geluiden, kleuren! Ik wilde dat het ophield, dit vervloekte bacchanaal, ik wilde dat Tilburg zou eindigen, aan zijn eigen waanzin ten onder zou gaan! Een visboerin verscheen naast me, en duwde me een verrotte makreel voor mijn neus. “Vers gevangen in de Piushaven! AHAHAHAHAHAHA!”
“Dit is blasfemie”, stamelde ik, “Dit is waanzin!”
“Waanzin?”, bulderde een oude, tandeloze man in een matrozenpakje, “Dit is Carnaval!”
Ik greep me vast aan een lantaarnpaal om niet flauw te vallen, alleen was het geen paal die ik vastgreep maar een magere kerel op stelten. Hij boog zich naar me toe en ik deinsde achteruit; zijn adamsappel was zo groot als de zon!
“Kijk uit voor de steltenman!”, kreette hij, “De steltenman met zijn lange benen!”
“Kijk jij maar uit voor de grond!”, antwoordde ik, en ik stootte de man van zijn stelten. Met een getergde kreet stortte hij ter aarde.
Een vrouw gekleed als een enorme gele papegaai die het gebeurde had gadegeslagen begon te kakelen en kwam me, fladderend met haar vleugels, achterna gerend. “Kra! Kra! Klikspaan boterspaan, mag niet door mijn straatje gaan! Kra! Kra!”
Gillend sloeg ik op de vlucht. Ze volgde me, tot ik bij een vent die met brandende toortsen stond te jongleren een toorts weg graaide en één van haar vleugels in brand stak. Toen begon ze als een gek over de grond te rollen.
Het gaf mij het momentum om te ontkomen. Ergens ter hoogte van de watertoren vond ik een kinderfiets die niet op slot stond, waarmee ik terug naar de campus gefietst ben.
Dit soort problemen had ik nou niet gehad als ik gewoon in Groningen was gaan schemeren.

Carnaval tegen wil en dank(1)

februari 22, 2009

Ik haat Carnaval. Heb er niets mee. Stom feest. Stom gedoe.
Ik probeerde Zofia uit te leggen waar Carnaval om draaide. “It originally had something to do with the celebration of Lent. You had to fast during the weeks leading up to Lent, so when the day finally arrived, the people celebrated that they could eat again by… well, eating and partying. However, this got lost somewhere along the line, and nowadays Carnival is all about behaving like asshats for no apparent reason. It is dreadful, really. Ugly people who have no business being outdoors go out for just this one day and get drunk. Any sane person could see that it is stupid and pathetic. And that, my love, is what Carnival is.”
“Ah… You mean Karnawal? I know what that is. It sucks. I’m glad I will not have to see it. I go visit family in Lublin for couple of weeks. I will see you again after that, yes?”
“Yes. And I shall try to survive Karnawal in Tilburg… If I play my cards right I won’t have to know it’s Carnival at all.”
 
Oh, Ironie! Oh, wreed lot. Zo kwam de dag dat ik in de Black Box mijn roes lag uit te slapen. De avond ervoor was het laat geworden; ik had mezelf klem gezopen aan de tap van campuscafé Jef; nu het Carnavalsvakantie was kon dit iets gemakkelijker.
Ineens schrok ik op. Eerst was er de bonkende koppijn. Toen… voetstappen! Zo dichtbij! Er waren mensen in de hal van gebouw E, en het klonk alsof ze dichterbij kwamen, richting Black Box. Op een zondag, of all days! De dag van de Heer!
Voetstappen op de trap, een sleutel die in het slot van de ingang van de Black Box werd gedraaid… Ik zat in de val.
Er zat niets anders op. Uit de verkleedkist haalde ik een witte doek, waar ik twee gaatjes in knipte alvorens deze over mijn hoofd te werpen, en een gekke bril, die ik daar overheen opzette. Tenslotte plaatste ik mijn trouwe piratenhoed op mijn hoofd.
In mijn vermomming als piraat-spook begaf ik me de trap af, door de entree van gebouw E. Enkele oudere mannen, mogelijk conciërges, waren hier aan het werk met schmink. Ze keken verbaasd op toen ze me zagen, begonnen toen te lachen.
“Heeeu!” , riep ik hen toe.
“Kareeeeel!”, brulde een van hen. Ook zij waren Carnavalesk uitgedost. Het ging vast en zeker om een of ander intern bedrijfsuitje van een groep Uvt-medewerkers.
“Effe zeiken!” , zei ik, en strompelde het gebouw uit, “Zie je straks!”
 
Terwijl ik over de campus vluchtte, ver van de Esplanade vandaan, kwam ik terecht in een kleine stoet van zes, zeven man die zich vanuit het Wandelbos richting de stad bewoog. In mijn vermomming kon ik niet 360 graden om mij heen zien, en ineens voelde ik handen aan me. Een man verkleed als jaren ‘70 David Bowie, die als vanuit het niets was opgedoken, greep me bij mijn schouders en dwong me een gruwelijke polonaise in. Een kerel die in ‘blackface’ geschminkt was en een stropdas om had pakte mijn handen en legde die op zijn schouders.
“We gaan met zijn allen de stad in!”, riep er eentje, “Lekker zuipen en feesten, domme Kruikenzeikers die we zijn!”
“Het is weer Carnaval! Het is weer Carnaval!” , zongen ze, vuig en onmelodieus, “Het is weer Carnaval, en dan kan alles, alles al!”
Ik probeerde los te komen, maar de greep van de kerels om me heen was te sterk, en langzaam maar zeker werd ik de campus afgepoloneerd…

Zal Schemerling weten te ontsnappen van zijn belagers? Of valt hij ten prooi aan het syndroom van Carnaval? Dat lees je morgen!

De Goten komen

februari 21, 2009

Mijn goede vriend Alexander de Graaff zei dat hij iets bijzonders heeft gezien. Hij had het over een stelletje in het zwart geklede tieners die de afgelopen weken rond middernacht in de Oude Warande bijeen kwamen om daar in een kringetje in de struiken te zitten praten.
“Ik denk dat je het je verbeeld hebt”, merkte ik op, “Waarom zouden kinderen ’s nachts naar het bos gaan? Iedereen weet toch dat de lelijke mensen daar dan zitten? Het is geen veilige plaats.”
Dat weet hij best, zei Ziggy, Alexanders maat. Volgens haar had Alexander die nacht weer te veel gedronken.
Alexander de Graaff bleef echter volhouden dat de kinderen het bos in waren geslopen, dat ze elkaar uit een boek hadden voorgelezen, wat pentagrammen in het zand hadden getekend en vervolgens weer naar huis waren gegaan. Hij daagde me uit zelf eens een kijkje in het bos te nemen.

Omdat ik niet alles dat een stelletje eenden me vertelde automatisch voor waar wilde aannemen besloot ik zelf op onderzoek uit te gaan. Alexander zei dat hij de kinderen al op twee vrijdagavonden in het bos had zien zitten, dus verborg ik me de eerstvolgende vrijdagavond aan de rand van het bos in de struiken. Het was niet de meest interessante bezigheid, maar het is ook niet alsof ik veel meer te doen heb.
“Daar zit ik dan”, mompelde ik, “Ik had een CITO-score van 5.47, maar nu zit ik in de bosjes verstopt, als een een ordinaire struikrover. Ergens is er iets mis gegaan.”
Even na half twaalf zag ik inderdaad een tweetal jongens en een meisje het bos in gaan. Ik schatte hen een jaar of vijftien. Het meisje had lang zwart haar, droeg dikke zwarte make-up en een soort van zwarte jurk. De jongens ook. Ze praatten zachtjes, en slopen gebogen langs het huis bij de ingang van de Warande. Ik besloot hen te volgen.
“Hierheen.”, fluisterde het meisje.
Al snel weken ze van het pad af en gingen verder het bos in. Vanuit de schaduwen volgde ik hen naar een open plek, waar even geen bomen stonden. Ze gingen zitten, en een van de jongens klapte een boek open.
“Welkom, broeder en zuster”, zei hij, “We zijn hier vanavond bijeen om Pan te eren.”
“Pan”, zeiden de andere twee tegelijkertijd.
Ik moest moeite doen om niet in lachen uit te barsten. Wat een freakshow.
“Ik heb in mijn slaap met Pan gesproken. Hij zei dat we vannacht hier moesten zijn, en een offer aan hem moesten brengen.”, zei de jongen.
Een offer? Ik vreesde even het ergste voor die arme geiten in de nabijgelegen kinderboerderij, maar op dat moment had de jongen al een dood knaagdier uit zijn jaszak gehaald en in het midden van de open plek gelegd. Kennelijk werd Pan blij gemaakt met een dode muis. “Oh grote Pan, aanvaard alstublieft dit offer.”
“Oh grote Pan”, zeiden de andere twee tegelijkertijd.
Ik besloot hen eens aan het schrikken te maken. Deze lui vroegen er gewoon om. Mijn recente behulpzaamheid strekt zich alleen uit tot de mensen op mijn campus, niet tot hen die daarbuiten verkeren. Ik sprong uit de struiken te voorschijn, spreidde mijn armen. Slepend met mijn linkerbeen zwalkte ik op het drietal af, vreselijke kreten voortbrengend waar mijn keel nog steeds pijn van doet.
Het meisje zag me als eerste, en begon te gillen en te krijsen, te wijzen met haar vinger. De twee jongens lieten alle ridderlijkheid varen en sloegen als eerste op de vlucht, zonder nog naar haar om te kijken. Het meisje krabbelde overeind, en nog altijd wijzend deinsde ze achteruit.
Ik lachte boosaardig, hoopte dat ik hen een trauma had bezorgd. Toen pas besefte ik dat het meisje niet echt naar mij wees. Ze wees naar iets dat achter me stond.
Ik draaide me om. Vijf meter achter me wachtte iemand, een mensachtige figuur van een meter of twee lang. Hij leek Pan?licht te geven. Pan? Om een of andere reden heb ik nog een foto genomen ook.
Ik had ten minste nog de waardigheid niet te gillen. Ik riep het meisje slechts toe dat ze hier weg moest gaan en sloeg vervolgens meteen op de vlucht. Ik ben doorgerend tot ik weer veilig op de campus stond. Ergens halverwege mijn vlucht werd ik ingehaald door het meisje, dat ondanks haar jurk nog een stuk sneller was dan ondergetekende. Pijnlijk.

Nu zit ik veilig op de bovenste verdieping van gebouw M. De Warande is geen optie meer. Er is een reden dat ik niet meer in het bos kom, en deze gebeurtenis heeft me daaraan herinnerd.

De oude mensen

februari 19, 2009

Ik verbaas me over de overvloed aan oude mensen die ik bij tijd en wijle als studenten op de Universiteit tref. Ze verschijnen overwegend op de avonden. De grote snobs onder hen hebben hun bijenkorf in het Tias-gebouw, terwijl de rest het met de andere gebouwen moet doen.
Ik heb het hierbij niet noodzakelijk over de dertigers en de veertigers, hoewel ik die ook wel zie, maar over de zestigers, en zeventigers zelfs. Waarom studeren zij? Sommigen van hen zullen na het behalen van hun diploma onmiddellijk naar een bejaardenhuis moeten verhuizen of erger nog; omkomen voordat ze hun scriptie kunnen verdedigen.
“Mama, gaan we nu opa ophalen van school?”
“Nee kleine Timmy, opa is dood. Hij heeft zijn school nooit kunnen afmaken. En daarom moet je elke gelegenheid om te studeren aangrijpen, want voor je het weet is het te laat.”
Eigenlijk is het belachelijk. In plaats van dat ze hun kinderen en kleinkinderen bijstaan en belonen wanneer die voor hun scholen slagen, worden deze ineens geacht de oude mensen te steunen in hun onredelijke verlangen nog een titel voor hun naam te zetten.
De campus kennen ze ook al niet. Ik heb dikwijls groepen kibbelende oude mensen gezien, die de weg zochten naar het Tias-gebouw.
“In mijn tijd hadden we alleen gebouw A en gebouw B, en daar hadden we voldoende aan”, bromde een oude man.
Zouden ze postuum op een titel hopen? Willen ze ten minste nog enig diploma hun graf mee in nemen? Zouden ze zich Pas op, oude mensen!stiekem ook te buiten gaan aan drank en seks, net als alle studenten? Ik heb eenmaal een oude lullen college bijgewoond, en dat wast niet heel anders dan de meeste colleges, behalve dan dat er meer gehoest werd, meer gekraakt werd met de gewrichten, meer gekermd en gekreund en gejammerd van “Het weer, mijn botten, zo koud, de jeugd, mijn kinderen, mijn blaas, mijn Alzheimer, de hoofdzuster, begrafenissen, Magere Hein…”

Waarschijnlijk is het toch een soort van bezigheidstherapie. Gepensioneerde lieden die niet de hele dag bij hun echtgenoten en kinderen willen verblijven, en een uitweg zoeken op de campus.
In zekere zin zijn ook zij Schemerlingen. Pas in het duister vertonen ze zich op de campus, deze lieden in hun schemerjaren. Ze dwalen ongericht in het rond, op de vlucht voor hun afkomst, hun thuis.
Is dit mijn toekomst?

SchemerVriendin

februari 17, 2009

Nu Zofia mijn vriendin was zag ik me geconfronteerd met een hoop nieuwe verplichtingen. Blijkbaar werd ik geacht haar twee a drie keer per week te zien, waarbij we samen uitgingen, over onze dagen praatten en zo nodig de liefde bedreven. Het klonk verdacht veel als werk.
De eerste hindernis wierp zich op toen ze mijn huis wilde zien. “Why don’t you invite me to your place? I want to stay over.”
“What’s wrong with your place?”
“The Chinese on my floor… they are always fighting. With knives. It is unpleasant.”
De Chinezen waren de laatste tijd inderdaad vaak aan het vechten, ook op de campus. Er moest weer een bendeoorlog aan de gang zijn.
“Well, my place is… it’s haunted.”
“I do not understand…?”
“There are ghosts.”, verduidelijkte ik.
“Don’t be silly. Are you ashamed of me?”
“No, but I… I still live with my parents.”
“Do you not want your parents to know me?”
“My dad hates Polish people! He fought in the… Crimean war, with Poland. They call him the Major. He lost his entire squad to Polish snipers. Most of the time he sits in a rocking chair in our backyard, shooting at passersby with a hunting rifle.”
“I thought you were exchange student. Stop lying to me.”
“My house just isn’t a very romantic place. I shall try to find someplace more suitable…”

owlsDus nam ik haar mee naar de Portrettenzaal, een van de weinige zalen op de campus die enig prestige uitstraalt. Hier wilde ze niet te lang blijven; ze voelde zich bekeken door al die grimmige, hevig bebaarde oude mannen aan de muur. Hierna probeerde ik de fontein, waar het gezellig was, en ik haar hand mocht vasthouden, tot een dikke eerstejaars in verband met een weddenschap in het koude water besloot te duiken.
“Ik zei nog zo: geen bommetje!”, riep een van zijn maten. Dit was inderdaad een zeer geschikt moment om een reclameslogan die een jaar of vijftien geleden al niet leuk was te herhalen.
“Why do we have to go on campus?”, vroeg Zofia, terwijl ze met een tissue het water uit haar gezicht veegde, “I want to see more of Tilburk now.”
“No, you don’t.”, zei ik vlug, “Tilburg is an awful, awful town, and dangerous too. In the north, packs of feral dogs roam the streets, while the west is a barren wasteland of deserted suburban houses. Really, the campus is the best place to be.”
“Alright, then you find nice place on campus. And not one that has fat guys jumping in water. I hate fat people.”

En dus moet ik weer op zoek naar geschikte locaties op de campus. Weet iemand nog romantische plaatsen te vinden? Het bos lijkt me op zich niet verkeerd, maar om eerder uiteengezette redenen kom ik daar liever niet te vaak. Misschien zelfs een wandeling richting het Sportcentrum, maar verder wil ik echt niet gaan.

Super Schemerling Valentijns-special!

februari 14, 2009

Dit keer moest ik de locatie van mijn afspraakje met Zofia uitkiezen. Ik besloot haar uit te nodigen in de Black Box, op een zaterdagavond.
“Are you really sure that building is open then?”, vroeg ze, “I think University close at 6.”
“I’ll make sure you can get in”, zei ik, “I’ll meet you in the Black Box at 7.”

Van tevoren heb ik me verdiept in de bediening van de lichtspots, niet zonder succes. Op het moment dat ze de Black Box binnen kwam was ik in staat haar in het licht te baden. Tevens had ik een piratenhoed opgezet en een lapje voor mijn oog gedaan.
Verblind door het licht staarde ze naar boven. “What happens here?”
“Aaarh, me hearties!”, riep ik naar beneden. Ik zwaaide met een kledinghaak die ik uit een hanger had getrokken.
“Who is this?”, knipperde ze.
“Just me. Ahoy!”
“Vlad? Why are you dressed like pirate?”
“Shiver me timbers! Because it’s International Dress Like A Pirate Day of course!” Ik weet overigens niet of deze dag echt bestaat. Wel is er een International Talk Like A Pirate Day, maar die is op 19 september.
Ik hield de spot op het midden van de zaal en kwam naar beneden. “Here. Take this eye-patch. Now you are a pirate too.”
“I want to be cowboy.”
“Well, that’s a shame. I left the cowboy hat upstairs, and I’m not going to get it. Hey, do you know why pirates have such trouble speaking? Arrrrrticulation!”
“Is that joke? I do not get it.”
“Never mind.”
Ik vouwde een zeil open en spreidde dit uit over de vloer. Daarna haalde ik mijn picknickmand uit mijn tas. Inhoud: alles dat ik na sluitingstijd vrijdagavond nog in de mensa kon vinden. Broodjes, krentenbollen, sandwiches, croissants, salades, eieren zelfs. Het was een heus feestmaal!
“Wow… you brought a picknick?”
“Sure did. Now, you don’t want to touch the croissants, as they’re probably a few days old, and I’m not sure about the eggs either, but the sandwiches should be safe, and I just tasted the salad and it seemed fine to me.”
“Vlad, this is wonderful.”

Ja, wonderful indeed. Onder het licht van de spots hebben we gepicknickt. Het was magisch, al draafde ik misschien wat door in mijn piratenspraak.
“Aye, fair lass, would you mind if I fired me cannon through your porthole?”
“Will you stop talking like pirate now? I cannot understand what you are saying.”
Ze ging iets dichter bij me zitten, wat me een beetje verontrustte. “I like you.”
“Fair enough. I’m a likable guy.”
“Today is… how do you say it… Walentynki.”
“Sounds like a vampire king.”
“No, is special day in February.”
“You mean St. Valentine’s Day?”
“Yes. That one. Do you have girlfriend, Vlad?”
Zoals vaker wanneer ik zenuwachtig was praatte ik wartaal. “I used to have one, but on the eve of our engagement my commanding officer in Russian Army demanded her for himself, and…”
Ze kuste me.
Het was aan.

Reclame

februari 13, 2009

“We zijn al met de promotie van je boek bezig, als je dat maar weet”, zei Geert de Groot. Hij was weer een dagje naar Tilburg gekomen, waarom precies weet ik niet, want alles dat hij met me bespreekt had ook veel beknopter in een telefoongesprek gekund.
“Wat? Maar ik ben pas net begonnen.”
“Maakt niet uit. We willen mensen vast warm maken. En het is niet alsof we er overdreven veel geld in hebben gestoken. Book o Look doet alles zo goedkoop mogelijk. Onze grootste winst halen wij uit onze lage overhead.” Toch stond hij er op dat we in de Esplanade een hapje aten en niet, zoals ik had voorgesteld, in de mensa.
“Low overhead, that’s the name of the game.”, vervolgde hij, “Je kunt op zoveel dingen besparen. Wij werken niet met brieven, maar met mails. We hebben geen betaalde secretaresses of typistes, maar de autistische moeder van mijn schoonzus. De meeste bedrijven schrijven zich meteen in bij de Kamer van Koophandel, maar wij niet, want dat kost ook weer van alles.”
“Ben ik het enige boek dat de komende maanden bij jullie uit komt?”, vroeg ik.
“Nee, nee, we hebben er verschillende. We hebben ook een mooie dichtbundel van het nichtje van mijn schoonzus. Dat kind is verstandelijk gehandicapt, zwaar autistisch, het zit in de familie daar, maar ze maakt de prachtigste gedichten. We hebben verder een soort van innovatief kookboek, dat zeg maar koken probeert te combineren met het opruimen van je koelkast en vriezer. Anything goes, zeg maar.”
“Klinkt… boeiend.”
“Ja, het is allemaal zo origineel dat we er wel een gat in de markt mee móeten hebben. Het zou helpen ook, want we moeten wel wat successen hebben om uit de kosten te komen. Het is niet gemakkelijk om met zijn drieën een uitgeverij op te zetten. Gelukkig heeft de vader van mijn schoonzus een flinke investering in ons gedaan. Die man krijgt maar de helft door van wat hij doet, hij is zwaar…”
“Autistisch?”
“Ja precies. Maar ik denk dat het met je boek wel goed komt. Je hebt toch wel aan je vrienden en familie doorgegeven dat ze je boek moeten kopen? Als ik heel eerlijk ben denk ik dat we het daarvan moeten hebben; mond op mond reclame.”
“Tja, over die vrienden en familie… het is lastig. Ik ben Schemerling, weet je nog wel?”
“Ja, ik begrijp het. Nou ja, we maken in ieder geval geen onnodige kosten op je boek, dat zal schelen. Oh trouwens, je bent van hart uitgenodigd voor een diner dat we over een week of drie geven voor onze debutanten van dit jaar. Inclusief één introducé.”
“Zou je daarmee niet wachten tot het boek af is…”
“Ik zie niet in waarom. Het is nu toch zo goed als zeker dat het er komt…?”

Pleitbezorger

februari 11, 2009

Aangetrokken door het zicht van vers belegde broodjes begaf ik me tussen groepen in pak gestoken studenten, een bevolkingsgroep uit mijn Rijk die ik gewoonlijk liever mijd, daar ik in mijn versleten spul nogal uit de toon pleeg te vallen. Om bij de broodjes te komen moest ik echter hun ziekelijke gebrabbel trotseren.
“Banningh”, zei er één, “Als ze me meer bieden dan Bird & Bird natuurlijk.”
“Kostelijk”, lachte een ander, “Blijf jij maar lekker in de subtop, dan werk ik ondertussen voor AKD. Binnen een jaar heb ik acht jacuzzi’s bijeen verdiend, en een groot deel van het maanoppervlak, dat ik tegen woekerprijzen aan armlastige illegalen zal verhuren.”
“Landsadvocaat!”, brulde een derde er tussendoor, “Landsadvocaat! Ik kén de Landsadvocaat!”
Terwijl ik mijn vierde en laatste broodje kaas naar binnen werkte begon de gang voor de aula leeg te stromen.
pleitend“De tweede ronde van de Nationale Snelpleit Wedstrijd zal over vijf minuten aanvangen!”, riep een meisje.
Ik wilde mee weggaan, toen iemand me iets toe riep.
“Zaalwacht! Huw! Zaalwacht! Breng ons naar onze locatie! Huw!”, klonk een stem met een zwaar Amsterdams accent.
Ik draaide me om. De jongen die me had toegesproken droeg een net pak met manchetknopen en had het dikste gezicht dat ik ooit had gezien. “Kom op, zaalwacht! We moeten naar lokaal CZ112. Waar is dat ergens?”
“Sorry, maar ik ben niet…”
Jabba de Pleit haalde een briefje van vijf euro uit zijn portemonnee en bungelde het voor mijn gezicht. “Zie je dit? Dit is waarschijnlijk meer dan je in een jaar verdient, knul. Dit is voor jou als je mij en mijn ‘old boys network’ naar lokaal CZ112 van dit armzalige excuus voor een universiteit brengt.” Hij liet het briefje vallen. “En poets mijn schoenen ook maar als je toch daar beneden bent.” Zijn maten lachten gnuivend.
Ik raapte het geld op. Het was en bleef vijf euro.
“Volg mij maar.”, zei ik.
“Prima. Op naar onze volgende overwinning. Onthoud goed: mensen zoals wij winnen altijd!”
Ik leidde hen door de glazen gang naar buiten, en verder; een fraaie gratis tour over de koude, regenachtige campus.
“Schiet je wel op, inboorling? We worden over een paar minuten ter plaatse verwacht.”
“We zijn er bijna”, hield ik vol, “Het is een grote campus.”
Ik heb ze mee geloodst met de lift naar de bovenste verdieping van gebouw S, die thans nog grotendeels leeg staat. In een leeg lokaal heb ik ze laten wachten. “Het andere team wordt nu ‘gebrieft’ in het lokaal hiernaast. Wacht hier tot ik jullie weer kom halen.”
Vervolgens ben ik er vandoor gegaan, met de lift negen verdiepingen naar beneden. Daar heb ik gewacht, terwijl ik periodiek op de knoppen drukte om de lift beneden te houden. Tien minuten later hoorde ik het viertal rechtenstudenten naar beneden komen rennen en heb ik me achter de trap verschuild. Puffend en hijgend en met rode koppen kwamen ze langs gejogd. Jabba de Pleit zag er uit of hij een hartaanval ging krijgen, die ik hem van harte toewenste.
Ze kunnen onmogelijk op tijd bij de zitting zijn gearriveerd. Ik ga er vanuit dat de tegenpartij bij default tot winnaar is gekozen. Het voelt heerlijk om goede daden te verrichten.