Not a crook

juni 10, 2009 door schemerling

Het is uitgekomen. De Chinezen hebben alles systematisch laten uitlekken. Toon Kopmans’ corruptie op grote schaal is uitgekomen, het feit dat zijn vereniging knokploegen inzette om haar doelen te bereiken, het feit dat hij met bedrog aan de macht was gekomen.
Het begon met subtiele klachten die bij de diverse Universiteits-instanties werden ingediend. Praeses Kopmans zou zijn stemmen hebben gekocht, praeses Kopmans zou zijn macht hebben aangewend om studenten persoonlijke gunsten aan hem te laten verrichten, praeses Kopmans zou de ledenaantallen van zijn vereniging hebben vervalst, praeses Kopmans zou in samenwerking met de Bulgaarse mensenhandelaars verschillende jonge meisjes de prostitutie in hebben gedwongen, praeses Kopmans zou op de Habakuk-kamer voldoende explosieven hebben verborgen om gebouw C op te blazen. De Chinezen wisten hoe ze een gerucht moesten verspreiden; binnen enkele dagen ving ik op de wandelgangen verschillende gesprekken op over de excessen van Toon Kopmans.
Daarna kwamen de meer tastbare bewijzen. Bij de redactie van de Univers werden bandopnamen geleverd, met gesprekken tussen praeses Kopmans en een tweede persoon, die niet te verstaan was. Hierop was duidelijk te horen hoe de praeses opdracht gaf om zijn tegenstanders te bedreigen, af te luisteren zelfs!
“Plaats die fokkin afluisterapparatuur nou maar, stelletje teven! Zo moeilijk kan het toch niet zijn om bij Vidar in te breken, het is in de middle of fokkin nowhere! Fokkin hel, waarom moet ik met zulke zultkoppen werken?”, was er te horen, “En daarna wil ik dat jullie bij FONS inbreken. En laat het zo lijken dat fokkin BRAM er achter zit, en niet de gaafste persoon van de campus!”
“Dat kan iedereens stem zijn!”, had de praeses ter verdediging aangevoerd, maar de Universiteitsraad had het niet gekocht. De Minachtende Habakuk verloor haar medezeggenschap in de Raad. Een eerste klap was uitgedeeld.

De tweede klap kwam niet veel later. Vandaag heeft zijn vereniging het vertrouwen in hem opgezegd. “Een professionele operatie als Habakuk kan het zich niet veroorloven geassocieerd te worden met een geweldenaar als Toon Kopmans”, zo verklaarde de nummer twee op de lijst Habakuk, ene Mordechai.
Ik keek vanaf een afstandje toe hoe Toon zijn kap en mantel officieel werden afgenomen. Een groep mensen, waaronder zijn partijleden, had hem op staan wachten bij de kamer van Habakuk. Ook enige redacteurs van de Univers en andere bewindspersonen waren erbij, en zelfs de rector en een rolstoelgebonden Luuk van Dijk, terwijl Toon raasde en tierde over de onrechtvaardigheid die hem was aangedaan.
“Ik hoop dat jullie blij zijn, zultkoppen! Jullie gaan het missen, dat verzeker ik je! Vanaf nu hebben jullie Toon Kopmans niet meer om in het rond te schoppen! Okee, misschien ben ik een schoft, een klootzak, een doortrapte, gehaaide bastaard, maar zie het goddomme maar eens zonder mij te redden! Diep van binnen hebben jullie behoefte aan een Machiavelli, die doet wat gedaan moet worden, goedschiks of kwaadschiks!” Hij begon als een gek in het rond te zwaaien, schuimbekkend van woede. “We leven in een wrede wereld. Denk niet dat deze campus zich daaraan kan onttrekken! Wie gaat jullie beschermen? Jij, Luuk van Dijk?”
Hij spoog die arme Luuk recht in het gezicht. KLETS! “Nee, die taak is aan Toon Kopmans! Ik draag een grotere verantwoordelijkheid dan jullie je ooit kunnen voorstellen! Het schijnt jullie ongetwijfeld grotesk en onvoorstelbaar toe, maar mijn bestaan redt levens! MIJN BEWIND REDT LEVENS! En jullie, jullie willen niet eens weten wat ik daarvoor doe! Jullie slapen beter zonder de waarheid te weten over de offers die ik dag in dag uit voor jullie maak! JULLIE KUNNEN DE WAARHEID NIET AAN!”
Het was min of meer de speech uit ‘A few good men’, op een paar punten veranderd. Niemand nam hem serieus. Toons ambtssymbolen gingen in vlammen op.
“Nu wil ik nog even het woord nemen”, verklaarde de rector nadat Toons kap was verbrand, “De Universiteit bekwaamt zich op de moreel juiste gesteldheid van haar studenten. Zij vindt het daarom des te erger als er zo’n rotte appel als deze tussen blijkt te zitten. Hier wil de Universiteit graag iets tegenover stellen. Vanaf nu is deze student bepaalde rechten kwijt; hij is min of meer vogelvrij. De mensa hoeft hem niet meer te bedienen, docenten mogen hem voor hun colleges weigeren, en het staat studenten vrij hem ongestraft een klap voor zijn kop te geven als zij daar zin in hebben. Ik dank u voor uw aandacht.”
De rector blies de aftocht, nagestaard door een woedende Toon.

Mijn tegenstander is kapot gemaakt. Maar het is nog niet genoeg.

Illegaal

juni 8, 2009 door schemerling

In de bieb vandaag, op zoek naar plaatjes van grappige dieren. Ik moet iets doen om de tijd te doden tot de Chinezen voldoende mensen hebben bereikt om Toon af te kunnen zetten.
Als ik naar het toilet loop spreekt een student naast de lendomaat me aan. “Pardon, mag ik je iets vragen?”,
Déja vu. Zware déja vu, maar ik weet niet waarnaar. “Ja, uiteraard”, zeg ik.
“Hoe leen ik hier boeken?”, vraagt de student. Hij heeft een licht getinte huidskleur en een dun, viezig snorretje, alsof hij met een potlood is uitgeschoten terwijl hij het met de punt richting zijn neus hield.
“Wat? Hartstikke simpel. Je steekt je studentpas in de automaat, drukt dan op…”
“Argh, dat heb ik natuurlijk niet”, zegt de student.
“Iedere student heeft een studentpas. Gekregen van de Universiteit.” Of, in mijn geval, ‘geleend’ van een medestudent.
“Ik studeer hier officieel niet. Ik kom uit Nijmegen, studeer daar Rechten. Maar pssst, niet doorvertellen.” Hij werpt een schichtige blik richting de balie.
“Wat doe je dan hier? Waarom ga je niet naar je eigen bieb?”
“Ik ben daar niet meer welkom. Het ligt ingewikkeld. Bovendien hebben ze hier betere boeken en meer beschikbare pc’s. Zeg, mag ik jouw pas niet gebruiken?”
“Zeer zeker niet.”
“Kom op kerel, je moet me helpen. Ik heb helemaal geen rechten hier; ze gunnen me niets. Volstrekt op mezelf aangewezen in den vreemde! Een beetje hulp, dat is alles dat ik vraag.” Hij kijkt me met grote, wanhopige ogen aan.
Ik overweeg even hem te helpen, maar mijn eigen pasje is mijn eigen pasje niet eens en ik kan het niet riskeren ontdekt te worden.
“Sorry. Een andere keer, maar niet vandaag.”
De student grijpt me bij mijn jas. “Alsjeblieft! Help me toch! Ik word hier overal weggejaagd, ken hier de weg niet eens. Maar in Nijmegen kan ik ook niet terecht! En ik moet overmorgen een paper inleveren! Straks zak ik voor mijn opleiding ook!”
“Wat moet dat allemaal?” Het is bewaker Rattengezicht, en hij komt op ons af gelopen, “Als ik het goed hoor hebben we hier een illegale student?”
Twee eigenlijk. Ik moet de aandacht van mezelf afleiden, voorkomen dat hij ontdekt dat ik de Schemerling ben. “Ja, die gast studeert eigenlijk in Nijmegen. Check hem maar, hij heeft geen pasje.”
Rattengezicht buigt zich naar hem toe, met samengeknepen rattenogen. “En wat doe je dan wel hier?”
“Ik zal heel eerlijk zijn”, zegt de student, “Op mijn eigen Universiteitsbibliotheek loop ik gevaar. Er zitten daar een paar klojo’s in de bieb die me de hele tijd lieten struikelen. En laatst toen ik mijn geleende boeken er wilde terugbrengen stonden ze me op te wachten en hebben ze alle bladzijden uit mijn bibliotheekboek gescheurd. Ik heb de leider een klap gegeven en ben er toen vandoor gegaan. Maar nu kan ik niet meer terug, nee, zeker niet; ik moet hier blijven. Ik vrees daar voor mijn veiligheid. Ik… ik ben een vluchteling! U moet me hier toelaten.”
“Dat lijkt me niet”, zegt bewaker Rattengezicht, “Meneer, ik moet u vragen te vertrekken.”
“Alstublieft, is er geen formulier dat ik in kan vullen? Ik kan echt niet terug. Ik beloof dat ik… Kunt u mij niet een tijdelijke vergunning geven om hier boeken te mogen lenen?”
“Vanaf juli kunt u zichzelf inschrijven als student aan deze Universiteit”, zegt Rattengezicht, “Nu kan ik helaas niets voor u doen. We zijn al die illegale studenten hier goed zat! Wilt u nu weggaan? Ik vraag u nu te vertrekken.” Rattengezicht legt zijn hand op de schouder van de student, en schuift hem met zachte dwang richting uitgang.
De student begint hevig tegen te stribbelen, schopt een scene die een hoop bekijks trekt. “Nee, alsjeblieft… In mijn thuisbibliotheek zullen ze me vermoorden. Alsjeblieft, asiel! HELP!”
Zijn wanhopige kreten baten hem niet.
Hij wordt uitgezet.

The Heist, part 2

juni 7, 2009 door schemerling

Er bewoog iets op het hoogste krat van rij 2. Was het gezichtsbedrog, slechts een vleermuis of zag ik werkelijk een spinachtige gestalte wegklauteren over het plafond? Wat het ook was, ik had hier niet met de bewaking te maken! Hád ik maar met de bewaking van doen! Nu wist ik hoe de schaarse mensen die mij ’s nachts over de campus zagen gaan zich moesten voelen.
“Weg hier”, besloot ik. Ik zette het op een lopen.
Achter me vielen kraten om. Er klonk een stuiterend geluid, als van iets dat rondsprong, en daarna een zwaar gehijg, als van iets dat… zwaar hijgde.
http://www.youtube.com/watch?v=62WE3CzK4Ss
“Sche… mer… ling!”, leek het te zeggen, in een onmenselijke ruwe stem. Er suisde iets langs mijn hoofd, me op een haartje na missend.
Ik liet rij 2 achter me en sprintte naar de ingang, waar mijn zaklamp op de grond lag. Iets had het instrument in tweeën gesneden. Mogelijk was datzelfde ‘iets’ nu voornemens mij in tweeën te snijden, een voornemen waarmee ik mij niet kon verenigen.
Het gehijg kwam dichterbij, werd nu vergezeld door een laag gezoem en een regelmatige slag die van vleugels zou kunnen komen. Ik voelde de hete adem van de duivel in mijn nek; het was nu of nooit!
Ik dook naar voren, greep de klink van de deur, slingerde deze open, en sprong het archief uit. Het was nogal een onnodig, uitsloverig gebaar, maar hier genoot ik als campusking nu eenmaal van. Ik landde in de gang, hoorde opgelucht de deuren van het archief achter me dichtvallen.
Ik was ontsnapt.

Wat een spanning! Wat een avontuur! Toen ik eindelijk uit gebouw C ontsnapt was heb ik een half uur op een bankje gezeten om weer op adem te komen. Nooit meer kregen ze me terug dat archief in! Nooit meer!

Twee uur later stond ik op de afgesproken plek, in het trappenhuis bij de internationale studenten. De Chinezen verschenen precies op afspraak.
“Ah… het feit dat je je hier durft te vertonen zegt me dat je missie een succes was”, zei meneer Qing, “Tenzij je gewoon heel stom bent natuurlijk, maar ik denk glaag dat ik meer mensenkennis heb.”
Ik overhandigde meneer Qing het kleine pakje dat ik uit het archief had meegenomen. “Hier is het. Doe er je voordeel mee. Ik heb door een hoop brandende hoepels moeten springen om er aan te komen.”
Qing knikte gretig. “Ik wist dat het je zou lukken. Ik wist dat we de juiste persoon hadden, een die bereid was over lijken te gaan. Een monster.”
“Een monster? Toch niet! Ik ben een mens. Een mens van vlees en bloed.”
“Ja, een mens van vlees en bloed, die bereid is een paar nietsvermoedende bewakers te vergiftigen om zijn doel te bereiken, nietwaar? Die er niet voor terugdeinst om informatie uit mensen te slaan, berenklemmen voor anderen uit te zetten… Maak je geen zorgen, ik bedoel het als een compliment.”
De klootzak. Er schoot me echter niets snedigs te binnen om mezelf te rechtvaardigen. Ergens had hij een punt.
Meneer Qing nam het pakje aan met een licht manische blik in zijn ogen. “Ah… Dit is het dan. Eindelijk… Eindelijk is het terug in mijn handen. Ik dacht dat deze dag nooit zou komen. De Universiteit van Tilburg dacht dat zij gewonnen had. Zij zat er naast. Ah ha. Ah ha ha ha. AHAHAHAHAHAAHA!”
Meneer Qing lachte ruim een halve minuut maniakaal, maakte toen het pakje voorzichtig open. Er zat een doosje in, met daarin een klein terracotta figuurtje in traditionele Chinese klederdracht. Qing knikte, en sloot het doosje weer. “Een erfstuk van mijn grootvader, dat ons decennia geleden is ontstolen door een hoogleraar Archeologie van deze Universiteit.”
“Hoogleraar Archeologie?”
Hij knikte. “Er is een hoop dat je niet weet over de geschiedenis van deze campus… Dat is alles. Je wordt bedankt. We zullen je probleem met Toon oplossen. Ook wij hebben hem nu niet meer nodig…”
Terwijl ik terug naar de campus wandelde werd ik bevangen door een somber gevoel. Ben ik echt een monster? En dan bedenk ik met een schok wat ene Maurits Heverlee daarover te zeggen zou hebben…

The Heist, part 1

juni 6, 2009 door schemerling

De avond van de inbraak was aangebroken. Alle voorbereidingen waren getroffen en geslaagd, maar het moeilijkste moest uiteraard nog komen. Vanavond zou ik in C-52, het archief beneden de Universiteit, inbreken en het kleinood ontvreemden dat de Chinezen zo graag in hun bezit wilden hebben.
De vaste bewakers Mark en Theo waren ziek. Iemand had afvalwater in Theo’s koffie gemengd, en hij was met een hevige voedselvergiftiging naar het ziekenhuis gebracht. Arme Theo. Mark daarentegen zat in gebouw Vigilant te trippen omdat hij had gegeten van een spacecake die een onachtzaam figuur in de mensa had laten slingeren. Hij zwaaide met zijn armen om zich heen, op jacht naar kabouters die slechts hij kon zien.
Ik had vrij spel.

Geen bewaker te zien in de gang bij C52. Alarm op de deur had ik even tevoren uitgeschakeld. Zo voorspelbaar dat Mark hiervoor de geboortedatum van zijn oudste zoon had gebruikt. Vervolgens opende ik met de twee sleutels die ik van de bewakers had ontvreemd de deuren van de enige ruimte op de campus die ik nog nooit van binnen had gezien.
Toen de tweede deur open zwaaide voelde ik een koude windvlaag in mijn gezicht, alsof ik een grot binnen ging. Blijkbaar werd het archief niet vaak betreden. Voorzichtig zette ik een eerste stap op de gladde vloer, sloot toen zorgvuldig de deur achter me.
Ik was eindelijk binnen! Het archief was op het eerste gezicht kleiner dan ik had verwacht, maar dit was waarschijnlijk gezichtsbedrog: het was er donker, en stond tot de nok toe volgepakt. Ik zag de omtrekken van rijen aan rijen van dozen op dozen op dozen; ze strekten zich uit links en rechts van me, tot het plafond toe.
Ik zette één van mijn zaklampen aan, en plaatste deze voor de deur op de grond. Een lichtstraal verlichtte het plafond boven de ingang. Dit zou het gemakkelijker maken mijn weg terug te vinden. Ik meende een vleermuis weg te zien schieten toen de lichtstraal het plafond raakte, maar besteedde hier geen aandacht aan. Ik ging op weg, mijn tweede zaklamp in de aanslag, op zoek naar het voorwerp dat ik zou moeten stelen. De Chinezen hadden me verteld dat ik item 4 uit rij 13 moest hebben.

Even stommelde ik rond in het donker, tot ik halverwege de ruimte per ongeluk tegen een lichtknop leunde en dit deel van het archief deels verlichtte. Dit maakte mijn speurtocht er beslist sneller op. Ik passeerde doosjes, dozen, hier en daar zelfs manshoge kraten en kooien, las de bijbehorende labels. ‘Inschrijvingen 1967-1970′ stond er op een, ‘jaarverslagen 1980-1989′ op een ander, en ‘Specimen Warande X-4 (Deceased)’ en ‘Specimen Warande X-5 (ACTIVE-CAUTION!)’ op een derde en vierde. Het was intrigerend, maar dit was niet het moment om me met het hoe en waarom van deze verzameling bezig te houden.
Ik had geen tijd te verspillen, moest haast maken. Het zou niet lang duren voordat vervangers voor Mark en Theo waren gevonden en de bewaking weer op volle toeren draaide. Waar was rij 13? Na een korte wandeling vond ik een genummerde rij; rij 8. Op goed geluk liep ik langs meer ongenummerde rijen naar de rij die nummer 13 of nummer 3 moest zijn, totdat…
Ineens klonk er een splinterend, krakend geluid vanuit een ander deel van de ruimte, gevolgd door een soort kreet.. Mijn hart miste een paar slagen, terwijl ik in een hoek gehurkt wachtte op wat ging komen. Niets. Er kwam niets. Er moest ergens een doos zijn gevallen, dat was alles. Voorwaarts.
Een paar stappen verder schoot ik opnieuw in de stress omdat ik een gebons hoorde, alvorens te beseffen dat hem om mijn eigen hartslag ging.
“Kom op Scheem, er is niets om bang voor te zijn”, prevelde ik.
Een seconde later ging het licht uit. KLIK.
“Okee, nu is er wel iets om bang voor te zijn.”
Toen ik me omkeerde, zag ik hoe de lichtstraal nabij de ingang kantelde en verdween; de zaklamp die ik daar had achtergelaten moest omver zijn geworpen. De bewaking, of erger nog: het SPOT, moest binnen zijn!
Ik hoorde kreten achter me. Er kwam een gedempt gemompel uit een paar van de grotere dozen met vreemde opschriften (‘Specimen Wandelbos Omega 6 (KEEP DISTANCE AT ALL TIMES!!)’), maar ik waagde het niet deze te openen. Mijn missie was elders! Ik liep de rijen af… Daar had ik het… Rij 13 item 4. Een verrassend klein doosje met enkele Chinees ogende opschriften. Zonder het te openen stopte ik het in mijn jaszak, haastte me het archief weer uit, zo snel mijn voeten me konden dragen. Het kostte me de grootste moeite te blijven rennen toen ik besefte dat ik in de richting van het kabaal rende.
Terwijl ik een stel kooien vlakbij de ingang passeerde verstarde ik van angst. Een van de kooien stond nu open. De klink was omhoog gegooid, en het hok zelf was leeg! Ik was er honderd procent zeker van dat deze kooi vijf minuten geleden op slot had gezeten…
“Oh cyclopische aartsnachtmerrie…”

WORDT VERVOLGD.

Campus top 10

juni 4, 2009 door schemerling

Vanavond of morgenavond breek ik het archief in. De kans is groot dat ik ofwel word gesnapt door de bewaking ofwel voor eeuwig vast kom te zitten ondergronds ofwel word gegrepen door die dingen in de kooien ofwel word verraden door de Chinezen. Ik heb het allemaal over voor die kleine kans op wraak.
In elk geval is er een grote mogelijkheid dat ik de campus nooit meer terug zie; er is te veel dat mis kan gaan. Ik besef dat ik deze plaats zou gaan missen, en daarom heb ik een top 10 opgesteld van mijn favoriete momenten die ik op de campus heb beleefd.

 
10. Die keer dat de catering na een borrel in de Tilbury’s vergat de tafels af te ruimen en ik mezelf in een voedselcoma at. Broodjes, eieren, kroketten, fruit zelfs! Puntenaftrek om het feit dat ik diezelfde nacht een voedselnachtmerrie beleefde waarin ik werd achtervolgd door een kip cordon-bleu met het hoofd van bewaker Anton.
9. Een economiestudent roept: “Ik rijd met gemak onder dat kut-kunstwerk door, stelletje konjo’s!” Het geheel eindigt met de student in het ziekenhuis, en het kunstwerk triomfantelijk.
8. Met Zofia geniet ik van het uitzicht vanaf gebouw K. We zien een dikke jogger hard wegrennen voor een wilde hond en lachen samen. Het is een van de laatste momenten die ik met haar deel.
7. Na een aanvaring met mensa-personeel roept Luuk van Dijk dat hij nooit meer een stap binnen de mensa zal zetten. personaliaAls ik hem de volgende dag weer in de mensa tref begint hij woest te stampvoeten en me een hater te noemen, tot een kok hem vraagt te vertrekken. Iets meer dan een week later trapt hij ook nog eens in een berenklem.
6. Slechte Studentenvereniging Habakuk wordt opgerold en haar leider wordt gearresteerd. De verantwoordelijke? Schemerling natuurlijk, de redder van de campus!
5. Mijn eenden hebben ergens een portemonnee opgedoken. Er zit een briefje van 20 euro in, waarvan ik die avond eet in de Esplanade. Wat over is neem ik in een doggy-bag mee, voor Ziggy en Alexander.
4. Valentijnsdag 2009.
3. Een zondagochtend in juni. Terwijl ik in het gras lig begint er bij mij in de buurt iemand op een soort fluit te spelen. De persoon zelf zie ik niet, ik luister slechts naar de muziek, terwijl ik weg dommel. Gelukzalig gevoel. Puntenaftrek om het feit dat het die middag regende.
2. “Is dit jouw frisbee?” Nu wel.
1. De dag dat ik hier veilig weg kom, hopelijk rijk door al het geld dat het Schemerhandboek me heeft opgebracht, hopelijk bewonderd en geprezen als redder van de campus, hopelijk gelukkig

Ah, lijstjes… Is er iets dat ze niet kunnen? Dat was het dus. Ik moest eigenlijk hard mijn best doen om aan 10 te komen. Misschien is het maar beter ook als ik hier niet meer terug kom.

Luuk van Dijk trapt in een soort van berenklem!

juni 2, 2009 door schemerling

Ik ontving een dringend smsje van Luuk van Dijk. ‘Problemen, Schemerilng!’, smste hij, ‘Tref me ogenblikkelijk in PZ40. Het gaat over Tono!’ Zoveel spelfouten. Luuk klaagde dikwijls dat de telefoontoetsen te klein waren. Dit was goed nieuws. Hij moest zich bedacht hebben.

Nauwelijks vijf minuten later stond ik in het lokaal. Luuk van Dijk stond al te wachten, en hij oogde ernstig.  

“Welnu, wat wil je me zeggen, Luuk van Dijk?”, vroeg ik, “Heb je Toon’s zwakke plek gevonden?” 

Luuk schudde somber zijn hoofd. “Niets van dat, Schemerling. Je moet de Universiteit onmiddellijk verlaten. Het is de enige manier waarop dit pleit zonder bloedvergieten kan worden beslecht. Je hebt gezien waar die Toon zoal toe in staat is.”  

“Wat? Dat is alles? Ik ga de Universiteit niet verlaten! Gek die je bent!” Ik wilde weer vertrekken, niet van plan om Luuk van Dijk mijn tijd nog langer te laten verspillen.                                 

“Nou, als het zo moet… BARRACUDA!”

Het was wel het laatste dat ik verwacht had Luuk te horen zeggen. “Wat is dat nou weer?”  

“Mijn veiligheidswoordje. Sorry Schemerling, maar ik ben bang dat onze samenwerking hier eindigt.”

Een tweede deur ging open en Toon kwam binnen gestruind, op de voet gevolgd door zijn Schemerling Death Squad, SPOT, bestaande uit vier grote Polen. Tomás’ gezicht vertrok van woede toen hij mij zag. 

“Aha, tijd voor bloed!”, constateerde Toon, ietwat plichtmatig, “Alsof ik het goddomme nog niet druk genoeg heb. Weet je Schemerling, normaal zou dit het moment zijn dat ik je nog even boosaardig toesprak, mijn meesterplan voor wereldverovering uit de doeken deed, en al die shit, maar dat zou eerlijk gezegd maar verspilde moeite zijn, omdat je het toch niet zal kunnen navertellen. Nee, beter schrijf ik er een boek over, als dit alles is afgelopen, en ik de meester van deze Universiteit ben. Ik houd het kort, want dit hele Schemerling-debacle duurt nu al maanden langer dan het had hoeven duren. Je was een dwaas te denken dat je mij kon dwarsbomen, nu ga je er aan, blablabla, daarna blaas ik gebouw C op op het moment dat de Universiteitsraad daar vergadert, en word als enig overlevend raadslid heer en meester van de campus, blablabla. Nu laat ik je over aan de Polen. Een prettige dag nog.” Gniffelend verliet hij de zaal.

Luuk van Dijk keek verongelijkt. “Meende hij dat nou, van dat gebouw C opblazen? Mijn tas ligt daar nog.” 

Ik haalde mijn schouders op. Eerlijk gezegd betwijfelde ik het sterk. “Doet het er nog toe?Verrader!” 

“Hater!”

Tomás stapte naar voren. “Any last words, ‘Vlad’? Any last apologies before I send you screaming into the abyss?”

“As a matter of fact…” In een bliksemsnelle beweging greep ik Luuk van Dijk bij zijn keel. “I have a hostage!”, riep ik, “Not one step closer or Luuk van Dijk gets it!”

“What is a Luuk van Dijk?”, vroeg Tomás, “And why should we care?”  

“JUST DO WHAT HE SAYS!”, brulde Luuk, “I AM AN ASSET TO THIS UNIVERSITY!”

Tomás haalde zuchtend zijn schouders op en kwam dichterbij, een dolk in de aanslag. Dit werd zo niets. Ik smeet hem Luuk van Dijk in het gezicht en haastte me het lokaal uit.

Toen zij zich nog de deur uit worstelden had ik al een tiental meter tussen ons gelegd. Er zijn verrassend veel vergeten gangen in gebouw P, en ik wist precies welke routes ik kon gebruiken om hen af te schudden. In mijn eentje kon ik vlug de smalle tunnel door sprinten, terwijl de vier brede Polen en Luuk van Dijk elkaar bij het achtervolgen alleen maar in de weg zaten.

“Run faster, Luuk van Dijk, you fool!”, hoorde ik Tomás snauwen, “Don’t let him escape!” 

“I’m running as fast as I can, you… you hater!”

Ik rende door tot ik een harde ‘KLONK!’ achter me hoorde, gevolgd door een verdacht hoge kreet.  “Aaaaaaaai!”  

“What is it? Keep running!” 

“Kan niet! Ik ben… in… een soort van berenklem… gaan staan!” 

Ik draaide me om. Luuk van Dijk was in een grote, scherpe berenklem gestapt, die nu om zijn been was dichtgeklapt. Het was de berenklem die mijn uitgever gisteren op mijn herhaalde afraden langs is komen brengen! De Polen stonden nu geschokt om hem heen, gaven de achtervolging op.

De Goden zij geprezen!

Coverstory

mei 31, 2009 door schemerling

Mijn uitgever Geert de Groot mailde me enkele covers die hij eigenhandig had gemaakt voor andere boeken die Book-o-Look dit jaar had uitgebracht. Hij wilde weten welke stijl me het beste beviel voor de voorkant van het Schemerhandboek. Alsof ik het nog niet druk genoeg heb…

“Ik heb vaak wat tijd over op mijn werk”, schreef hij, “Dus dan ga ik wat met paint en photoshop in de weer. Ik hoop dat het je wat lijkt.”

altijd nooitIk heb de covers even doorgenomen. De eerste heeft nog het meest weg van een publicatie uit de Boeketreeks. Is mijn leven een aflevering uit een Boeketreeks? Ik mag toch hopen van niet. Natuurlijk: er zaten zo nu en dan wat weeïge romantische scènes in, maar ik zie mijzelf niet als een prins op enig al dan niet wit paard.

het spookt ergensDe tweede komt van een griezelboek. Ik zou mijn Schemerhandboek eerder omschrijven als een griezelboek dan als enig ander genre. Een hoop duister gedoe in de schaduwen. Monsters in kooien beneden de Universiteit. Vampiers.

Deze dan. Een eerste cover voor het Schemerhandboek zelf. Deze is beslist te druk. Er gebeurt te veel op, en ik denk dat dit het gedeelte van mijn doelgroep dat geen ADHD heeft zal afschrikken. Ik kan niet eens lezen wat nu eigenlijk de titel hoort te zijn. Bovendien leek het voorwoord van bisschop Muskens me wat uit de lucht gegrepen. Ik besloot Geert er over te bellen.

schemerhandboek“Bisschop Muskens? Wat heeft die er mee te maken?”

Geert zat blijkbaar net ergens (waarschijnlijk boven zijn budget) te dineren, en sprak met volle mond. “Mooi he? Een vriendin van me heeft voor hem gewerkt en zo hebben we hem weten te strikken voor het schrijven van een voorwoord.”

“Wat heeft hij met schemeren te maken?”

“Niet iets als zodanig. Maar het helpt altijd als je een beroemdheid kunt aanvoeren. Dit wordt een grote boost voor de verkoopcijfers, Scheem! Hij heeft zelfs al wat op papier gezet. Hier, ik lees het voor. ‘Gezegend is hij, die een leven lang in het teken stelt van God, want hij weet dat hij zich mag troosten in de genade des Here. Hij weet dat hij recht op zijn pad kan gaan, zonder ooit ten prooi te vallen aan de valse beloften van Satan.’

“…Dit heeft helemaal niets met mij te maken!”

“… een beetje wel, toch? Dat ‘hij’, dat verwijst naar jou, en je eh… worsteling. En God staat voor de campus, zoveel is ook duidelijk. En de Satan, dat is Toon natuurlijk.”

“Wéét bisschop Muskens dat hij dit voorwoord heeft geschreven?”

“Vast wel. En er staat niets tussen dat hij zelf niet ooit eerder heeft gezegd. Hartstikke leuk, jongen. Dit boek gaat er komen. Het gaat er komen! Daar ben ik zeker van. Oh en hee, ik heb trouwens nog een berenklem voor je geregeld, zoals je schreef in het Schemerhandboek, via een neef van me. Dan kun je gelijk je campus leven nog wat spannender maken! Vallen zetten, en wat niet al…”

Verongelijkt hing ik op. Mijn campusleven is al spannend genoeg.

Nooit meer Schemerling!

mei 28, 2009 door schemerling

Een grote groep studenten was verzameld bij het standje voor de Centrale Studentenbalie. Iemand stond een soort van redevoering af te steken. Kende deze campus nu ook al een ‘Speaker’s Corner’, waar elke gek zijn verhaal kon doen? Betrokken bij het campusleven als altijd worstelde ik me naar voren, en meteen weer naar achteren, mijn capuchon over mijn hoofd trekkend, want de persoon die een verhaal aan het doen was was mijn nemesis Toon, en zijn verhaal ging over mij.

“Beste studenten, beste mensen!”, brulde Toon vanaf een verhoging, “Ik kom tot u met slecht én goed nieuws. Eerst het slechte: Deze Universiteit kampt met een Kanker, een Pest, een vlek op haar blazoen die immer om zich heen grijpt, immer groeit. De onveiligheid neemt al maanden toe; studenten komen gewoon minder graag op de campus en dat is fokkin jammer. Er is een reden dat zij hier niet meer komen, een verklaring voor het feit dat zelfs de Bulgaarse mensenhandelaren de campus links laten liggen, en liever in Utrecht of Nijmegen gaan plunderen, uit angst met deze plaag geconfronteerd te worden. Ik heb het uiteraard over de Schemerling!”

Ontstelde kreten gingen op onder de verzamelden. “De Schemerling? Dat kan niet! Hij is een held!”, riep iemand, maar de meerderheid van de mensen leek niet van me gehoord te hebben. So far so good.

“De Schemerling, wie is dat in godsnaam?”, vroeg een meisje vlak naast me.

“Ik weet niet zeker. Is het niet die gast die dat blog schrijft op de Univers-site?”, antwoordde een jongen.

“Erik-Jan Broers?”, peinsde het meisje.

“De Schemerling!”, vervolgde Toon. Als een volleerd demagoog struinde hij over de verhoging, hier en daar pauzerend om te leunen op zijn wandelstok. “De zogenaamde nachtbewoner van deze campus. Een redder van de campus, als je hem zelf hoort. Een ordinaire inbreker, als je het mij vraagt. Te weinig mensen weten dat deze Schemerling verantwoordelijk is voor een reeks diefstallen, inbraken, infiltraties en ten minste twee moorden! Hij doodde Menno Hoogeboom, een alleraardigste student Vrijetijdswetenschappen! Hij doodde Zofia Figurska, een lieve, charmante uitwisselingsstudente! Hij doodde naar alle waarschijnlijkheid ook Martijn Quirijn, mijn voorganger bij de Minachtende Habakuk! Het is zeer belangrijk dat wij hem een halt toeroepen!”

Hij strekte zijn hand uit en trok een tweede persoon de verhoging op. Deze zat onder de blauwe plekken, en kwam me enigszins bekend voor, waarschijnlijk omdat ik hem een week eerder had afgerost.

“Neem deze arme jongen; een partijgenoot van me. In elkaar geslagen door de Schemerling! Zónder enige aanleiding!”

De jongen knikte somber. Toon strekte zijn wandelstok uit en gebaarde Luuk van Dijk naar voren te komen. De professor-in-opleiding zag er slecht uit, had zich al dagen niet geschoren. “Neem ook deze arme Luuk van Dijk, op wie de Schemerling karaktermoord pleegde, door hem in een vreselijk theaterstuk voor schut te zetten!”

Luuk van Dijk knikte. “Ook ik uit de wens dat de Schemerling gestopt wordt.”

“Hoe lang moet dit schrikbewind nog door gaan? Niet lang, zeg ik u! Neem dus mijn gebed over, dan bidden wij samen: Nooit meer Schemerling!”, riep Toon, “Nooit meer Schemerling!”

“Laat de bewaking dit oplossen!”, riep iemand, “Dit is ons probleem niet.”

“De bewaking?” Toon spoog de vrager recht in het gezicht. “Wat doet de bewaking hiertegen? Niets! De bewaking staat machteloos, wapenloos! Slechts bewapend met gummiknuppels en pepperspray kunnen zij weinig uitrichten om jullie, de studenten, te beschermen, denk maar aan die keer dat die emoe hier op de campus ontsnapte en lelijk huis hield! Neen, de bewaking is beslist niet de manier.”

Ik keek opzij naar bewaker Rattengezicht, maar die haalde slechts zijn schouders op en ging een eindje verderop staan roken. “Die kutstudenten ook altijd…”, mompelde hij.

jagers“Ik, Toon Kopmans van Habakuk, kom echter met een oplossing. Bij deze stel ik het Schemerling Preventie-Opsporings Team op, ofwel SPOT, een viertal dappere jagers dat de Schemerling zal gaan opjagen en, zo mogelijk, vernietigen! Laat hem de studenten maar eens lastig proberen te vallen, dan komt hij van een koude kermis thuis! AHAHAHAHAHAHAHAHA. Kom maar naar voren.”

Een woedende volksmenigte stond voor mijn huis, en de moed was me in de schoenen gezonken. Langzaamaan bereidde ik mijn aftocht voor, bewoog me uit de menigte, ineen gedoken.

Een viertal uit de kluiten gewassen kerels beklom inmiddels het podium. De voorste kwam me vaag bekend voor.

“Deze heren zullen God’s werk verrichten en de Schemerling dode… ópsporen!”, riep Toon.

“Surely, I shall find this Schemerling, and kill him!”, zei de leider van het SPOT, “My poor sister’s tormented soul shall finally find peace…”

De voorbereiding

mei 27, 2009 door schemerling

Inbreken op de campus. In zekere zin doe ik het al meer dan twee jaar lang, maar deze inbraak zou anders zijn. Ik heb mezelf toegang verschaft tot kamers van docenten en studenten, van rectoren en lectoren, maar nog nooit tot die allerheiligste, best beveiligde ruimte onder de Universiteit: het archief. Toch is dit wat de Chinezen van mij willen in ruil voor hun hulp, en wie ben ik om niet te gehoorzamen aan de Chinezen? De Dalai Lama?

De bewakers die gewoonlijk bij archief C52 patrouilleren heten Mark en Theo. Mark is de oudste; hij is zelden stil, wat het heel gemakkelijk maakt ze te horen aankomen. Hij vertelt graag moppen en grapjes die hij zelf behoorlijk op het randje vindt, en dat misschien ook wel ooit waren geweest, in de jaren ’20 van de vorige eeuw bijvoorbeeld.

“Waarom stinkt een ambtenaar zo uit zijn mond?”, vraagt hij dan, “Hij is nog te lui om een scheet te laten!” Zijn repertoire aan ambtenarenmoppen is schier oneindig.

De jongere, Theo van rond de dertig, is minder spraakzaam. Tijdens een van hun dagelijkse wandelingen heeft Mark van hem ontfutseld dat hij in de gevangenis had gezeten, maar veel meer weet niemand van Theo. Zijn antwoorden richting Mark zijn kort; ‘Ja’ of ‘Nee’ of ‘Grappig’ of ‘Maandag, want dan moet hij drie blaadjes van de kalender afscheuren’.

Zowel Mark als Theo heeft een van de twee sleutels die vereist was om de toegangen van het archief te openen. Wat Mark en Theo niet weten is dat ik inmiddels Theo’s sleutel al heb ‘geleend’ en laten namaken. Het was heel gemakkelijk. Terwijl hij onder de bibliotheekbrug heen wandelde smeet ik een paar kluiten modder op hem. Toen de arme sul vervolgens onder de douche stond ging ik er met zijn sleutelbos vandoor.

Nu moet ik alleen Mark’s sleutel nog hebben, en ik peins over hoe ik hem deze afhandig kan maken. Op welk moment van hun dagelijkse ronde staan ze het beste open voor een onverhoedse aanval? Is dat wanneer zij om kwart voor drie in de binnenplaats van gebouw C een sigaretje roken? Is dat als zij om half zes een maaltijd nemen in koffiekamer C? Of kan ik beter toeslaan wanneer zij door de kelders dwalen, vanuit de schaduwen opduiken om de sleutel te snaaien?

Ja, ik ben hun gangen na aan het gaan, weet welke rondes ze maken, wat de nummerborden van hun auto’s zijn, hoeveel kinderen, broers en zussen, nog levende ouders zij hebben. Ik moet het weten, zodat ik ze de nacht van de inbraak kan afleiden. Ze moeten worden uitgeschakeld.

Goedschiks of kwaadschiks.

Dood of levend.

Luuk van Dijk ziet ze vliegen

mei 25, 2009 door schemerling

Professor-in-opleiding Luuk van Dijk had me uitgenodigd een van zijn responsiecolleges bij te wonen.

“Het is voor ons allebei nuttig, Schemerling.”, hield hij me voor, “Jij leert het een en ander over het recht, en vervolgens kun je mij evalueren op wat er goed ging, en wat beter ging. Kom op, het is mijn tweede college pas.”

“Ik beloof niks, maar als ik er aan denk kom ik er bij zitten. Okee, Luuk?”

“Ja, ja. Dat is zo.”, mompelde Luuk, “Daar ís ook geen precedent voor.” Ik geloof niet dat hij nog besefte dat ik naast hem stond. Dat overkwam hem de laatste tijd wel vaker.

 

Met enige tegenzin schoof ik een paar dagen later aan bij het college. Luuk mocht van de faculteit al les geven aan een stel eerstejaars. Ik geloof dat ik wat uit de toon viel omdat ik niet tot dit mentorgroepje behoorde en dus wat te geïnteresseerd en beheerst overkwam. Het duurde ook even voor Luuk zelf arriveerde.

“Van Zeik is weer te laat”, zei een eerstejaars gekscherend.

“Die ouwe klootzak is zeker weer verdwaald in de lift.”, lachte een ander.

thorbeckeVan Dijk was ruim tien minuten te laat, en toen hij eindelijk binnen kwam begonnen de studenten onbeschaamd te lachen. Hij droeg dan ook twee verschillende wanten en had zich niet geschoren die dag, en leek erg verbaasd dat er mensen waren komen opdagen voor zijn college.

“Nou, de Hoge Raad dus…”, begon Luuk vlug, “Wat? Waar is de computer? Ik heb een powerpoint presentatie.” Hij wandelde doelloos in het rond tot hij een computer had gevonden, en was toen een minuut of drie kwijt aan het vinden van de aan/uit knop. “Dit is belachelijk, een absurde fictie”, bleef hij maar mompelen, “Als ik, Luuk van Dijk, het al niet snap, hoe moeten anderen er dan uit komen? Nou, waar is de powerpoint? Hoe vind ik hier de powerpoint?”

Al met al was het tien over negen voor Luuk van Dijk eindelijk zijn college begon. “Nou, op naar de stof, want het privaatrecht is geen lichte materie, beslist niet! De Hoge Raad zegt dus dat…” Twee eerstejaars meisjes begonnen te praten en te giechelen, wat Luuk zichtbaar verstoorde. “Wat is dat? Wat gebeurt er? Zijn er vragen? Hebben jullie vragen?”

“Nee, we hebben geen vragen, van Zeik”, zei een jongen, “We zouden niet durven…” Meer meisjes giechelden.

“Let dan op, want ik sta hier niet voor de… voor de kat zijn kut!”, snauwde Luuk van Dijk. Hij leek zelf verbaasd over zijn agressie en werd rood.

Een van de eerstejaars stond ineens op, al was hij bij nader inzien geen eerstejaars student, maar Luuk van Dijks politieke rivaal, een jongeman genaamd Klaas.

“Ík heb nog wel een vraag, Luuk van Dijk”, sneerde Klaas, “Dit is toch geen college over Zwitserse kaas? Waarom zitten er dan zoveel gaten in je verhaal?”

“Aaargh, het is mijn politieke rivaal Klaas F.”, zei Luuk verschrikt, “Waarom heb je mijn les geïnfiltreerd, jij schelm?”

“Ik spreek voor de studenten als ik zeg dat dit duidelijker en helderder kan, Luuk van Dijk! Dit is geen onderwijs, en jij bent geen onderwijzer. Van je lessen worden wij hooguit onderstommer!” Enkele studenten applaudisseerden om deze toch wel slechte woordspeling.

“Staak deze leugens!”, zei Luuk, “Scheer je weg, addergebroed! Jij bent geen student van mij!”

“Ik roep op tot betere kwaliteit van onderwijs”, riep Klaas, “Iets beters dan die stotterende, onsamenhangende Luuk van Dijk. Steun mij als professor privaatrecht!”

“Daar is geen precedent voor!”, brulde Luuk van Dijk, “Je bent een monster, Klaas! Waarom laat je me niet met rust? Is het nog niet voldoende dat je karaktermoord op mij hebt gepleegd door je toneelstuk, ‘Onder professoren’ op mij te baseren?”

Nu keek Klaas wat verbaasd. “Hoe graag ik ook karaktermoord op je zou plegen zegt dat laatste me niets. Ik heb geen stuk over je geschreven. Al is dat beslist geen slecht idee.” Hij pakte zijn pen er bij.

“Níet? Schemerling zei nochtans dat…” Luuk van Dijk keek verbaasd van Klaas naar mij, weer terug naar hem, en weer terug naar mij. Opeens leek het kwartje te vallen. “Natuurlijk… De schrijfstijl… De thematiek… Schemerling! Jíj schreef het toneelstuk! Ach en wee! Jíj was degene die mijn karakter afbrandde, met liedjes en dansjes! Jij… jij… verrader!”

Nu was het mijn beurt om van slag te zijn. Het was wel degelijk waar dat ik een tamelijk negatief ontvangen toneelstuk had geschreven dat losjes was gebaseerd op het personage Luuk van Dijk. “Sorry, Luuk van Dijk”, stamelde ik, “Ik dacht niet dat je er ooit op zou stuiten.”

“LEUGENAAR!” Luuk van Dijk slaakte een verdacht hoge kreet en stormde het lokaal uit. Ik denk eerlijk gezegd niet dat ik hem nog zal terugzien.