Archief voor mei 2009

Coverstory

mei 31, 2009

Mijn uitgever Geert de Groot mailde me enkele covers die hij eigenhandig had gemaakt voor andere boeken die Book-o-Look dit jaar had uitgebracht. Hij wilde weten welke stijl me het beste beviel voor de voorkant van het Schemerhandboek. Alsof ik het nog niet druk genoeg heb…

“Ik heb vaak wat tijd over op mijn werk”, schreef hij, “Dus dan ga ik wat met paint en photoshop in de weer. Ik hoop dat het je wat lijkt.”

altijd nooitIk heb de covers even doorgenomen. De eerste heeft nog het meest weg van een publicatie uit de Boeketreeks. Is mijn leven een aflevering uit een Boeketreeks? Ik mag toch hopen van niet. Natuurlijk: er zaten zo nu en dan wat weeïge romantische scènes in, maar ik zie mijzelf niet als een prins op enig al dan niet wit paard.

het spookt ergensDe tweede komt van een griezelboek. Ik zou mijn Schemerhandboek eerder omschrijven als een griezelboek dan als enig ander genre. Een hoop duister gedoe in de schaduwen. Monsters in kooien beneden de Universiteit. Vampiers.

Deze dan. Een eerste cover voor het Schemerhandboek zelf. Deze is beslist te druk. Er gebeurt te veel op, en ik denk dat dit het gedeelte van mijn doelgroep dat geen ADHD heeft zal afschrikken. Ik kan niet eens lezen wat nu eigenlijk de titel hoort te zijn. Bovendien leek het voorwoord van bisschop Muskens me wat uit de lucht gegrepen. Ik besloot Geert er over te bellen.

schemerhandboek“Bisschop Muskens? Wat heeft die er mee te maken?”

Geert zat blijkbaar net ergens (waarschijnlijk boven zijn budget) te dineren, en sprak met volle mond. “Mooi he? Een vriendin van me heeft voor hem gewerkt en zo hebben we hem weten te strikken voor het schrijven van een voorwoord.”

“Wat heeft hij met schemeren te maken?”

“Niet iets als zodanig. Maar het helpt altijd als je een beroemdheid kunt aanvoeren. Dit wordt een grote boost voor de verkoopcijfers, Scheem! Hij heeft zelfs al wat op papier gezet. Hier, ik lees het voor. ‘Gezegend is hij, die een leven lang in het teken stelt van God, want hij weet dat hij zich mag troosten in de genade des Here. Hij weet dat hij recht op zijn pad kan gaan, zonder ooit ten prooi te vallen aan de valse beloften van Satan.’

“…Dit heeft helemaal niets met mij te maken!”

“… een beetje wel, toch? Dat ‘hij’, dat verwijst naar jou, en je eh… worsteling. En God staat voor de campus, zoveel is ook duidelijk. En de Satan, dat is Toon natuurlijk.”

“Wéét bisschop Muskens dat hij dit voorwoord heeft geschreven?”

“Vast wel. En er staat niets tussen dat hij zelf niet ooit eerder heeft gezegd. Hartstikke leuk, jongen. Dit boek gaat er komen. Het gaat er komen! Daar ben ik zeker van. Oh en hee, ik heb trouwens nog een berenklem voor je geregeld, zoals je schreef in het Schemerhandboek, via een neef van me. Dan kun je gelijk je campus leven nog wat spannender maken! Vallen zetten, en wat niet al…”

Verongelijkt hing ik op. Mijn campusleven is al spannend genoeg.

Nooit meer Schemerling!

mei 28, 2009

Een grote groep studenten was verzameld bij het standje voor de Centrale Studentenbalie. Iemand stond een soort van redevoering af te steken. Kende deze campus nu ook al een ‘Speaker’s Corner’, waar elke gek zijn verhaal kon doen? Betrokken bij het campusleven als altijd worstelde ik me naar voren, en meteen weer naar achteren, mijn capuchon over mijn hoofd trekkend, want de persoon die een verhaal aan het doen was was mijn nemesis Toon, en zijn verhaal ging over mij.

“Beste studenten, beste mensen!”, brulde Toon vanaf een verhoging, “Ik kom tot u met slecht én goed nieuws. Eerst het slechte: Deze Universiteit kampt met een Kanker, een Pest, een vlek op haar blazoen die immer om zich heen grijpt, immer groeit. De onveiligheid neemt al maanden toe; studenten komen gewoon minder graag op de campus en dat is fokkin jammer. Er is een reden dat zij hier niet meer komen, een verklaring voor het feit dat zelfs de Bulgaarse mensenhandelaren de campus links laten liggen, en liever in Utrecht of Nijmegen gaan plunderen, uit angst met deze plaag geconfronteerd te worden. Ik heb het uiteraard over de Schemerling!”

Ontstelde kreten gingen op onder de verzamelden. “De Schemerling? Dat kan niet! Hij is een held!”, riep iemand, maar de meerderheid van de mensen leek niet van me gehoord te hebben. So far so good.

“De Schemerling, wie is dat in godsnaam?”, vroeg een meisje vlak naast me.

“Ik weet niet zeker. Is het niet die gast die dat blog schrijft op de Univers-site?”, antwoordde een jongen.

“Erik-Jan Broers?”, peinsde het meisje.

“De Schemerling!”, vervolgde Toon. Als een volleerd demagoog struinde hij over de verhoging, hier en daar pauzerend om te leunen op zijn wandelstok. “De zogenaamde nachtbewoner van deze campus. Een redder van de campus, als je hem zelf hoort. Een ordinaire inbreker, als je het mij vraagt. Te weinig mensen weten dat deze Schemerling verantwoordelijk is voor een reeks diefstallen, inbraken, infiltraties en ten minste twee moorden! Hij doodde Menno Hoogeboom, een alleraardigste student Vrijetijdswetenschappen! Hij doodde Zofia Figurska, een lieve, charmante uitwisselingsstudente! Hij doodde naar alle waarschijnlijkheid ook Martijn Quirijn, mijn voorganger bij de Minachtende Habakuk! Het is zeer belangrijk dat wij hem een halt toeroepen!”

Hij strekte zijn hand uit en trok een tweede persoon de verhoging op. Deze zat onder de blauwe plekken, en kwam me enigszins bekend voor, waarschijnlijk omdat ik hem een week eerder had afgerost.

“Neem deze arme jongen; een partijgenoot van me. In elkaar geslagen door de Schemerling! Zónder enige aanleiding!”

De jongen knikte somber. Toon strekte zijn wandelstok uit en gebaarde Luuk van Dijk naar voren te komen. De professor-in-opleiding zag er slecht uit, had zich al dagen niet geschoren. “Neem ook deze arme Luuk van Dijk, op wie de Schemerling karaktermoord pleegde, door hem in een vreselijk theaterstuk voor schut te zetten!”

Luuk van Dijk knikte. “Ook ik uit de wens dat de Schemerling gestopt wordt.”

“Hoe lang moet dit schrikbewind nog door gaan? Niet lang, zeg ik u! Neem dus mijn gebed over, dan bidden wij samen: Nooit meer Schemerling!”, riep Toon, “Nooit meer Schemerling!”

“Laat de bewaking dit oplossen!”, riep iemand, “Dit is ons probleem niet.”

“De bewaking?” Toon spoog de vrager recht in het gezicht. “Wat doet de bewaking hiertegen? Niets! De bewaking staat machteloos, wapenloos! Slechts bewapend met gummiknuppels en pepperspray kunnen zij weinig uitrichten om jullie, de studenten, te beschermen, denk maar aan die keer dat die emoe hier op de campus ontsnapte en lelijk huis hield! Neen, de bewaking is beslist niet de manier.”

Ik keek opzij naar bewaker Rattengezicht, maar die haalde slechts zijn schouders op en ging een eindje verderop staan roken. “Die kutstudenten ook altijd…”, mompelde hij.

jagers“Ik, Toon Kopmans van Habakuk, kom echter met een oplossing. Bij deze stel ik het Schemerling Preventie-Opsporings Team op, ofwel SPOT, een viertal dappere jagers dat de Schemerling zal gaan opjagen en, zo mogelijk, vernietigen! Laat hem de studenten maar eens lastig proberen te vallen, dan komt hij van een koude kermis thuis! AHAHAHAHAHAHAHAHA. Kom maar naar voren.”

Een woedende volksmenigte stond voor mijn huis, en de moed was me in de schoenen gezonken. Langzaamaan bereidde ik mijn aftocht voor, bewoog me uit de menigte, ineen gedoken.

Een viertal uit de kluiten gewassen kerels beklom inmiddels het podium. De voorste kwam me vaag bekend voor.

“Deze heren zullen God’s werk verrichten en de Schemerling dode… ópsporen!”, riep Toon.

“Surely, I shall find this Schemerling, and kill him!”, zei de leider van het SPOT, “My poor sister’s tormented soul shall finally find peace…”

De voorbereiding

mei 27, 2009

Inbreken op de campus. In zekere zin doe ik het al meer dan twee jaar lang, maar deze inbraak zou anders zijn. Ik heb mezelf toegang verschaft tot kamers van docenten en studenten, van rectoren en lectoren, maar nog nooit tot die allerheiligste, best beveiligde ruimte onder de Universiteit: het archief. Toch is dit wat de Chinezen van mij willen in ruil voor hun hulp, en wie ben ik om niet te gehoorzamen aan de Chinezen? De Dalai Lama?

De bewakers die gewoonlijk bij archief C52 patrouilleren heten Mark en Theo. Mark is de oudste; hij is zelden stil, wat het heel gemakkelijk maakt ze te horen aankomen. Hij vertelt graag moppen en grapjes die hij zelf behoorlijk op het randje vindt, en dat misschien ook wel ooit waren geweest, in de jaren ’20 van de vorige eeuw bijvoorbeeld.

“Waarom stinkt een ambtenaar zo uit zijn mond?”, vraagt hij dan, “Hij is nog te lui om een scheet te laten!” Zijn repertoire aan ambtenarenmoppen is schier oneindig.

De jongere, Theo van rond de dertig, is minder spraakzaam. Tijdens een van hun dagelijkse wandelingen heeft Mark van hem ontfutseld dat hij in de gevangenis had gezeten, maar veel meer weet niemand van Theo. Zijn antwoorden richting Mark zijn kort; ‘Ja’ of ‘Nee’ of ‘Grappig’ of ‘Maandag, want dan moet hij drie blaadjes van de kalender afscheuren’.

Zowel Mark als Theo heeft een van de twee sleutels die vereist was om de toegangen van het archief te openen. Wat Mark en Theo niet weten is dat ik inmiddels Theo’s sleutel al heb ‘geleend’ en laten namaken. Het was heel gemakkelijk. Terwijl hij onder de bibliotheekbrug heen wandelde smeet ik een paar kluiten modder op hem. Toen de arme sul vervolgens onder de douche stond ging ik er met zijn sleutelbos vandoor.

Nu moet ik alleen Mark’s sleutel nog hebben, en ik peins over hoe ik hem deze afhandig kan maken. Op welk moment van hun dagelijkse ronde staan ze het beste open voor een onverhoedse aanval? Is dat wanneer zij om kwart voor drie in de binnenplaats van gebouw C een sigaretje roken? Is dat als zij om half zes een maaltijd nemen in koffiekamer C? Of kan ik beter toeslaan wanneer zij door de kelders dwalen, vanuit de schaduwen opduiken om de sleutel te snaaien?

Ja, ik ben hun gangen na aan het gaan, weet welke rondes ze maken, wat de nummerborden van hun auto’s zijn, hoeveel kinderen, broers en zussen, nog levende ouders zij hebben. Ik moet het weten, zodat ik ze de nacht van de inbraak kan afleiden. Ze moeten worden uitgeschakeld.

Goedschiks of kwaadschiks.

Dood of levend.

Luuk van Dijk ziet ze vliegen

mei 25, 2009

Professor-in-opleiding Luuk van Dijk had me uitgenodigd een van zijn responsiecolleges bij te wonen.

“Het is voor ons allebei nuttig, Schemerling.”, hield hij me voor, “Jij leert het een en ander over het recht, en vervolgens kun je mij evalueren op wat er goed ging, en wat beter ging. Kom op, het is mijn tweede college pas.”

“Ik beloof niks, maar als ik er aan denk kom ik er bij zitten. Okee, Luuk?”

“Ja, ja. Dat is zo.”, mompelde Luuk, “Daar ís ook geen precedent voor.” Ik geloof niet dat hij nog besefte dat ik naast hem stond. Dat overkwam hem de laatste tijd wel vaker.

 

Met enige tegenzin schoof ik een paar dagen later aan bij het college. Luuk mocht van de faculteit al les geven aan een stel eerstejaars. Ik geloof dat ik wat uit de toon viel omdat ik niet tot dit mentorgroepje behoorde en dus wat te geïnteresseerd en beheerst overkwam. Het duurde ook even voor Luuk zelf arriveerde.

“Van Zeik is weer te laat”, zei een eerstejaars gekscherend.

“Die ouwe klootzak is zeker weer verdwaald in de lift.”, lachte een ander.

thorbeckeVan Dijk was ruim tien minuten te laat, en toen hij eindelijk binnen kwam begonnen de studenten onbeschaamd te lachen. Hij droeg dan ook twee verschillende wanten en had zich niet geschoren die dag, en leek erg verbaasd dat er mensen waren komen opdagen voor zijn college.

“Nou, de Hoge Raad dus…”, begon Luuk vlug, “Wat? Waar is de computer? Ik heb een powerpoint presentatie.” Hij wandelde doelloos in het rond tot hij een computer had gevonden, en was toen een minuut of drie kwijt aan het vinden van de aan/uit knop. “Dit is belachelijk, een absurde fictie”, bleef hij maar mompelen, “Als ik, Luuk van Dijk, het al niet snap, hoe moeten anderen er dan uit komen? Nou, waar is de powerpoint? Hoe vind ik hier de powerpoint?”

Al met al was het tien over negen voor Luuk van Dijk eindelijk zijn college begon. “Nou, op naar de stof, want het privaatrecht is geen lichte materie, beslist niet! De Hoge Raad zegt dus dat…” Twee eerstejaars meisjes begonnen te praten en te giechelen, wat Luuk zichtbaar verstoorde. “Wat is dat? Wat gebeurt er? Zijn er vragen? Hebben jullie vragen?”

“Nee, we hebben geen vragen, van Zeik”, zei een jongen, “We zouden niet durven…” Meer meisjes giechelden.

“Let dan op, want ik sta hier niet voor de… voor de kat zijn kut!”, snauwde Luuk van Dijk. Hij leek zelf verbaasd over zijn agressie en werd rood.

Een van de eerstejaars stond ineens op, al was hij bij nader inzien geen eerstejaars student, maar Luuk van Dijks politieke rivaal, een jongeman genaamd Klaas.

“Ík heb nog wel een vraag, Luuk van Dijk”, sneerde Klaas, “Dit is toch geen college over Zwitserse kaas? Waarom zitten er dan zoveel gaten in je verhaal?”

“Aaargh, het is mijn politieke rivaal Klaas F.”, zei Luuk verschrikt, “Waarom heb je mijn les geïnfiltreerd, jij schelm?”

“Ik spreek voor de studenten als ik zeg dat dit duidelijker en helderder kan, Luuk van Dijk! Dit is geen onderwijs, en jij bent geen onderwijzer. Van je lessen worden wij hooguit onderstommer!” Enkele studenten applaudisseerden om deze toch wel slechte woordspeling.

“Staak deze leugens!”, zei Luuk, “Scheer je weg, addergebroed! Jij bent geen student van mij!”

“Ik roep op tot betere kwaliteit van onderwijs”, riep Klaas, “Iets beters dan die stotterende, onsamenhangende Luuk van Dijk. Steun mij als professor privaatrecht!”

“Daar is geen precedent voor!”, brulde Luuk van Dijk, “Je bent een monster, Klaas! Waarom laat je me niet met rust? Is het nog niet voldoende dat je karaktermoord op mij hebt gepleegd door je toneelstuk, ‘Onder professoren’ op mij te baseren?”

Nu keek Klaas wat verbaasd. “Hoe graag ik ook karaktermoord op je zou plegen zegt dat laatste me niets. Ik heb geen stuk over je geschreven. Al is dat beslist geen slecht idee.” Hij pakte zijn pen er bij.

“Níet? Schemerling zei nochtans dat…” Luuk van Dijk keek verbaasd van Klaas naar mij, weer terug naar hem, en weer terug naar mij. Opeens leek het kwartje te vallen. “Natuurlijk… De schrijfstijl… De thematiek… Schemerling! Jíj schreef het toneelstuk! Ach en wee! Jíj was degene die mijn karakter afbrandde, met liedjes en dansjes! Jij… jij… verrader!”

Nu was het mijn beurt om van slag te zijn. Het was wel degelijk waar dat ik een tamelijk negatief ontvangen toneelstuk had geschreven dat losjes was gebaseerd op het personage Luuk van Dijk. “Sorry, Luuk van Dijk”, stamelde ik, “Ik dacht niet dat je er ooit op zou stuiten.”

“LEUGENAAR!” Luuk van Dijk slaakte een verdacht hoge kreet en stormde het lokaal uit. Ik denk eerlijk gezegd niet dat ik hem nog zal terugzien.

De Chinezen

mei 22, 2009

Je wilt geen ruzie met de Chinezen. De Chinese gemeenschap op de Uvt heeft zich op zo’n manier georganiseerd dat zij buiten het reilen en zeilen van de rest van de Universiteit staat, en zo in zekere zin onaantastbaar is. In tegenstelling tot de meeste Uitwisselingsstudenten zijn de Chinezen hier voor een vorredige (ik voel me smerig nu) studieperiode, in plaats van een enkel semester. Dit geeft hen meer inspraak en invloed op diverse vlakken dan de gemiddelde autochtone student. Tevens heb ik al lange tijd het vermoeden dat de Chinezen, die zich hebben georganiseerd in verschillende bendes, veel meer gedaan krijgen dan de gemiddelde student.

De dag nadat ik Toons gesprek met hen had waargenomen bezocht ik de Chinezen op de plaats waar zij dikwijls bijeen komen: het trappenhuis van het onderkomen van de Uitwisselingsstudenten tegenover de campus. Zofia had zo vaak over hen gesproken. De gedachte aan haar doet me pijn.

De messen kwamen te voorschijn toen de Chinezen me zagen naderen. Een toevallig langslopende kok liet zelfs zijn pan met rijst vallen om ook een mes te trekken. Het was een komisch gezicht.

“Niet zo snel”, zei ik, “Ik kom om te onderhandelen.” Het was de leider van de blauwe bende die ik hier benaderde; meneer Qing.

“Ik zie niet in waalover wij met jou zouden ondelhandelen”, zei een van de messentrekkers in slecht Nederlands, maar meneer Qing legde hem het zwijgen op. Hij keek me aan alsof hij me ergens van herkende.

“Waarvoor ben je hier?”, vroeg hij, “En hou het kort, of mijn vrienden hier maken Tjap Tjoy van je.”

“Tjap Tjoy is volgens mij een vegetarisch gere… Laat ook maar. Ik ving toevallig op dat jullie zaken doen met Toon.”

Qing lachte akelig. “Wij doen méér dan zaken met Toon. Wij zijn de reden dat hij nog in het zadel is, mag ik wel zeggen. Wij hebben hem voldoende mankracht geleverd om zijn studentenvereniging de sterkste van de campus te maken, zelfs de Universiteitsraad in te helpen. Weet hij veel dat hij eigenlijk onze pop is, dat wij hem inzetten om voor ons gunstige maatregelen er door te krijgen, om te voorkomen dat de Universiteit ons bij onze… activiteiten te veel achter de vodden zit.”

“Wat biedt hij jullie?”, vroeg ik, “Macht? Invloed in de raad? Wat het ook is, ik bied jullie meer om je van Toon te ontdoen.”

“Hahahahaha.” Meneer Qing lachte opnieuw. Hij leek me het type dat zou baten bij een Perzische kat die hij op sinistere wijze kon aaien. “Ik denk niet dat wij dit soort zaken met outsiders bespreken. Waarom zouden we je niet ter plekke neersteken?”

“Ehm…. omdat Nederland een rechtsstaat is, en wij een effectief politiesysteem hebben. En omdat ik een plan heb?”

“Hahahaha. Wat kan een eenzame buitenstaander ons bieden? Er is één dienst die je ons kunt doen, hoewel ik betwijfel of je hiervoor in de wieg gelegd bent…”

“Zeg het me, en ik wil er over na denken.” Ik besef dat ik me hier op glad ijs begeef. Wie zou een Schemerling missen? Mijn eenden? Luuk van Dijk? Ik betwijfel het.

“Hmm… Het probleem is als volgt. Helaas zijn er ook touwtjes waar wij niet aan kunnen trekken, sloten waarvan wij de sleutel niet bezitten, en bewakers die geen steekpenningen aannemen… Neen, beste bemoeial, wij zijn op zoek naar… Toegang. Toegang tot…” De klootzak wist wel hoe hij spanning moest opbouwen. “…de inhoud van lokaal C52.”

C-52. Mijn adem stokte in de keel.

C-52.

De enige ruimte van de Universiteit waar ík, al mijn omzwervingen ten spijt, nog nooit was binnengekomen. Het archief van de Universiteit, verborgen beneden Koffiekamer C, aan het eind van een gang met aan weerszijden grote kooien. Een ruimte die elk moment van de dag werd beveiligd met bewegingsdetectoren en immer patrouillerende bewakers.

“Er ligt daar iets in die kluis. Iets dat wij al jaren willen hebben. Maar alleen een meester-inbreker kan daar binnen komen.”

“Ik kan het voor jullie regelen”, zei ik na een korte aarzeling, waarbij mijn verlangen naar wraak het won van mijn angst voor dat deel van de Universiteit, “Als ik voor jullie het kleinood uit kluis 52 regel, moeten jullie me beloven dat Toon’s reign of terror voorbij is.”

“In orde.”, zei de leider van de Chinezen, “Maar in ruil daarvoor stel jij geen vlagen. Wat jij voor ons gaat stelen is onze zaak en onze zaak alleen.”

Toon

mei 20, 2009

Vanavond volgde ik hem, na afloop van een bespreking van de Universiteitsraad, in het kader van zijn benoeming als kopman van de Minachtende Elite, de naam waarvan hij heeft omgedoopt in ‘Minachtende Habakuk’. De vergadering zelf heb ik ook nog even bijgewoond, vanuit de schaduwen. Toons vereniging, Habakuk, begint een stevige vinger in de pap te krijgen. Nu ze tevens vertegenwoordigd is in de Universiteitsraad wordt ze te gevaarlijk. Hij zegt dat hij voor de studenten spreekt, dat hij wil voorkomen dat ze het slachtoffer worden van ongewenste maatregelen. Hij beweert dat volgens recente cijfers een tiende van alle UvT-studenten lid is van Habakuk, maar dat kan niet kloppen, dat mág niet kloppen.

“Betere budgetverdeling!”, bleef hij maar roepen, “Jullie moeten studenten aan je binden, en dat doe je niet door meer geld te pompen in zo’n achterhaald iets als een bibliotheek! Beter eten in de mensa, en een campuscafé dat tot later open is dan tien uur! De Universiteit moet gaver worden, dat is de mening van mijn Habakuk-achterban!”

“Humbug!”, pufte een gezant van een werknemersfractie, “We moeten deze Universiteit op een zo hoog mogelijk niveau van excellence blijven richten! Understanding society! Op proactieve wijze moeten projecten als de topklas worden bevorderd en uitgebreid.”

Toon had echter zijn schoen uitgetrokken, en bleef hiermee op de tafel slaan, terwijl hij luidkeels ‘Studenten voor studenten!’ riep. Na een tijdje kreeg hij bijval van de achterban die hij had meegebracht.

“Deze Toon is als een onstuitbare natuurkracht”, zei een lid van de BRAM-fractie hoofdschuddend, “Hoe moeten we hem toch tegenhouden?”

Fluitend wandelde Toon na de vergadering naar de fietsenkelder van gebouw C. Hij rookte een sigaret, en had zich inmiddels een wandelstok aangemeten. Volgens een interview in de Univers had hij dit gedaan omdat het bij zijn nieuwe imago paste van ‘herder van de studenten’.

“Je ziet, studenten zijn als schapen”, had Toon in het interview gezegd, “En schapen weten niet altijd wat goed voor ze is. Daarom hebben ze een herder nodig, die ze de juiste kant op stuurt. Die herder ben ik, althans voor de Habakuk-leden. Maar onze achterban groeit gestaag. Ik sluit niet uit dat er in de toekomst geen behoefte meer zal zijn aan Plato, Olof, Vidar of Aramis. Niemand zit dan meer te wachten op een BRAM of FONS. Alles dat zij nodig hebben is Habakuk.”

Halverwege de glazen gang passeerde hij een eerstejaars wiens tas was gescheurd en wiens boeken en bladen nu verspreid over de vloer lagen.

“Alstublieft meneer, uw hulp. Mijn spullen liggen overal.”

“Mijn hulp, zeg je?”, lachte Toon. Hij keek even om zich heen, maar ik had mij al verstopt. Er was niemand te zien. “Ik zal je helpen. Hohoho, ik zal je helpen.” Hij pakte een van de gevallen boeken van de vloer en scheurde hier lukraak enkele bladzijden uit.

“Nee meneer, niet doen! Dat is van de bibliotheek!”, riep de eerstejaars.

“Die gaat er toch aan, als het aan mij ligt”, gnuifde Toon. Hij frommelde de bladzijden op, stak de prop in brand, en gebruikte deze om zijn sigaret aan te steken. “Tough luck, kiddo. Het is een wrede wereld.”

De eerstejaars op de afgrond van een huilbui achterlatend liep hij door. Bij de trappen naar de fietsenstalling werd hij opnieuw aangesproken, dit keer door een tamelijk aantrekkelijk meisje met verschillende ‘assets’. Ik doel op borsten. Ze had grote borsten.

“Toon, ik keek vandaag op de studiegids, en de ECT stonden er nog steeds niet. Ik kom er nog steeds zes te kort. Je zei dat… je connecties… in de raad…”

“Ik doe mijn best.”, zei Toon, een trek van zijn sigaret nemend, “Je kunt me natuurlijk altijd proberen te motiveren wat harder mijn best te doen. Je weet best wel hoe.” Zijn blik dwaalde naar haar borsten.

Het meisje schudde haar hoofd. “Ik kan dit niet blijven doen. Mijn vriend… hij weet het, denk ik. Maar hij gunt me die studiepunten. Verdomme… Je zei dat je het zou regelen.”

“Ik zei dat ik het zou regelen, ja. Ik zei niet wannéér. Als je wilt dat ik er haast achter zet ben je morgenavond op mijn kamer. Oh, en doe dat jurkje aan dat je vorige keer ook aan had. Stond je leuk.”

“…klootzak.”, mompelde het meisje.

“Take it or leave it, bitch”, grinnikte Toon. Hij liep de trap af, kakelend lachend nu. Ik sloop achter hem aan.

In de fietsenstalling bleef hij even alleen staan roken. Hij floot een wijsje dat me vaag bekend voor kwam. Toen hij was uitgefloten verschenen plots drie Chineze studenten vanachter pilaren.

“Meneren Yuan, Ming en Quing. Excuses voor de late aankomst. Ik werd… opgehouden.”

“Jullie westerlingen kunnen wat van ons leren wat punctualiteit betreft”, zei een in het rood geklede Chinees in vlekkeloos Nederlands, “Het maakt je er niet betrouwbaarder op.”

“Hee, ik ben het, Kopmans-san! Geen probleem, luitjes. Je kent me. Jullie hebben een verzoek, en ik zorg dat het door de raad komt, zolang jullie de mankracht leveren voor mijn… projecten. Het is een match made in fokkin heaven!”

De Chinezen. Die schoft van een Toon had de voltallige Chinese triade achter zich staan.

Sample

mei 19, 2009

Toen ik vanochtend de Gianotten passeerde sprong een schimmig figuur in een lange zwarte regenjas met capuchon vanachter een struik op mijn pad. Hij zwaaide met een dun boekje in mijn gezicht.

“Een Schemerboekje, kerel?”

“Sterf, dwaas!” Even vreesde ik te maken te hebben met een aanslag van Habakuk, de slechte studentenvereniging. Ik balde mijn vuisten. De aanval is de beste verdediging.

“Niet slaan! Ik ben het!” De aanvaller trok zijn capuchon af. Hij was Geert de Groot. Ik had niet verwacht mijn uitgever hier in een vermomming aan te treffen.

“Wat doe jij hier?”, vroeg ik.

“Ik heb één woord voor je”, zei Geert lachend, “Viral marketing. We maken reclame voor je Schemerhandboek, jongen, delen alvast wat ’samples’ uit aan nietsvermoedende voorbijgangers. Op die manier wekken we interesse voor je handboek. Pure sluikreclame, zo noemen ze dat in marketingtermen. Ik doe hier de Gianotten en vanmiddag nog de Selexyz in de stad, en Gerben doet een ronde langs een aantal boekhandels in Breda. Zoiets onthouden ze, Schemerling. Zoiets onthouden de nietsvermoedende voorbijgangers. Ik heb er vandaag al zovelen de verrassing van hun leven bezorgd!”

Zo zonder capuchon zag ik vrij goed dat hij een blauw oog had. “En lukt het tot nu toe een beetje?”

“Niet iedereen reageert even vriendelijk”, zei Geert. Hij wreef over een bult op zijn voorhoofd. “Een hoop onbeleefde en agressieve mensen hier op de campus. Ik dacht dat studenten iets… sympathieker zouden zijn.”

Hij draaide zich om naar een meisje dat ons passeerde. “Een Schemerboekje, meiske?” Hij drukte haar een klein boekje in de handen.

“Flikker op, enge pooier”, zei het meisje slechts. Ze smeet hem het boekje terug in het gezicht.

“Ai! Mijn oog!”, riep Geert de Groot, “We hadden de boeken ook niet in plastic moeten binden…”

“Ze leek niet onder de indruk”, merkte ik op.

Geert de Groot knikte. “Oh jee, dit belooft weinig goeds voor later deze week, als ik voor de promotie van een van onze griezelboeken verkleed als vampier door Eindhoven-Oost moet.”

“Ik kan wel enkele samples op strategische plekken verspreiden”, bood ik aan. Ik kreeg een beetje medelijden met die arme Geert de Groot.

“Als je dat zou willen doen?” Hij gaf me een doos vol met losse hoofdstukken van het SchemerHandboek, constateerde toen dat Bewaker Rattengezicht onze kant op kwam gesloft.

“Oh gut, bewaking. Die willen niet dat ik hier met die boeken sta te leuren. Ik moet er vandoor.” Geert sprong op, deed zijn capuchon weer op, en sprintte er vandoor, als een Schemerling achternagezeten door de bewaking.

Hij had zich in ieder geval goed ingelezen.

Homo homini lupus est

mei 17, 2009

De Schemerling…

Ze zeggen dat hij strijdt voor alles dat goed en rechtvaardig is…

 

“Aaaargh! Aaaaargh! Houd op!”

Het Habakuk-lid is verrassend volhardend. Ik moet hem bijna twee minuten lang afrossen voordat hij de gevraagde informatie geeft. Een paar schoppen in zijn maag, wat vuistslagen in zijn gezicht, totdat hij in een verslagen hoop op de grond ligt.

“Zeg het!”, brul ik, hem in zijn zij schoppend, “Geloof me, ik kan hier nog dagen mee doorgaan! En jij overduidelijk niet!”

“Praeses Toon… is… overmorgen bij een vergadering in… gebouw W, voor de ‘Minachtende Habakuk’.”, spuugt hij. Hij bloedt uit één neusgat en uit een wond in zijn hoofd, dat verder rood ziet van de slagen, stompen en schoppen. Toen ik deze jongen, die ik als een bestuurslid van Habakuk herkende, zaterdagmiddag van zijn fiets zag stappen ben ik hem in de gaten blijven houden, tot na zonsondergang zelfs. Toen er niemand in de buurt te zien was heb ik zijn fiets gekraakt en ben langs hem gaan rijden tot hij zijn rijwiel herkende en me boos achterna kwam gerend. “Geef terug! Geef mijn fiets terug! Weet je wel wie ik ben?”

Ik heb hem naar de parkeerplaats gelokt, en hem hier te grazen genomen. Het is verrassend hoe de woede me vleugels geeft, hoe fijn het is om eens de klappen uit te delen, in plaats van de ene na de andere tegenslag zwijgend te incasseren.

“Hoe laat?”

“Woensdag… avond… tot half zeven.”

Ik houd op met schoppen. Er zit bloed op mijn schoen. “Was dat nou zo moeilijk, stomme klootzak? Moest je nou zo lang je kop houden om die teringlijer te beschermen?” Ik schop hem nog een paar keer, gewoon, omdat het kán.

“Je komt hier niet mee weg”, zegt de Habakuker, “Habakuk vergeet nooit iets. Sempra nox…”

Ik hoef me geen zorgen te maken. Hij zal me niet herkennen. Ik heb een capuchon over mijn hoofd getrokken en een das voor mijn mond gewikkeld. Net als in het toneelstuk. Ik zal ze leren op te passen voor de Schemerling! Bovendien is het bijna nacht, dezelfde verlaten plaats waar ik een maand of twee geleden nog iemand van een pak slaag gered heb. Leuk hoe zoiets nog even terugkomt.

“Vuile h-hater”, spuugt hij, “Ben je een Olof? Een Plato? Jullie klootzakken krijgen Habakuk toch nooit klein!”

Ik lach vreugdeloos. “Nee, zij niet. Ik wel. Ik ben je ergste nachtmerrie. Ik ben de gesel Gods. De Heer der Schaduwen. De campusking. Zeg je baas maar dat de campusking voor hem komt.”

“Wacht eens even… Jij bent… die gast uit dat toneelstuk… De Schemerling? Ik las er een recensie van… Ik dacht… dat jij… de studenten beschermde…?” Hij kijkt me ongelovig aan, met zijn gezwollen, bloedende gezicht.

“De Studenten zijn mijn bescherming niet waard”, spoog ik hem toe. Met deze woorden keerde ik me om, en verdween terug in de schemering. Ongetwijfeld een dramatische afgang.

De Redder van de Campus gaat af…

In memoriam

mei 15, 2009

Ik las een korte overlijdensadvertentie voor Zofia, maar die deed haar geen eer aan. Het was duidelijk dat de schrijver haar niet gekend had. Ik ben de enige die haar gekend heeft. ‘De internationale gemeenschap zal haar missen’, maar ik het meest.

IM

Daaronder een tweede, uitgebreidere overlijdensadvertentie. Het was blijkbaar een zwarte week voor de Universiteit.

‘Martijn Quirijn werd 21 jaar’, stond er, ‘Hij wordt gemist door het hele derde bachelorjaar van de studie Fiscaal Recht en door zijn collega’s op het accountantskantoor in Goirle waar hij wel eens voor werkte. Martijn was een enthousiaste jongen die altijd vol zat met complimentjes voor anderen, over hun kleren, hun haar, noem het maar op.  Afgelopen zondag kwam hij om na een val van zijn balkon… De politie sluit niet uit dat het om zelfmoord ging.’

Weer een sterfgeval. Ik word er alleen maar somberder van. Ik had deze Martijn Quirijn gekend en me meermaals behoorlijk aan hem geërgerd, maar dit verdiende hij nu ook weer niet.

‘De laatste weken van zijn leven hield Martijn zich intensief bezig met Medezeggenschap. Met zijn eenmansfractie, de Minachtende Elite, zorgde hij als nieuwkomer voor de broodnodige opschudding binnen de Universiteitsraad. Zijn plaats binnen de Minachtende Elite zal nu worden ingevuld door zijn fractiegenoot Toon Kopmans, tevens praeses van Universiteitsvereniging Habakuk. De eenmansfractie zal vanaf nu worden voortgezet onder de naam ‘Minachtende Habakuk’… In een verklaring kort voor zijn overlijden liet Quirijn weten dat Kopmans de juiste man voor de job was.’

Typisch. Die schoft van een Toon had dus deze week al meerdere sterfgevallen op zijn geweten. Ik twijfelde er niet over dat hij ook Martijn Quirijn op het beslissende moment een zetje had gegeven. Ik voelde me indirect schuldig over Quirijn’s overlijden. Ik was tenslotte degene geweest die hen aan elkaar had voorgesteld, ook al was dat incident ermee geëindigd dat Toon Quirijn brie in zijn gezicht had gesmeten.

In ieder geval gaf dit me meer ammunitie. Ook voor deze moord zal Toon boeten. De tijd is er naar om hem en zijn imperium een halt toe te roepen.

Accident

mei 13, 2009

Ik zag Zofia’s broer Tomás vanmorgen op de Universiteit. Met alle tijd die ik in mijn wraakplannen jegens Toon steek was ik bijna vergeten dat hij ook nog bestond. Sinds de laatste keer dat ik hem had gezien is hij er op achteruit gegaan. Waarschijnlijk ben ik er zelf ook op achteruit gegaan. Zijn bril stond scheef op zijn neus, en er zaten scheuren in het glas; zijn lange regenjas zag er uit alsof hij ermee door een jungle, of door Tilburg-Noord zelfs, was gerend; het enige dat onbeschadigd was was het kruisbeeldje dat om zijn nek hing.

Hij stond op een meter of twee afstand met bewaker Rattengezicht te praten. Vlug dook ik achter de fontein. Ik kon niet meteen horen waarover zij spraken, maar toen hij na verloop van tijd begon te schreeuwen werd hij beter te verstaan.

“… Polish girl díed at your university, and you do nóthing to find out who did it?? To hell with thee!”

“It was an accident, mister.”, zei de bewaker, “Nobody did nothing. Accident.”

Tomás werd rood van woede. “Accident? Do you even hear what you are saying, you awful man? I am telling you she was murdered, murdered by a vile heretic outcast who calls himself Vlad, but his real name is (GECENSUREERD). You must arrest him, or extradite him to the great nation of Poland!”

De bewaker lachte onsmakelijk. “Poland has no jurisprudence here in Holland, mister. Accident.”

“At least tell me what his full name is, or where he can be found. You must have some sort of database to look these things up!”

“All information is private, mister. We can’t not help you.”

“Damn you to hell, you green sickness-carrion! My sister… I must avenge her death!”

“Mister, you must go back to Poland. We don’t not want you to steal our jobs from us. I don’t need plumber. I already have plumber. Go home please.” De bewaker pakte er een walkie-talkie bij, praatte hierin. “Brady, we hebben hier een 6-15. Een 6-15 bij de fontein.”

Het was even stil aan de andere kant van de walkie-talkie, tot een krakende stem antwoordde. “Een 6-15, Dick? Wat is ook weer een 6-15? Is het iets… iets met Bulgaren?””

“Polen! Een 6-15, Brady! Overlast veroorzakende Pool bij de fontein. Ik denk dat hij onze banen wil afpakken. Stuur backup.”

Een tweede bewaker kwam ogenblikkelijk koffiekamer P uit gewaggeld en voegde zich bij de eerste. Tomás slaakte nog een verschrikkelijke kreet en stampte toen weg, nagestaard door vele studenten. “I shall get you, ‘Vlad’!”, riep hij vervolgens, zijn vuist in de lucht geheven, “You shall pay for what you have done!”

Kon ik maar iets doen om dit misverstand uit de wereld te helpen…