Archief voor maart 2009

Campusking

maart 30, 2009

Op de parkeerplaats achter de campus trokken twee jongens een passant van zijn fiets. Ik zag het vanaf een afstandje gebeuren. Even twijfelde ik over de juiste gang van zaken. Het probleem zou zichzelf vast oplossen. Dit was wat problemen deden… meningsverschillen, ruzies, de recessie, de holocaust… ze losten zichzelf op. Toch?
Wat voor mij de doorslag gaf was dat het half elf ’s avonds was, er geen bewaking of niets in de buurt was en de twee jongens de andere jongen begonnen af te rossen. Íemand moest ingrijpen. Ik sloop op het drietal af.
“Klootzak, geld!”, snauwde de grootste schoft. Hij stompte de gevallen jongen in zijn maag. “Waar is je portemonnee?”
“Nee…”, jammerde de jongen op de grond.
“Niet zo traag!”, schopte een der schoften, “Geef antwoord op mijn vraag! Waar is je geld?”
“In mijn broekzak”, kreunde het slachtoffer. Ik  naderde ongezien.
“Haal het er uit!”, gebood de belager, “Ik ga niet met mijn handen in je broekzak zitten! Dat zou je wel willen, he? Homo!” De arme jongen kreeg weer een schop. “Haal het eruit! Of wil je soms een pak slaag?”
“Een andere keer maar niet vandaag!”, kwam ik tussenbeide. Typisch een geval van ‘life imitating art imitating life’… Ik sloeg de voorste schoft met vlakke hand in zijn gezicht. Daarna trok ik de ander aan zijn haar. Daarna herinnerde ik me dat ik eigenlijk nooit heb leren vechten, en ik sloeg op de vlucht.
“Pak die kutmongool”, zei een van de twee schoften. Ze kwamen achter me aan gerend, lieten hun eerste slachtoffer voor wat het was. Ik ga er voor dit verhaal maar van uit dat hij is ontkomen.
“Harder rennen, teven!”, riep ik hen over mijn schouder toe. Dat deden ze. Ze renden harder, en liepen op me in ook. “Laat maar! Ren zachter, zachter!”
De voorste schoft kwam vlak achter me, hoefde zijn hand nog maar uit te strekken… toen er plotsklaps een bruine eend de struiken uit kwam gewaggeld. De schoft zag in het donker niet wat er gebeurde, struikelde over het luid kwakende dier, en landde met zijn gezicht in het zand. Zijn partner, die vlak achter hem liep, donderde er achteraan. De eend waggelde vrolijk kwakend door, verdween aan de andere kant van het pad de bosjes weer in.
En ik, ik ontkwam! “Bedankt voor het komen en een goede reis terug!”, riep ik hen na. Helaas was dat het beste dat me te binnen schoot. Ik had wel kunnen zingen.

Nu ben ik dus een held van de campus. De cirkel is rond.

‘Pas op voor de Schemerling!’, deel 2

maart 27, 2009

“Oeh, aah, Schemerling!
Jaag de vijand over de kling!
Bestrijd onrecht in de collegezaal”
“Ik help jullie allemaal!”
“Jij bent echt de campusking!!!
en het is een lekker ding!”

Gedurende het hierop volgende uur werd mijn stuk ‘Pas op voor de Schemerling!’, het stuk dat ik op een kwade dag in de regiekamer van de Black Box had laten slingeren, opgevoerd door deze… deze amateurs. Hoewel de dialogen uit mijn stuk door hen vrij trouw werden overgenomen waren ze bepaald niet trouw gebleven aan de boodschap van mijn stuk, die meermalen op beestachtige wijze werd verkracht. Bij mij was de Schemerling een nobele held die de onhandige studenten voor onheil behoedde en hier in zijn persoonlijke geluk onder leed, maar in het stuk hadden ze hem bepaald niet sympathiek en nogal tragisch gemaakt.
“De mens is de mens een wolf”, bleef hij maar zeggen, terwijl hij links en rechts medestudenten tartte en treiterde, en de lijken zich om hem opstapelden.
Om een of andere reden hadden ze er ook liedjes ingestopt.
“Ik doe mijn best! Ik doe zo graag zo goed!”, zong de nogal onaantrekkelijke, labiel ogende slungel die ze de Schemerling hadden laten spelen, “Ik ben een mens! Een mens van vlees en bloed!”
“Van bloed! Van bloed!”
, zong het koor.
“Heeft een Schemerling geen ogen?”, zong Schemerling, “Als je hem snijdt, is er dan geen bloed?”
“Hij bloedt! Hij bloedt!”
“Why is dragon singing?”, vroeg Zofia, “Is he not guarding treasure?”
“No, he was just mortally wounded by a knight backstage. Now he’s singing about that.”

Zelfs de slechte rector en zijn kanselier kregen hun eigen liedje.
“Mij kwam ter oren, heren…
een kink in onze kabel, man!”
, zong de kanselier.
“We zullen het bezweren,
er is geen gebrek in ons plan!”
, antwoordde de rector.
“Maar… wat dan van…
die geruchten dat de man,
die Schemerling, het tij zal keren?
En ons een lesje zal gaan leren?
Terwijl studenten hem vereren?”
“Die Schemerling, die moet er an!”

Het geheel eindigde met een explosieve confrontatie tussen de slechte rector Grimhardt en de nobele Schemerling. Omdat in deze scene, net als in een aantal andere scenes, het licht was gedempt was het voor het publiek vrijwel onmogelijk om op te maken wat er precies gebeurde. Ik geloof dat er werd geïmpliceerd dat de Schemerling de snoodaard doodde, want daarna was er nog een uitgebreid eindlied, met Schemerling-dansers en wat niet al. “De campus is gered”, zongen ze, “Schemerling is de held! Hij heeft alles rechtgezet, waar nodig met geweld!” Maar goed, misschien is het beter om de tekst voor zichzelf te laten spreken…

“That was strange play, but I liked songs.”, zei Zofia na afloop, “Did they ever find treasure? It seems it was much more about dragon than finding treasure. Why was dragon getting on train at end of play? I have never seen dragon on train here.”
“I think the dragon was a metaphor, for fate or misfortune”, zei ik, “And the treasure was a lie. It was about one man’s journey of self-discovery. Or something like that. I’m not that artistic.”
“I prefer Othello…”

‘Pas op voor de Schemerling!’

maart 26, 2009

Zofia wilde iets cultureels doen, dus ik nam haar mee naar een uitvoering van de lokale toneelvereniging in het Dante-gebouw. Ik had me niet echt verdiept in het stuk, maar de kaartverkopers verzekerden me ervan dat het een zeer mooi en zelfs romantisch stuk was over de alledaagsheid van helden of zoiets lams. Bovendien ging het om een try-out, waardoor ik de kaartjes praktisch voor nop kon krijgen. Het was dan wel Nederlandstalig, maar Zofia volgde een cursus bij het Talencentrum, en ze meende dat dit een goede oefening zou zijn.We namen plaats in de zaal, die voor ongeveer de helft vol zat. Normaal zou ik nerveus worden als ik in zo’n volle zaal zat, maar met mijn vriendin bij me was het iets normaler, iets geaccepteerder. Zo’n duister figuur dat in zijn eentje op de achterste rij zat viel op, koppels wat minder.
Zofia klapte enthousiast in haar handen. “This is so much fun. I really like plays. You know Shakespeare?”
“Eddie Shakespeare? The blind accordionist from Eindhoven?”
“No, don’t be so crazy. William Shakespeare. Have you seen him?”
“I’m glad I haven’t. He’s been dead for 400 years. The smell would be awful.”
“I mean his plays… King Lear? MacBeth? Hamlet?”
“I have heard of them.”
Ze keek omhoog, klapte in haar handen toen de spotlights aan gingen. “When I was young girl I did theatre. I love it. I love it when the spotlights are on me.”
Dit gevoel deelde ik bepaald niet. “I prefer the twilight…”

Het stuk begon. Ik zag een leeg podium. Op het bord op de achtergrond was met krijt ‘De Campus, A.D. 2009′ geschreven. Dat was dus het decor. Simpel maar doeltreffend. Twee acteurs kwamen op en wandelden in het rond voor de foto van de campus.
“Heb je de verhalen gehoord?”, vroeg de één.
“Over die mysterieuze figuur die over de campus ronddwaalt?”
Ik greep mijn stoelleuning vast om niet uit mijn stoel te glijden. Dit kwam me zeer, zéér bekend voor.
“O ja, ze zeggen dat hij strijdt voor alles dat goed en rechtvaardig is.”
“Zijn naam? De Schemerling!”
Mijn stuk! Ze voerden mijn stuk op! Ze… die toneelfiguren moesten mijn script hebben gevonden, dat ik maanden geleden in de Black Box heb laten slingeren, en nu voerden ze het op! Ik was zowel vereerd als doodsbang, en ik had niet eens royalties gekregen!
Zofia stootte me aan. “You have to translate for me. My Dutch is not so good yet. What are they saying? And don’t look so horrified.”
“Just some exposition. They’re talking… they’re talking about… about a fabled treasure that is hidden beneath this university. It is guarded by a dragon.”
“And now? Who is that dark guy? Why is he in shadows? I cannot see him very well.”
“He is supposed to be the dragon. They did not have the budget to get a real dragon.”
“Are you sure? It just sounds… weird.”
Het werd nog veel vreemder toen de acteurs begonnen te zingen…

WORDT VERVOLGD

Debet

maart 24, 2009

Een debat op een dinsdagmiddag. Het is niet de eerste dergelijke gelegenheid die ik hier op de campus bijwoon, en zeker ook niet de laatste. Zofia zal trots zijn als ik me wat meer onder de mensen begeef en me wat minder afzonder, daarom schuif ik aan.
Het debat is al in volle gang als ik binnen kom. De discussie, waarvoor zowel studenten van de economische als van de rechtenfaculteit zijn komen opdagen, gaat over de eeuwige strijd tussen economie en recht. De stelling luidt dat de media de economische crisis alleen maar aanwakkeren door er zo uitgebreid en gretig over te berichten, en dat deze gretigheid wellicht aan banden zou moeten worden gelegd. Een jongen met haar zo blond dat het pijn aan mijn ogen doet betoogt dat wellicht gebruik gemaakt kan worden van een soort gedragscode, waaraan kranten en nieuwszenders zich zouden moeten houden. ” Het blijft een feit dat we met een crisis kampen” , besluit hij, ” En die moet koste wat kost worden bezworen, ook al wordt de media wat ingeperkt.”
Het woord voeren is de beste manier om onder de mensen te komen. Ik besluit ook iets te zeggen, en sta op. “Ik ben het niet helemaal met je eens. Die hele economische crisis is mijns inziens slechts stemmingmakerij. We hebben nog geen bewijzen dat deze er echt is, op wat kelderende koersen na. Het is hetzelfde als met de Lijst Rita Verdonk. Hoewel in de peilingen wordt aangegeven dat ze nu het grootste aantal zetels zou hebben kan dat bij verkiezingen nog wel eens heel erg meevallen, want mensen plegen op zo’n moment toch nog van gedachten te veranderen. Als Obama eenmaal is ingezworen als president slaat deze zogenaamde economische crisis vast weer om. Bovendien woedt deze vermeende crisis in Amerika. Hier in Nederland merken we er nog niets van. Ik niet, ten minste. Mijn koopkracht is onveranderd, en ik verwacht dat dit de komende jaren nog wel zo blijft.”
Een enigszins verblufte stilte volgt. Ik ga er van uit dat ze onder de indruk zijn. Dit valt tegen. Als er weer verder wordt gedebatteerd is het alsof ik niet gesproken heb. Er wordt niet ingegaan op mijn bijdrage; ik word gemarginaliseerd, genegeerd zelfs. De rest van de discussie geeft de debatleider mij niet langer het woord.

Pas als ik na de discussie voor het eerst in lange tijd weer eens naar nu.nl surf en opmaak dat er wel degelijk een crisis is, dat Rita Verdonk slechts nog in de marges opereert, dat Theo van Gogh dood is, dat er banken ten onder zijn gegaan en dreigen te gaan, dan pas besef ik waar ik met mijn argumentatie de mist in ging.
Dit is de eerste keer dat ik er zo direct mee geconfronteerd ben dat ik door mijn Schemerbestaan al weken, maanden, jaren geen nieuws meer volg. Misschien is het goed om af en toe weer eens een krant open te slaan, de gordijnen open te doen…

Voorpublicatie

maart 22, 2009

Geert de Groot belde. Om de uitgever te woord te kunnen staan heb ik een nieuwe mobiele telefoon in gebruik genomen. Heel handig was het niet; de mobiel behoorde ooit toe aan de een of andere voorzitter bij een studentenvereniging, en voortdurend word ik gebeld door lieden van diverse instanties die symposia willen plannen en met uitnodigingen voor borrels komen.
“Het enige symposium dat ik plan is een lezing over mijn dolk in jouw keel, he-bitch”, sis ik ze toe. Bijna had ik bij Geert hetzelfde gedaan, ware het niet dat hij voor de zekerheid altijd roept dat hij het is.
“Scheem! Scheem! Ik ben het! Niet ophangen! Goed volk!”
“Ik hoor het.”
“Hee Scheem, hoe is het ermee?”, vroeg Geert de Groot, enthousiast als altijd.
“Ja. Goed hoor.”, zei ik.
“Ook privé alles oké? Geen ziekten of zo?”
“Neen, niet echt.”
“Mijn vriendin heeft blaasontsteking en zelf ben ik wat verkouden, vandaar dat ik het vraag.”
“Neen, ik ben kerngezond.”
“Even afkloppen. Maar goed, waar ik dus over bel, effe een vraagje. We gaan zeg maar een soort foldertje uitbrengen met reclame voor alle boeken die dit jaar bij ons zullen uitkomen, zo ook dus jouw boek.”
“Ah ja. Ik heb er nog behoorlijk aan gewerkt, en zit nu op 60 bladzijden Times New Roman, lettertype 12, regelafstand enkel.”
“Goed, heel goed. Heb je ook al stukken die je nu al voldoende gepolijst voor publicatie acht? Het hoeven maar korte stukken te zijn, maar wel iets pakkends graag. Zit er een moord in? Dat pakt de lezer altijd, een moord. Of misschien een controversiële uitspraak jegens een geloof of zo.”
“Ik schrijf een handboek…”
“Ja, da’s lastig, lastig. Nou ja, er zit vast wel iets heel pakkends in, over hoe je vallen moet zetten op de campus? Zet je wel eens vallen voor je gaat slapen? Om je achtervolgers te slim af te zijn? Ene John Rambo deed het; ik zag laatst een documentaire over de man. Hij was een Vietnam-veteraan die in de problemen kwam, en hij werd vele kilometers lang opgejaagd door de politie, maar hij wist ze voor te blijven.”
“Ja, maar… ik zet eigenlijk nooit vallen uit. Het is zeer onhandig. Veel gedoe, en als iemand er intrapt dan wordt de beveiliging alleen nog maar verstevigd.”
“Het is wel iets dat mensen interesseert. Iets om het een beetje zo’n survivalgevoel te geven.”
“Ja… ik, ik kan wel iets schrijven.”
Ik hing op. Met een diepe zucht ging ik aan mijn werk. Blijkbaar moest ik nu voortaan ook vallen gaan uitzetten.

‘Val nooit onvoorbereid in slaap. Zet vallen uit rondom elke gang of lokaal waar je een uiltje knapt. Zelf slaap ik niet op de campus zonder van te voren verschillende struikeltouwen te spannen, emmers boven deuren te zetten, en muizenvallen te zetten.’
Val!!!Ik hield op met schrijven. Dit druiste in tegen alles waar mijn schemerbestaan voor stond. Als ik toch ging liegen kon ik maar net zo goed ‘all-out’ gaan.
‘Als je via via aan een berenklem kan komen zal dat ook zeker geen kwaad kunnen. Zet hem uit dicht bij de ingang van je slaapzaal, en wacht tot zo’n akelige bewaker er zijn been in verliest! Vergeet de volgende ochtend niet waar je hem hebt neergezet!’

Duck and cover

maart 20, 2009

Zofia en ik waren op bezoek bij Ziggy en Alexander de Graaff. Momenteel wonen ze aan het rechtereind van de halve slotgracht om de campus. Ik breng ze nog steeds met enige regelmaat iets te eten, en toen ik van de week liet vallen dat ik een vriendin had stond Ziggy er op dat we met zijn vieren gingen lunchen.
Zofia had er echter weinig zin in. “I don’t hate ducks. But they are not special. Why do we have to see them?”
“They’re friends of mine. I’m sure you will like them. You and Ziggy totally have the same taste in music.”
Zoals afgesproken had ik het brood meegenomen; pistoletjes en plakken kaas die zelfs Albron de studenten niet meer voor durfde te zetten. De eenden wisten er echter wel raad mee; good food happy ducks. Alexander de Graaff regelde de picknicklocatie, op het grasveld achter gebouw C.
We zaten een half uur te lunchen voordat Zofia er de brui aan gaf, wat ik zeer onbeleefd vond. Er werd dan wel weinig gezegd, maar ik denk graag dat mijn vriendschap met Ziggy en Alexander zich zover heeft gevorderd dat we niet perse meer hóeven te praten.
Zofia leek dit niet in te zien, en ze probeerde steeds een gesprek op gang te krijgen. “At least weather is nice”, zei ze, “It is spring now. My favorite season.”
“Yes, spring is nice”, zei ik slechts.
Daarna probeerde ze de hele tijd aan me te zitten, wat ik erg onbeleefd vond. “Not in front of the ducks…”, siste ik.
Tenslotte ging ze er maar vandoor. “I think we have sit with ducks long enough. I don’t see why you want to have lunch with duck. In Poland we sometimes used to eat duck, if harvest failed.”
“But they’re my friends! I adopted them!”, riep ik haar toe, “They’re our children, Zofia, our chíldren! Why don’t you give Sweet Ziggy a kiss on her beak?”
“I… have to go to work on assignment.”, zei Zofia geirriteerd, “You are just a bit strange. Talking to ducks, not want to show house… I call you tonight, okay?”
Ik vroeg me af of ze boos op me was. “Vrouwen…”, zuchtte ik.
Alexander kwakte dat hij het helemaal begreep, voordat Ziggy hem een mep verkocht met haar vleugel.Opeens besefte ik dat het inderdaad vreemd was. Mijn neigingen om in mijn eentje door gebouwen te zwerven, overal waar ik kwam voedsel te hamsteren, een(d)zijdige gesprekken met dieren te voeren; al deze rare ticks had een jarenlang zwerversbestaan me opgeleverd.

Misschien zit ik op een beslissend moment in mijn leven. Misschien is dit de kans om mijn schemerbestaan af te zweren, om voor Zofia en een leven van de campus vandaan te gaan.
Ik weet nog niet waarvoor ik ga kiezen.

Nationale Netwerk Dagen II: Electric Boogaloo

maart 18, 2009

Ik bevond mij nog altijd bij de Nationale Netwerk Dagen, en tussen mij en de uitgang van de Boerke Mutsaers stond een muur van netwerkende studenten. Achter mij stond de Antichrist, mijn aartsvijand Toon, die in geen geval mocht weten dat ik nog in leven was. Ik moest hier weg!
Ik probeerde naar Luuk te gebaren dat hij Toon moest afleiden, maar de jongen ging te zeer op in zijn netwerk-activiteiten.
“Maar als je toch bij de sectie privaatrecht werkt dan kun je bij professor Lommerbeek toch best even mijn naam noemen?”, vroeg een meisje.
“Luister eens meisje”, zei Luuk streng, “Als ik voor Lodewijk jouw naam noem dan verbind ik de mijne daaraan, en dat ga ik niet zomaar doen. Hoe kan ik beoordelen of jouw naam kwaliteit in zich draagt? Je oogt gewoon niet heel erg professioneel. Sorry dat ik het zeg, maar je draagt nota bene zoveel make-up dat je op een goedkope prostituee lijkt!”
“Ja”, knikte de jongen die naast haar stond, “Onze Aukje verkeert heel vaak ‘Onder professoren’.”
Luuk schoot in de lach. Het meisje gooide een glas water leeg in zijn gezicht.
“Oh, heel professioneel!”, riep Luuk haar na, “Ga je dit ook doen als je tegenpartij voor de rechter een valide argument aanvoert? Je hebt nog een lange weg te gaan, meisje!”
Toon had inmiddels een cracker in de vissalade gedipt en kwam mijn kant op gelopen. Ik sloop naar de zijkant van de tafel. “Ah, een kaasplankje!” Hij graaide enkele hompen kaas van het plankje en verorberde deze gulzig.
“Het is de bedoeling dat u met het mes stukjes kaas afsnijdt”, zei een cateraar.
“Nee. Nee, dat zie je toch verkeerd.”, zei Toon. Hij nam een hap van een andere homp kaas, en trok een lelijk gezicht. “Geitenkaas, serieus?”
“Nee, maar met het mes kun je stukke…”
“Met het mes kan ik zo meteen stukken van je hoofd afsnijden”, interrumpeerde Toon, “Tegen wie denk je het goddomme te hebben? Ik ben de praeses van Habakuk, hond!”
“Ik weet niet waar u het over hebt…”
“Nee, dat weet je niet, he? Dat komt omdat je nooit hebt gestudeerd, anders zou je hier niet achter de catering staan toekijken terwijl de échte mensen hun deals sluiten en winst vergroten! God, ik word zo fokkin misselijk van jouw soort!” Hij keek eens in het rond. “Is er hier überhaupt nog iemand om mee te netwerken? Hallo? Hállo?”
De meeste mensen hielden zich echter enigszins afzijdig van hem, voor hun eigen bestwil. Was er maar iemand die hem af kon leiden, zodat ik kon ontsnappen…
Er was een persoon naast me komen te staan. “Mooie schoenen”, zei een jongen die Martijn Quirijn heette, en die ik had leren kennen als een van de slechtste netwerkers ter wereld, “Is er nog een andere reden dat je hier gehurkt zit?”
“Maagkramp”, kreunde ik, “Hee zeg, ik geloof dat die jongen mensen zoekt om mee te netwerken.” Ik wees naar Toon, en gaf Quirijn een duw zijn richting in.
“Maar ik wil niet met die jongen netwerken”, zei Quirijn nog, voordat hij met zijn hand in het kaasplankje landde. “Hallo, ik ben Martijn Quirijn. Wat studeer jij?”
“He? Wat?”, vroeg Toon, meer dan lichtelijk geïrriteerd, “HE?”
“I-ik zie dat jij ook op de Nationale Netwerk Dagen bent. Leuk shirt heb je aan. W-wat zijn je hobby’s?”
“Probeer je me nou goddomme te versieren, vent?”, riep Toon, “Jij gore, misselijke, vettige…”

Terwijl Toon het dichtstbijzijnde stuk brie pakte om in Quirijns ogen te smeren kneep ik er ongezien tussenuit. Ik geloof er niet in dat je je vijanden bij je in de buurt moet houden. Wat mij betreft laat ik ze zo ver mogelijk van me vandaan.

Nationale Netwerk Dagen

maart 17, 2009

“Ik blijf het belachelijk vinden”, mopperde Luuk van Dijk terwijl we de Boerke Mutsaers binnen gingen. Hier werden vandaag de Nationale Netwerk Dagen gehouden; een evenement waarbij vele studenten in pakken de gelegenheid kregen om voor hun persoonlijk gewin een groter adressenbestand op te bouwen.
“Hee, ik ben hier alleen voor de gratis borrel.”, zei ik.
“Jaja, zolang je maar bij mij in de buurt blijft staan, en af en toe heel luid lacht. Het is een absurde fictie eigenlijk, dat ik hier een beetje moet staan aanpappen met mensen die ik het liefst een kogel door het hoofd zou jagen. Het is onredelijk dat de sectie van mij verwacht hier te zijn. Alsof ik ooit van netwerken afhankelijk zou worden… wat een groteske leugen! Ik doe alles op eigen kracht! Als ik een baan wil dan stuur ik mijn cv wel op, in plaats van met een stelletje randdebielen te gaan borrelen. Oh, wat een verspilling van tijd die ik ook aan mijn proefschrift had kunnen besteden! Oh tijden oh gebruiken!”

Binnen de Boerke Mutsaers was het al druk. Een paar blikken dwaalden onze NNDrichting in, en een vlug oordeel werd geveld over de toegevoegde waarde die wij voor de aanwezigen konden hebben. Vooralsnog werd die waarde blijkbaar gering geacht, want niemand voegde zich bij ons.
“Dit is het dus. Zinloos.”, zei Luuk, “De meeste mensen in deze zaal zou ik het poetsen van mijn schoenen nog niet toevertrouwen. En ondertussen moet ik hier…” Hij mompelde onverstaanbaar verder.
“Goed dat je je vermaakt”, zei ik, “Ik ga even wat te snacken halen.”
Ik liep naar een tafel met bakjes borrelnoten en bitterballen, en zelfs pretzels, die ik gretig verorberde. De pretzels maakten me dorstig, en ik goot een glas wijn achterover. En nog een. Niemand die er wat van zei. Net werk.
Ondertussen ving ik de gesprekken op.
“In mijn leven ga ik uit van de drie J’s”, zei een oudere man in een pak, “Op kansen Jagen, de Juiste mensen kennen, en Jezelf kennen. Het zijn deze J’s die me aan een Job hebben geholpen.”
“Enige kans dat je mij ook aan zo’n Job kunt helpen?”, vroeg een jongere gast gretig, “Wil je nog een biertje?”
“Dit is mijn cv trouwens”, zei een andere jonge hond tegen een scout van een groot advocatenkantoor, “Ik draag het altijd bij me.”
De scout bladerde het even door, niet onder de indruk. “Mag ik je één tip geven? Je hoeft in je cv echt niet je hobby’s te noemen. Niemand kan het iets schelen waar je je in je vrije tijd mee bezig houdt. Dat zijn je eigen zaken, okee? Probeer eerst wat écht werk te doen, dan praten we daarna verder.”
Terwijl hij het cv terug kreeg aangereikt zag ik tranen opwellen bij de jongen. Dit was een wrede wereld.
Toen ik terug naar Luuk wilde lopen zag ik dat hij al sjans had. Een somber ogende jongen met een grote moedervlek op zijn gezicht drukte hem enkele papieren in de handen. “Ik heb een paar gedichten geschreven, ook over Rechten. Misschien is het iets voor in de Nondejure. De naam is Arend, ik timmer aan de weg als dichter en fotograaf… Hebben wij niet ook samen in een Topklas gezeten?”
Luuk staarde hem met van woede samengeknepen ogen aan. “Ik denk van niet. Ik denk dat je me voor een ander houdt.”
Ik besloot hem nog even te laten spartelen en ging op zoek naar een kaasplankje. Bij de tafel met hapjes stond een man boos uit te varen tegen een kelner. “Waar is goddomme de vissalade? Welke van jullie teven heeft de fokkin vissalade verplaatst? Moet ik nu mijn cracker droog eten, als een tienermoeder in de bijstand? Ja, nu ben je stil, he?”
Net op tijd ontdekte ik dat het hier ging om mijn aartsvijand Toon, die eerder een niet geringe poging ondernam mij te vermoorden, en nog altijd in de veronderstelling verkeert dat ik dood ben. Ik dook weg achter een tafel met hapjes, en deed alsof ik mijn veter strikte, terwijl ik naar een uitgang zocht…

WORDT VERVOLGD

Slotgracht

maart 15, 2009

Aan de verbouwingssaga lijkt geen einde te komen. Al dagen ligt er een grote, ongevulde slotgracht om de campus heen. Studenten weten niet meer hoe ze de campus moeten bereiken, noch hoe ze er af kunnen komen. En waarom? Omdat de gemeente besloten heeft dat de wegen rondom de Universiteit versleten en onveilig zijn, daarom waarschijnlijk. Vanwege dat ongeval met die hoogleraar vorige maand, die met zijn band klem kwam te zitten in een van de gaten in de weg, te hard gas gaf, en prompt driemaal over de kop sloeg. Hij kwam met een hersenschudding weg. Wat, geloof je me niet? Het Brabants Dagblad heeft er over bericht, zoek het op.
Zolang het studenten weg houdt bij de Universiteit hoor je mij eigenlijk niet klagen, en zo nu en dan wandel ik langs de slotgracht om de ongelukkigen te zien die niet op de werkzaamheden voorbereid zijn. Groepen eerstejaars die druk kletsend met elkaar over het fietspad naar de Unie komen rijden en onoplettend als lemmings één voor één de bouwput in donderen.

eerstejaars studenten

eerstejaars studenten

Grote jongens die stug doorploeteren, blijven volhouden dat je best door zo’n loopgraaf kan fietsen, om in het zand te eindigen. Zesdejaars die zich, geconfronteerd met omleidingen en afgesloten routes, realiseren dat ze eigenlijk niet meer weten hoe ze op hun universiteit moeten komen en teleurgesteld terug naar huis rijden. En ik, die hoe dan ook nooit meer weg kom.

Omdat het vandaag weekend was en de bouwvakkers de grote afwezigen waren begaf ik me de bouwput in. Ik hoopte dat de werkmannen er misschien wat instrumenten hadden laten liggen; boren of helmen of oranje vesten die ik als vermomming kon gebruiken. Tot mijn teleurstelling vond ik niets dan een beschadigde, weggeworpen schep, waarmee ik vervolgens een aantal ondiepe kuilen heb gegraven, verspreid over de bouwput. In deze kuilen heb ik prullaria gestopt; gebeenten van ratten die ik in gebouw Z vond, vazen en plantenbakken die ik uit gebouw C heb meegenomen, en zelfs een paar sandalen die iemand bij een doucheruimte had laten staan.

"It belongs in a museum!"

"It belongs in a museum!"

De kuilen heb ik daarna weer met zand dichtgegooid.
Nu maar wachten tot er over een paar dagen een bouwvakker met een ‘grote archeologische vondst’ komt…

Een Nachtmerrie

maart 14, 2009

Ik word wakker op een slaapmat, ergens op een strand. Het strand is niet groot, en we zitten vlak naast een kalme zee. Naast me staan mijn moeder, Luuk van Dijk, de Belgische televisiepersoonlijkheid Bart Peeters en een man met een hoge hoed die me vaag bekend voor komt. De zon schijnt hoog aan de hemel, maar toch is het erg schemerig, alsof er iemand een kleurenfilter voor de zon heeft gehangen.
Ik sta op en vraag mijn lotgenoten wat we hier doen.
den bart“Het vliegtuigske is neergestort, he”, zegt Bart Peeters, “En er vliegen vanavond geen vliegtuigen meer naar Belgique. We zullen hier moeten overnachten. Aiaiaiaia.”
“Ik wil hier niet blijven”, zeg ik, om me heen kijkend. Ik zie niets op het strand waarmee ik me zou kunnen vermaken. Bovendien moet ik over een half uur bij een Grieks restaurant zijn, want ik zou er gaan eten met mijn vriendin.
“Toe, het is maar voor één nachtje”, zegt mijn moeder, “Daarna mag je weer terug naar huis.”
“Dat zeg je nu wel, maar voor ik het weet zit ik hier dagen, en daarna weken, en daarna maanden.”, zeg ik haar, “Vertel mij hoe die dingen gaan. Ik wil nu naar huis. Ik ben er klaar voor.”
“Zo, dat werd tijd.”, zegt de man met de hoge hoed. Hij doet geloof ik een soort van dansje. Luuk excuseert zich en verdwijnt met mijn moeder een andere kant op, van het strand af, richting… ja, richting wat eigenlijk?
Ik ga er ook vandoor, weg van de man met de hoge hoed. Terwijl ik ren besef ik dat de hoge hoed een zwarte kap moet martius-primuszijn en dat de man Martius Primus, de voormalige praeses van Habakuk is. Ik dacht dat hij in de gevangenis zat.
Het zand houdt op onder mijn voeten en ik sta ineens op het dak van gebouw M.
“Mooi zo.”, zeg ik tegen niemand in het bijzonder, “Nu hoef ik alleen maar de bus naar dat Griekse restaurant te nemen.”
Zofia’s jas ligt op de grond voor me. Waar Zofia is weet ik niet. In de verte zie ik iets glinsteren, en ik loop er op af. Als ik er in de buurt kom herken ik het voor wat het is. Het is de loop van een pistool.
“Geen beweging”, zegt Zofia. Ze spreekt verrassend goed Nederlands voor iemand die haar hele leven in Polen heeft gewoond. Je zou het zelfs vloeiend kunnen noemen. In haar ene hand heeft ze een pistool, in de andere een soort walkie-talkie. Waar ze die walkie-talkie vandaan heeft weet ik zo ook niet. “Ik heb hem, Anton, hij heeft zojuist bekend.”
“Zofia… je spreekt Nederlands? Heb je… Heb je een cursus bij het Talencentrum gevolgd of zo?”
“Hou je bek en steek je handen in de lucht!”
Tomás verschijnt achter haar. “Hij heeft bekend?”
Zofia knikt. “Ja. We kunnen onze beloning opstrijken.”
“Je broer hoort ook bij dit complot?”
“Hij is mijn broer niet, maar mijn zakenpartner. We zijn privé-detectives. Ingehuurd door Annette Heverlee. Die naam komt je bekend voor, of niet?”
“Ja.”
Tomás loopt op Zofia af. Ze zoenen.
“Jezus Christus”, zeg ik, “Ik weet niet wat jullie in Polen gewend zijn, maar hier in Nederland zijn broer en zus niet zo…”
“Ik zeg toch dat hij mijn broer niet is.”, zegt Zofia. Ze lopen weg.
Daarna spring ik van het gebouw af. Het laatste dat ik zie zijn treinrails, en een voorbij razende trein.

Hoewel ik de droom niet begrijp ben ik er nogal van overstuur. Ik herinner me mijn dromen zelden in zoveel details. Is dit een teken voor iets?