Op de parkeerplaats achter de campus trokken twee jongens een passant van zijn fiets. Ik zag het vanaf een afstandje gebeuren. Even twijfelde ik over de juiste gang van zaken. Het probleem zou zichzelf vast oplossen. Dit was wat problemen deden… meningsverschillen, ruzies, de recessie, de holocaust… ze losten zichzelf op. Toch?
Wat voor mij de doorslag gaf was dat het half elf ’s avonds was, er geen bewaking of niets in de buurt was en de twee jongens de andere jongen begonnen af te rossen. Íemand moest ingrijpen. Ik sloop op het drietal af.
“Klootzak, geld!”, snauwde de grootste schoft. Hij stompte de gevallen jongen in zijn maag. “Waar is je portemonnee?”
“Nee…”, jammerde de jongen op de grond.
“Niet zo traag!”, schopte een der schoften, “Geef antwoord op mijn vraag! Waar is je geld?”
“In mijn broekzak”, kreunde het slachtoffer. Ik naderde ongezien.
“Haal het er uit!”, gebood de belager, “Ik ga niet met mijn handen in je broekzak zitten! Dat zou je wel willen, he? Homo!” De arme jongen kreeg weer een schop. “Haal het eruit! Of wil je soms een pak slaag?”
“Een andere keer maar niet vandaag!”, kwam ik tussenbeide. Typisch een geval van ‘life imitating art imitating life’… Ik sloeg de voorste schoft met vlakke hand in zijn gezicht. Daarna trok ik de ander aan zijn haar. Daarna herinnerde ik me dat ik eigenlijk nooit heb leren vechten, en ik sloeg op de vlucht.
“Pak die kutmongool”, zei een van de twee schoften. Ze kwamen achter me aan gerend, lieten hun eerste slachtoffer voor wat het was. Ik ga er voor dit verhaal maar van uit dat hij is ontkomen.
“Harder rennen, teven!”, riep ik hen over mijn schouder toe. Dat deden ze. Ze renden harder, en liepen op me in ook. “Laat maar! Ren zachter, zachter!”
De voorste schoft kwam vlak achter me, hoefde zijn hand nog maar uit te strekken… toen er plotsklaps een bruine eend de struiken uit kwam gewaggeld. De schoft zag in het donker niet wat er gebeurde, struikelde over het luid kwakende dier, en landde met zijn gezicht in het zand. Zijn partner, die vlak achter hem liep, donderde er achteraan. De eend waggelde vrolijk kwakend door, verdween aan de andere kant van het pad de bosjes weer in.
En ik, ik ontkwam! “Bedankt voor het komen en een goede reis terug!”, riep ik hen na. Helaas was dat het beste dat me te binnen schoot. Ik had wel kunnen zingen.
Nu ben ik dus een held van de campus. De cirkel is rond.
Ik hield op met schrijven. Dit druiste in tegen alles waar mijn schemerbestaan voor stond. Als ik toch ging liegen kon ik maar net zo goed ‘all-out’ gaan.
richting in, en een vlug oordeel werd geveld over de toegevoegde waarde die wij voor de aanwezigen konden hebben. Vooralsnog werd die waarde blijkbaar gering geacht, want niemand voegde zich bij ons.

“Het vliegtuigske is neergestort, he”, zegt Bart Peeters, “En er vliegen vanavond geen vliegtuigen meer naar Belgique. We zullen hier moeten overnachten. Aiaiaiaia.”
zijn en dat de man Martius Primus, de voormalige praeses van Habakuk is. Ik dacht dat hij in de gevangenis zat.