Archief voor april 2009

Bezet

april 28, 2009

Het is 28 april. Veertig jaar zijn verstreken sinds studenten enige tijd de campus bezetten om te protesteren. Het lijdend voorwerp van hun protesten schiet me even niet te binnen. Vietnam? Chili? Nazi-Duitsland?
De hele dag loop ik met een onrustig gevoel rond. Vandaag zou de dag zijn dat de oude heren die ik eerder in de mensa heb afgeluisterd namens de studentenmassa de Universiteit opnieuw zouden bezetten. Het spreekt voor zich dat ik hier niet bepaald op zit te wachten. Niet nog meer bemoeials op mijn fraaie campus!
Hoe moet het zijn om op een bezette Universiteit te leven? De studentenmilitia die over de campus patrouilleren, knuppels en tomaten in de aanslag. Een mensa die met voedselbonnen werkt. Toiletten en keukens die langzaam verslonzen, want geen student gaat zijn eigen rommel opruimen.
Ik besef dat ik koste wat kost moet voorkomen dat de Unie opnieuw wordt bezet. Al snel zou echter blijken dat mijn ingrijpen geenszins nodig was.

Rond een uur of twee kwam een zevental oude mannen naar gebouw Vigilant gestruind. Zij droegen vlaggen en ploertendoders, kwamen met strakke gezichten naderbij. Deze mannen waren iets van plan, en zij zouden voor niemand wijken!
“He? Wat moet dat?”, vroeg de bewaker genaamd rattengezicht. Hij kwam het bewakingsgebouw uitgelopen.
“Wij bezetten deze Universiteit!”, riepen de oude mannen in koor, de handen over elkaar, “Het is tijd om een klus af te maken die veertig jaar geleden is ingezet. Het is tijd om de Universiteit terug te geven aan de studenten. Zwijg, autoritair bewind! Zwijg, schijn van Medezeggenschap! Zwijg, Minister Plasterk! Wíj leggen de macht weer bij de student! Ja, wij bezetten deze Universiteit!”
“Nee. Dat doen jullie niet. Ga weg.”, zei de bewaker.
Het was duidelijk dat de oude mannen op deze felle tegenstand niet gerekend hadden. Ze stribbelden nog even tegen, mompelden boos, maar toen de bewaker een paar stappen hun richting in zette bliezen zij sip de aftocht. Bezetting afgewend.
Een van hen sprak een voorbijgaande student aan. “Zie je dit nou? Het autoritaire bewind dat probeert een opstand neer te slaan? Wat denk je als je zoiets ziet?”
De student haalde zijn schouders op. “Ik weet niet?”
“Voel je niet de neiging om ons bij te staan?”
De student haalde weer zijn schouders op. “Kweenie… Levert het ECT op?”
“ECT? Neen, dat niet. Maar wel… maar wel levenservaring!”
Opnieuw schouders. “Dat zegt me nou effe niet veel. Ik moet nu voor mijn tentamen studeren. Als die harde knip er komt ben ik anders flink de Japie! Oeioeioei!” Hij liep vlug verder, nagekeken door de oude mannen. Een van hen barstte in huilen uit.
Ja, in veertig jaar is er veel veranderd.

Van Zeik

april 27, 2009

Professor-in-opleiding Luuk van Dijk wilde me spreken op zijn werkkamer in gebouw M. Ik reageerde verbaasd. “Je hebt een werkkamer?”
“Min of meer. Ik moet hem delen met een stuk of drie stagiairs. Maar die zijn er vandaag niet. Ga zitten.”
Luuk zag er een stuk verstrooider uit sinds hij voor de rechtenfaculteit aan zijn proefschrift werkte. Op zijn bureau zag ik verschillende in slordig handschrift volgekladde papieren slingeren, de muren waren volbehangen met overgebleven reclameposters voor de ‘Minachtende Elite’, en op het whiteboard achter hem stond een uitgebreid schema uitgetekend. Ik herkende de woorden ‘Richtlijn Milieuaansprakelijkheid’, ‘Bodemvervuiling’ en ‘Bruto-implementatie???!’ Daaromheen had iemand – Luuk, naar ik aanneem – tientallen malen in hanenpoten ‘Mijn moeder, mijn moeder’ gekrabbeld.
“Wat wilde je bespreken, Luuk?”
Luuk rommelde wat in zijn bureau. “Godver. Waar is het nou? Aaargh! Ik word gek! Gek!” Tenslotte haalde hij een krantje te voorschijn. “‘Onder Professoren vooral ondermaats. Het stuk handelt over ene Mike van Dijk, een student-assistent die vanwege zijn huidziekte wordt aangezien voor een nieuwe docent privaatrecht. Als een vis uit het water moet professor-in-opleiding van Dijk vervolgens de valkuilen van het academische wereldje ontwijken.’ Professor-in-opleiding van Dijk? Dit is… dit is pure laster.”
“Ik had niet gedacht dat…”, stamelde ik.
“Je had niet gedacht wát? Luister Schemerling, je moet voor mij zien te achterhalen wie dit stuk geschreven heeft, zodat ik de schuldige kan aanklagen, ofwel van de Universiteit kan laten verwijderen. Dit is zeer belangrijk! Mijn naam is aangetast! Men denkt de spot met mij en mijn persona te kunnen drijven! Ik heb reeds gebeld met de plaatselijke toneelverenigingen, de Koffer en Rataplan, maar zij weigeren de naam van de schrijver op te hoesten. Vertrouwelijke informatie. Een anonieme bron, blijkbaar. Ik sprak ene heer Petermeijer, die erg kortaf tegen me was. Ik stel voor dat je bij hem begint met zoeken.”
“Ik hoef niet meer te zoeken”, zei ik vlug, “Ik ben bij de uitvoering geweest, en ik kan je de naam van de schrijver noemen.”
“Oh ja? Wie is het?”
“Wat heb je voor deze informatie over?”
“We gaan toch niet lopen onderhandelen, he? Dit vind ik zeer hatelijk van je, Schemerling.”
“Ik neem aan dat je er wel íets voor over hebt?”
Luuk van Dijk zuchtte en haalde een sleutel van zijn sleutelbos, die hij me toewierp. “De sleutel van het vakantiehuisje van mijn ouders in Cadzand. Ze komen er nooit omdat mijn vader een fobie heeft voor de zee. Hij vindt dat de zee te diep is.”
“Wat moet ik goddomme met de sleutel van een vakantiehuisje in Cadzand?”
“Misschien kom je ooit nog van de campus af. Je moet ambities blijven koesteren, Schemerling. Een man zonder ambities is als een lege huls. Nu, je zou me nog vertellen wie mijn naam door het slijk gehaald heeft?”
“… Goed dan. Ik vind het raar dat je het zelf nog niet hebt uitgevogeld, maar de schrijver is een oude bekende. Je politieke rivaal, Klaas Florijn.”
Luuk sloeg met zijn vuist op tafel, en slaakte een kort kreetje toen hij daarbij zijn duim bezeerde. “Roest! Klaas Florijn! Ik had het kunnen weten! Die jongen gaat over lijken om mijn reputatie te besmeuren!”
Luuk liep naar het raam en staarde naar buiten met wat hij waarschijnlijk meende dat een sinistere blik was. “Klaas Florijn denkt vast dat hij me te slim af is. Klaas Florijn denkt een heleboel. Maar niemand zal het mes zien aankomen, Klaas Florijn wel als laatste. Zodra ik professor ben zal ik Klaas Florijn voordragen voor een aanstelling als bijzonder hoogleraar aan de Universiteit van Potchefstroom in Zuid-Afrika. Níemand keert terug uit Zuid-Afrika! AHAHAHAHAHA!”
“Okee dan.” Ik ben opgestaan en weggelopen. Ik had sowieso niet het gevoel dat Luuk zich realiseerde dat ik er nog was, want hij ging weer aan zijn bureau zitten en schreef verder, af en toe slechts onderbrekend om ‘Eureka!’ te roepen. How the mighty have fallen…

recensie

‘Onder Professoren’: Opening Night

april 24, 2009

Peter ter Petermeijer gaf me twee vrijkaartjes voor de première en tevens enige uitvoering van het door mij gepende stuk, ‘Onder professoren’.
“Hier. Pak aan. Doe er je voordeel mee. Vrijkaartjes. Voor jou.”
Omdat ik een gegeven paard niet in de bek wilde kijken en tamelijk benieuwd was naar wat voor een gedrocht er onder mijn pen was ontstaan ging ik met mijn vriendin naar de voorstelling.
De voorstelling werd opnieuw gegeven in lokaal DZ1. Het was iets minder druk dan bij de uitvoering van ‘Pas op voor de Schemerling!’ Van tevoren nam Peter ter Petermeijer even het woord. Hij had voor de verandering een zwart pak aangetrokken en zijn warrige haar samengebonden tot een staartje, waardoor hij nog het meeste weg had van een vampier.
“Beste aanwezigen. Bedankt dat jullie kwamen opdagen. Ik beloof dat ik de volgende keer écht de Black Box ga regelen! Het is gewoon wat lastig dat rond te krijgen. Subsidie en zo. Het komt er nog wel van. Vooraleerst wens ik jullie allemaal heel veel plezier! Tevens wil ik een paar mensen bedanken voor hun medewerking. Ten eerste is daar Alex van Loon, die de hoofdrol speelt. En natuurlijk Bob Oeteldonk, als professor Klaasman. Gustav Biering als Bort. En dan is er natuurlijk één persoon die ik extra dank verschuldigd ben. Een persoon die ik hier al in de zaal heb zien zitten. Een bijzonder creatief individu. Zonder hem zou deze voorstelling niet mogelijk zijn geweest. Een luid applaus voor Arend Aarsman! Hij zette de liedjes op muziek. Ook filmt hij vanavond de voorstelling!”
Ik wilde opstaan en roepen: Waar was ik dan, ter Petermeijer? Waar was mijn naam?
“Shouldn’t he be thanking you?”, vroeg Zofia verbaasd.
“He damn well should”, zei ik, mijn vuist ballend. Dat toneelvolk en ik zouden waarschijnlijk nooit samen door één deur kunnen.
“Well, I am still very proud of you.”, zei Zofia. Ze gaf me een kus, wat het een beetje beter maakte.

Over de voorstelling zelf kan ik kort zijn. Het was een gedrocht, een verschrikking, op alle mogelijke manieren. Hoewel de hoofdrolspelers hun best deden met het materiaal dat hen geboden werd vormden de liedjes enorme, onovertuigende stijlbreuken. De gebrekkige akoestiek in DZ1 maakte dat de acteurs ofwel te hard ofwel te zacht spraken en in beide gevallen vrijwel onverstaanbaar waren. Halverwege het stuk rende een van de actrices huilend het podium af, en ik weet nog steeds niet of dat deel uitmaakte van het stuk, zo’n wanorde was het.
“So, what do you think of it so far?”, vroeg ik Zofia in de pauze.
“This is… what is word…. fún! This is… fun!”, zei Zofia. Ze ontweek mijn blik. “Yes. Yes, you did good job. Is great play. Is… is not as bad as… as… holocaust.”
“You don’t need to pretend, my dear. It is way worse than the holocaust.”
Ze knikte hevig. “Can we leave now? I feel dead inside.”
“Maybe it gets better in the second half.”

Het werd niet beter in de tweede helft.


De timing werd beroerder, de choreografie slechter, en toen een kerel op de tweede rij midden in de voorstelling door zijn vriendin gebeld werd merkte ik dat ik liever naar zijn gesprek luisterde dan het stuk volgde. Ik was niet de enige; niemand verzocht hem te stoppen met bellen, zelfs de hoofdrolspelers niet.
Tegen het eind van de voorstelling probeerden de overgebleven acteurs een soort van publieksparticipatie te bewerkstelligen door een vrouw van de eerste rij het podium op te dwingen.
Verschillende acteurs kwamen de zaal in gerend. “Jullie ook! Allemaal meedoen!”
Het arme mens stribbelde tegen terwijl de acteur die professor Klaasman speelde haar mee naar voren sleurde. Keer op keer kletste ze met haar gezwollen buik tegen de rand van het podium.
“Laat me los! Laat me toch los!”, jammerde ze.
“Mike van Dijk is professor, en het publiek is tevree”, zongen de castleden tevergeefs, “Oh shit, ze is zwanger.”
De situatie werd slechts bezworen door ingrijpen van de echtgenoot van de zwangere vrouw, die op zijn weg naar voren nog enkele hoofdrolspelers knock-out sloeg ook. Tegen die tijd hadden Zofia en ik onze jassen al aangetrokken.
“I still love you, you know”, bleef Zofia maar zeggen, maar haar woorden klonken hol en haar complimenten waren onverdiend.

Een akelige man

april 22, 2009

Er zat een akelige man in koffiekamer P omstreeks half tien. Hij was de enige die er op dat tijdstip nog zat; zelfs het personeel had er al de brui aan gegeven en ik had niet verwacht er op dit tijdstip nog iemand aan te treffen, gezien het feit dat de Universiteit om tien uur sluit voor reguliere bezoekers. Hij zat in zijn eentje aan een tafeltje in de hoek van de koffiekamer, een beetje te grinniken. De man, die een jaar of vijfenveertig moest zijn, had een bijzonder pokdalig en vettig gezicht, waarop hij een nare lach droeg. Daarnaast was hij gekleed in een bruinige regenjas, met een boel zakken er in.
Ik liep met opzet vlug langs hem heen, maar ging op dit tijdstip natuurlijk niet ongemerkt voorbij. Vanuit mijn ooghoeken zag ik toen al hoe zijn blik me volgde, maar ik dacht er toen nog niets van, ik dacht slechts: ik loop vlug langs die akelige man.
Achterin de koffiekamer bleef ik staan. Ik hoopte dat de man snel zou vertrekken, dan kon ik nog een laatste ronde langs het buffet maken; ik had de hele avond nog niets gegeten en mijn maag rommelde als het bombardement van Dresden.
De nare man moest aan mijn voetstappen hebben gehoord dat ik halt had gehouden. Na een minuut of twee stond hij op en kwam hij mijn richting in gewaggeld. Ik deed enkele stappen van hem vandaan, maar hij volgde me en kwam naast me staan. Hij lachte akelig, leek me toen even te bekijken. Wat hij zag leek hem te bevallen, want hij knikte kort. “Hehehe.”
Ik deed maar alsof ik hem niet zag, maar voelde me bijzonder ongemakkelijk bij deze hele situatie. Eigenlijk had ik weg moeten lopen maar dan had ik langs hem gemoeten, want na half acht gaan bijna alle uitgangen dicht en is alleen de ingang van het P-gebouw nog open.
“Nou nou”, begon de man, “Jij…”
“Het is een heldere avond”, viel ik hem in de rede, “Gelukkig vertrekt over vijftien minuten mijn trein op station West. Ik moest zo maar eens gaan, want anders worden mijn ouders ongerust en zullen zij ongetwijfeld de autoriteiten waarschuwen. Wat u?”
“Ik heb nog wel even”, grijnsde de akelige man, “Hehehe.”
Enige momenten gingen in stilte voorbij. Ik keek naar de vele broodjes die nog achter de bar lagen, en kon het nu niet opgeven. De man zou zo vast wel vertrekken.
De akelige man kuchte een paar keer. “Heb je wel eens in een film gespeeld?”, vroeg hij ten slotte.
Ik negeerde hem. Wat kon ik anders doen?
Nu stootte hij me aan, met zijn vieze, vettige handjes. “Heb je wel eens in een film gespeeld?”, herhaalde hij.
“Nee.”, zei ik, kortaf. Ik schoof richting de uitgang van de koffiekamer. Ik ging er bijna van hopen dat de bewaking snel langs kwam.
“Oh.”, zei hij, “Jammer. Je hebt het gezicht van een acteur. En de bouw. Hehehe.”
“Nee. Sorry.” De akelige man stonk naar zweet vermengd met goedkope deodorant.
“Ik maak films”, verduidelijkte hij, “Niet in een studio, hoor. Nee, meneer. Op mijn zolder. Mijn vrouw bedient de camera.”
“Wat voor films?” Ik had het eigenlijk niet moeten vragen.
“Seksfilms”, zei de man met een dikke grijns, “Je weet wel. Porno. Dat heeft een hele slechte connotatie, maar het is ook een hobby, moet je maar denken. En ik moet niets van dat vieze gedoe hebben, hoor. Geen bestialiteiten, geen minderjarigen. Niets van dat, hoor. Wat zeg je ervan?”
Voor ik kon antwoorden kwam er iemand naar ons toegesneld; het was de medewerker die op dinsdagavonden achter de balie van gebouw P zit. Ik was eerst opgelucht dat de akelige man nu verwijderd zou worden, maar de balist overhandigde hem slechts een sleutelbos. “Gevonden! Uw autosleutels lagen inderdaad nog in de collegezaal, professor.”
“Dank u. Dank u wel.”, zei de akelige man. Hij sprak plotseling heel beschaafd en accentloos.
“Maar…”, stamelde ik, “Maar… deze man…”
“Ik moet nu helaas vertrekken”, zei de akelige man tegen de balist, zonder mij een blik waardig te keuren, “Mijn vrouw en kinderen zullen zich afvragen waar ik blijf. Gegroet.” Hij vertrok.

Vandaag zag ik de akelige man weer, terwijl hij 300 studenten onderwees in het recht. De eerlijkheid gebiedt mij te zeggen dat het een vrij boeiend en deskundig gegeven college was.

De Minachtende Elite

april 20, 2009

Ik was verbaasd professor-in-opleiding Luuk van Dijk aan te treffen tussen de campagnevoerders op de campus. Hij oogde zeer vermoeid, en probeerde op een volstrekt onhandige manier voorbijgangers aan te spreken.
“Hee? Hallo? Hee jij daar, heb je al gestemd? Hee, jezus zeg, het is zeer onbeleefd door te lopen. We zaten midden in een gesprek. Hater!”
Toen ik wat dichterbij kwam zag ik dat hij een shirt droeg met het opschrift ‘Minachtende Elite’. Daaronder een afbeelding van een superieur kijkende student met gefronste wenkbrauwen.
“Oh hee Schemerling, ben jij het? Heb jij al gestemd?” Luuk van Dijk klonk gretig.
“Nee, nooit. Ik vertik het, Luuk van Dijk.”
Van Dijk knikte. “Okee. Heel goed. Een stem onthouden is in zekere zin ook een stem voor de Minachtende Elite, want de Minachtende Elite is tégen inspraak.”
“De Minachtende Elite?”
“Ja, ik heb min of meer een eigen partij opgericht. Ik kon mij niet vinden in het huidige aanbod. Het was gemakkelijker dan ik dacht, maar nu wordt van mij verwacht dat ik stemmen ga winnen om een zetel in die verdomde universiteitsraad te krijgen. Problematisch dat het winnen van stemmen eigenlijk haaks staat op mijn doelstellingen.”
“Wat zijn je doelstellingen?”
“Minder inspraak voor studenten, want ze vinden het toch niet interessant en het raakt ze eigenlijk niet of nauwelijks. De Minachtende Elite gaat inspraak tegen op een zeer vernuftige manier. Wij gebruiken de medezeggenschap om haarzelf te dwarsbomen. Elegant, nietwaar?”
Ik knikte verbaasd.
“Onze andere punten zijn eveneens bijzonder evolutionair. De ME eist een verhoging van het bindend studieadvies naar 66 ECT, de grens tussen voldoende en onvoldoende wordt verhoogd van een 5.5. naar een 8, en studenten zullen voortaan moeten strijden om het recht op herkansingen. Mijn voorstel is met pistolen, maar het plan ligt nog ter beoordeling. Alles om de draak van de zesjescultuur te doden! En mocht er niet op mij gestemd worden dan zal ik dat zien als een bevestiging van mijn theorie dat enige vorm van inspraak verspilde moeite is, een absurde fictie om het gepeupel stil te houden.”
“En je staat dit hier al de hele dag te verkondigen?”
“Ja. Jazeker.”
“En nog niemand heeft je in je gezicht gestompt?”
“Ik weet het, ik verbaas mezelf er ook over. Misschien hebben ze eindelijk ingezien dat ik toch gelijk heb.”
Ik wenste hem veel succes en liep verder. Ik had nog geen drie stappen gezet of ik hoorde achter me het geluid van een stomp, gevolgd door een schreeuw. Pok!
“Aargh! Mijn gezicht! Iemand heeft me in mijn gezicht gestompt! Haters!”

De verkiezing

april 17, 2009

En ineens waren de verkiezingen er weer. De verkiezingen voor… waarvoor eigenlijk? Ik moet eerlijk bekennen dat ik in geen jaren meer gestemd heb, voor welke verkiezing dan ook. Ik geloof dat ik niet eens meer mág stemmen. Zowel landelijke als universitaire electies zijn aan mij voorbijgegaan, verdwenen als regen over de bergen. Aan het circus er omheen ontkom ik echter vrijwel nooit, en ik word er doodziek van. De hoofdstraat staat vol met zieltjeswinners, zij prediken het grote Wij. ‘Wij gaan het wel even veranderen, Wij zullen zorgen dat het gemakkelijker wordt voor de studenten.’
Hun voornaamste wapen is groepsdruk. ‘Je bent bijna de enige die niet stemt. Iedereen stemt. Je kunt hier ter plaatse stemmen. We hebben een laptop bij. Je hoeft alleen maar even je naam in te vullen. Ja, stem maar. Nee, nee, nee! Niet op de tegenpartij! Op ons! Op ons!’

Zelfs mij moeten ze hebben. Een meisje sprak me aan. Ik herkende haar als een oud-campusdichteres met een naam die te veel lettergrepen rijk was. “Hee, heb je al gestemd?”, vroeg ze.
“Nee, ik niet. Ik wilde net gaan stemmen op… ehm… dinges…?”
“De Fractie Fons natuurlijk”, zei ze met een grijns, “De Fractie Fons is de meest vooruitstrevende…”
“Nee, die andere… hoe heet het…?”
Haar gezicht vertrok. “De Fractie Bram”, zei ze vol walging.
Een blonde juristenjongen was naast haar komen staan. Hij droeg een air van betrouwbaarheid over zich. “De Fractie Fons is voor goede voorzieningen!” riep de jongen. “Goede voorzieningen in de breedste zin van het woord. Stem op de Fractie Fons!”
“Nee, stem op de Fractie Bram”, krijste een vogelachtige corpsbal die achter me was verschenen. “Wij staan voor nog betere voorzieningen dan de Fractie Fons en combineren dat met een collegevrije maandag en vrijdag! En we zijn tegen verplichtingen!”

“Fons heeft er voor gezorgd dat je nu broodjes kunt eten in de bibliotheek”, zei de blonde jongen.
“Dankzij Bram rijdt het nachtnet nu ook in Tilburg!”, wierp de corpsbal hem tegen.
“Goede voorzieningen en lekker eten in de Mensa!”, riepen de Fons-mensen.
“Nóg betere voorzieningen en lekker eten in de koffiekamers én in de Mensa!”
“Meer computers!”
“Meer elektronische werkplekken!”
“Verplichte cursussen ‘omgaan met stress’ voor docenten!”
“Lik-op-stuk beleid met betrekking tot de Bulgaarse mensenhandelaars!”
“Een numerus fixus voor onaantrekkelijke studenten!”
“Een boekenbon van tien euro voor elk vijfde gevolgde college!”
“Een biercampus!”
“Ruimere openingstijden voor de bibliotheek en de rest van de campus!”

“Wacht, dat laatste. Wie zei dat?”, onderbrak ik.
“Ik! Ik! Ik!”, riep de corpsbal gretig.
“Nou, dat vind ik dus een verschrikkelijk idee”, zei ik, “Ik ga nu naar huis om op de ander te stemmen.”
“Bij Wodan! Wees vervloekt!”, riep de nare korpsbal me na. Ik haastte me het Stiltecentrum in.
De eerstvolgende keer dat ik me over de campus begaf zou deze poppenkast zich ongetwijfeld herhalen, opnieuw en opnieuw tot de week eindelijk voorbij was, en een nieuwe fractie de illusie van medezeggenschap kon ophouden…

Geheim

april 15, 2009

Dit gedoe met Zofia begint me parten te spelen, en ik moet goed opletten dat ik geen steken ga laten vallen. Het is de eerste keer in jaren dat ik iemand enigszins in mijn intieme cirkel heb laten komen, maar nu vraag ik me af waar ik de grens moet trekken. Als dit zo doorgaat, onze relatie bedoel ik, dan voorzie ik dat ik op termijn heel eerlijk zal moeten zijn over waar ik woon, hoe ik woon, wat ik doe. Hoe zal ze daar over denken? Zal ze me laten vallen als ze van mijn werkelijke identiteit hoort, van mijn werkelijke naam? Zal ze het überhaupt begrijpen, of zal ze denken dat ik haar weer voor de gek houd?

Terwijl ik gisteravond naast haar in haar bed lag werd ik ineens bezeten door het verlangen om mijn hele geheime identiteit op te biechten, gewoon, om er maar vanaf te zijn. Ik wilde mijn hele levensverhaal in haar oor fluisteren terwijl ze sliep, opdat ze de volgende ochtend wakker zou worden, en… en het zou begríjpen.
Maar waar begin ik?
“There is something I need to tell you, Zofia. I am a very evil person. I… I have killed, I have stolen and plundered and burglarized this University many times over. You see, I’m actually the Schemerling, and I have no home, that’s why I live at this University. I steal from students and from the university to support myself. I break into buildings, I strut around like I own the damn place, like I am king of this castle, master of my domain. But wait, there’s more. I once scared some harmless kids in the woods, I tricked some student into buying a bunch of unnecessary books and shit just because he had an old face, I impersonated another student in order to get free entrance to the sporting centre, I frightened a group of exchange students into leaving the campus, I rigged the fire alarms in the E-building, I took some poet’s spot in a poetry reading and probably ruined his one shot at fame, I spread rumors about there being wild dogs on this university campus, I once kicked a fat guy, I sold out, I likely gave a bunch of people asbestos just to spite some bully.
‘Wait for it… it gets worse. This one time there was this guy who wanted to live here too. So I… I sort of killed him. Let him fall of a bunch of stairs. He’s dead. His mom went mad with grief and just showed up on campus every other day, screaming for her son. And then there was this other guy that I hated… I framed him for that murder, and sent him to jail, where he’s probably getting the shit raped out of him every morning and evening. Also, I’ve been planning to kill some other guy for some time, but he’s a bad dude, and totally deserves what’s coming to him, but so far he has managed to elude me, and…”
Het zou zo’n opluchting zijn als ik het niet allemaal meer voor me zou hoeven houden, als ik iemand om advies kon vragen over hoe ik hiermee kon omgaan.

Ach, wat hou ik mezelf voor? Het is te ongeloofwaardig. Níemand zal mijn verhaal geloven. Het klinkt als een slechte, immer voortdurende soap, opgepend door een broodschrijver met een neiging tot nodeloze kitsch en melodrama.
De hel, dat ben ik!

Een Schemerling-Paasspecial

april 13, 2009

Een of andere vergeetachtige persoon had een hoop snoepgoed op de campus laten slingeren. Toen ik vanochtend onder een blauwe lucht op het grasveld naast de mensa wilde gaan ontbijten vond ik een ei, gemaakt van chocolade, verborgen in een bedje van stro. Ik dacht er eerst niks van en peuzelde het ei op, maar toen ik nog eens wat beter rondkeek bleek dat het hele grasveld vol lag met stukjes stro die, als je weet waar je naar zoekt, behoorlijk opvallen.
Ik heb ze stuk voor stuk leeggeroofd, vond niet alleen slecht verborgen chocolade-eieren maar ook echte eieren en zelfs heuse chocolade-hazen. Heeft het iets van doen met Pasen, met die bijzondere dag duizenden jaren geleden toen een door de Romeinen aan het kruis genagelde Jezus gered werd door een gigantische antropomorfe haas? Het moet haast wel.
Ik vond het een mooie verrassing van wie er ook verantwoordelijk voor was (ik twijfelde tussen Zofia en de trouwste lezers van mijn blog), en heb bijna de hele voorraad snoepgoed diezelfde ochtend nog verslonden. Het was al enige tijd geleden dat ik chocolade op had; voor mij is het in de loop der jaren een luxeproduct geworden.

Het schuldgevoel kwam pas enkele uren later. Terwijl ik, nog altijd in het zachte gras, mijn chocoladeroes lag uit te slapen werd ik gewekt door het schrille geluid van kinderstemmen. Roepende en gillende kinderen, op mijn campus!
“Jullie zijn beslist tien jaar te vroeg”, mompelde ik, terwijl ik overeind kwam. Een eindje verderop stond een groep beteuterde kinderen uit te huilen bij hun ouders.
“Er ligt helemaal niets, mama”, zei een meisje. Ze drukte haar betraande gezicht tegen haar moeder.
“Misschien ligt het te goed verborgen”, zei een vader, “Heb je wel goed gezocht?”
“Er ligt helemaal niets! Dit is stom!”, zei een jongen, “Ik wil eieren!”
“Ik zei toch dat we die eieren gewoon in onze achtertuin moesten verstoppen?”, zei een vrouw tegen haar echtgenoot, “Hier op de campus worden ze gejat door die kutstudenten.”
“Oooh, mama zei ‘kut’”, zei een jongen.
“De P-paashaas zou de eieren toch verstoppen?”, huilde een meisje, “Of b-bestaat die soms niet?” Ze begon luider te jammeren, een gejammer dat door het tiental kinderen om haar heen werd overgenomen.
“Snel Peter, geef haar nog een eitje”, zei een moeder.
“Dat gaat niet, Margot.”, zei de man naast haar, “Deze eieren hadden me een half maandsalaris gekost. De recessie… Ik…” Ook hij stond op het punt in huilen uit te barsten.
“Peter, ik wil van je scheiden”, zei de vrouw koeltjes.
Ik werd rood. Deze verrassing was niet voor mij bedoeld, maar voor deze arme benadeelde kinderen! Dit was de slechtste Tweede Paasdag ooit!

De dag was echter niet voorbij. Terwijl de kinderen wanhopig doorzochten ben ik vliegensvlug de mensa binnengedrongen en heb alles gepakt dat ik kon vinden; alle levensmiddelen die binnen mijn bereik waren en waarvan de houdbaarheidsdatum nog niet was verstreken. Kaas, broodjes, kroketten, en zelfs een paar heuse eieren!
Met deze voorraad ben ik naar de parkeerplaats van de campus verdwenen, waar ik de afzonderlijke producten netjes in bedjes van stro heb verspreid en verborgen. Met een uitdrukkingsloos gezicht heb ik vervolgens de kinderen aangesproken. “Er ligt daar op de parkeerplaats een hoop spul verborgen. Vraag me niet hoe het er komt. Ik zag paashaasdaarstraks wel een manshoge haas de bossen in verdwijnen…”
De rest van de ochtend heb ik met een grote glimlach toegekeken hoe de kinderen vondst na vondst deden, onder het toeziend oog van hun verbijsterd reagerende ouders.
“Kijk mam, twee plakken jong belegen kaas in een plastic verpakking!”, riep een meisje uitgelaten.
“Pap! Pap! Kijk wat ik heb! Een croissant en een kip cordon bleu!”
“Mama! Ik heb een kom vermicellisoep en een pakje melk!”

En zo redde de Schemerling Pasen.

Redder van de campus

april 11, 2009

Vrijdagmiddag.

Er staat een rij bij een snoepautomaat, omdat een dikke jongen het in zijn hoofd heeft gehaald dat hij via de klep met zijn hand een loszittende kitkat naar zich toe kan graaien. De vier studenten die achter hem staan te wachten zijn zichtbaar geïrriteerd, maar te beleefd om hier iets van te zeggen. Hier ligt een klus voor de Schemerling!
“Snoep is slecht voor je cholesterol, vetklep!”, zeg ik, terwijl ik de dikke jongen tegen zijn achterwerk schop. Hij valt om en choleste-rolt op de grond, waar hij blijft spartelen, niet in staat om op eigen kracht overeind te komen. De tweede student in de rij kijkt me dankbaar aan, bestelt dan een zak M&Ms.

Mijn werk zit er nog niet op. Kwajongens met waterpistolen zijn vanuit het niets op het campusterrein verschenen. Ik respecteer hun lef; er zijn een hoop ballen voor nodig om als niet-student hier te komen opdagen; studenten zelf hebben er al vaak genoeg de grootste moeite mee hierheen te komen. Desalniettemin zal ik hen uit de weg moeten ruimen.
“Ik denk dat het tijd is dat jullie hier vertrekken”, roep ik hen toe.
“Niet voor jou, ouwe!”, roepen ze, waterpistolen in de aanslag. Voor ze kunnen schieten heb ik mijn slag echter al geslagen. In twee bliksemsnelle stappen verschijn ik achter hen, haal uit, en sla het alpha-mannetje van de groep met mijn vlakke hand tegen zijn oor. Het snertjong barst in huilen uit, laat zijn pistool vallen en rent jammerend om zijn moeder de campus af.
“Doe geen moeite!”, roep ik hem na, “Je moeder ligt nog in mijn bed, bij te komen van alle seks die we vannacht gehad hebben!”

Het blijkt een lange dag. Op de parkeerplaats staan een paar Hongaarse zigeuners een stel jonge meisjes een busje in te jagen.
“Boedapest heeft meer hoeren nodig”, zegt een van de Hongaren. Argh, zigeuners: de piraten van het land. Goddank ben ik ter plaatse.
“Niet op mijn campus, onverlaat!”, snauw ik hen toe, terwijl ik naast het busje neerdaal en met een elleboogstoot de eerste Hongaar neerhaal. De tweede stormt op me af, maar één ninjatrap in zijn kroonjuwelen later ligt hij kreunend op de grond.
“Tilburg heeft óók hoeren nodig”, zeg ik, terwijl ik de laatste Hongaar tegen zijn slaap stomp en de meisjes het busje uit laat. “Terug naar jullie pooiers, meiden!”

Okee, dat laatste heb ik misschien verzonnen. Feit blijft dat ik actief mijn steentje bij aan het dragen ben aan het welzijn op deze Universiteit.
Vrees niet, studenten! De campus heeft een nieuwe held, die opkomt tegen schofterigheid met méér schofterigheid! Soms is dat de enige manier.

De Karl Marx-Universiteit

april 9, 2009

Ik at in de mensa. Ik doe het niet graag, maar een mens moet ook leven. Mijn leven is de laatste tijd wat duurder geworden; ik moet zo nu en dan cadeaus bestellen voor mijn vriendin, voer voor mijn eenden, inkt voor mijn pennen. Zelf ben ik dus maar overgestapt op de budgetbak; kleffe krentenbollen en zouteloze soep.
Meestal zit ik in een hoek, waar ik de andere eters in de gaten kan houden. Vandaag at ik er later op de avond, kort voor sluitingstijd, waardoor er niet veel anderen zaten.
Links van mij een tafeltje met een stuk of elf oude mannen er aan. Oudere mensen op de campus: het moet bijna wel om personeel gaan. Deze campus is geen land voor oude mannen. Ik had weinig aandacht aan hen besteed als ze niet zo’n verdacht gesprek hadden gevoerd.
“… bezetting uit te voeren. We hebben in ieder geval een verrassingseffect nodig.”, zei een oude man.
“Niemand verwacht het, dat geef ik je alvast”, zei een andere, iets oudere oude man.
“Dit gaat te ver”, zei weer een andere, iets jongere oude man. Er waren meer leden van het elftal die hun instemming knikten, “Het gaat wel om Universiteits-eigendom.”
“Een bezetting is het beste en enige idee!”, riep de eerste oudere, “Het zal al die jongelui wakker schudden, hen wijzen op de trotse traditie van studentenrevoluties die deze universiteit koestert! Het is bijna eind april! Het is weldra veertig jaar geleden dat deze Universiteit bezet werd, en ik weiger bij de pakken neer te gaan zitten, deze dag voorbij te laten gaan alsof het niets is, alsof het niet gezien is, alsof het onopgemerkt is gebleven. Ik weiger het!”
“Hij heeft beslist gelijk “, zei een man die zich tot dan toe stil had gehouden, “Dit vraagt om een groots gebaar. Ik denk dat ik voldoende familieleden en vrienden kan optrommelen om deze campus in te nemen. Kan iemand de koffie trouwens doorgeven?”
Mijn gezicht verstrakte. Wat ik hier hoorde beviel me niets. Groots gebaar? Campus innemen? Koffie doorgeven? Niet als het aan mij lag!
“Te ver, het gaat te ver!”, zei de jongste man weer, “We kunnen er ook in de media wat aandacht aan laten besteden. Of een beschaafde viering organiseren. Maar een bezetting… Dat bevalt me niets.”
Hij werd echter overstemd door twee andere oudjes die tegelijkertijd ‘De Internationale’ begonnen te zingen. “Ontwaaaak, verworpenen der aaaarde… Ontwaaaak, verdoemde in hongers sfeer, reedlijk willen stroomt over de aarde, en die stroom rijst al meer en meeeer!”
“Het is afgesproken!”, zei de eerste man, “We bezetten deze hap!”
“De Karl Marx Universiteit! Zo zal deze plaats voortaan heten!”, riep de alleroudste van het stel, die was gezegend met een dikke baard, enthousiast.

Marx!

Dit was twee avonden geleden. Ik had het voorval alweer naar een uithoek van mijn geheugen verbannen, het afgedaan als een flauwe grap, tot ik weer een nacht in de Portrettenzaal wilde overnachten en daar de oude mannen aantrof terwijl ze een nieuwe ‘rector’ aan het inwijden waren.
Ik wist niet hoe snel ik daar weg moest komen. 28 april kan niet langzaam genoeg komen.